Zijn stem was hoog en hij had een verstopte neus — al met al niet erg indrukwekkend, vond Will, en nauwelijks deftig of sjiek.
‘Ik neem aan dat u de gebruikelijke trits meezingers, volksdeuntjes en rijmelarijen op uw repertoire heeft staan?’ ging de edelman verder.
Will vond het maar het beste om nog eens diep te buigen. ‘Uw edele,’ zei hij tandenknarsend, zonder op te kijken. Het liefst was hij naar voren gestormd om de man aan het hoofd van de tafel te wurgen.
‘Weinig kans dat je iets klassieks kunt spelen, zeker? Echte muziek, zal ik maar zeggen?’ vroeg Orman, op een toontje dat impliceerde dat hij al wist wat het antwoord zou zijn.
Will grijnsde nog maar eens, en wilde dat hij zo goed kon spelen dat hij ineens zou kunnen losbarsten in een fantastische vertolking van Saprivals ‘Oden en interpretaties’.
‘Het spijt mij al mijn hele leven, heer, dat ik niet in de gelegenheid was om een klassieke opleiding te volgen,’ zei hij, met een versteende grijns op zijn gelaat.
Orman wuifde zijn verontschuldiging nonchalant weg. ‘Anders mij wel,’ zei hij ernstig. ‘Nu, dan moet maar wat moet. Misschien dat mijn mensen hier er enig plezier aan zullen ontlenen.’
Dat is niet erg waarschijnlijk na zo’n inleiding, dacht Will boos terwijl hij de riem van zijn mandola over zijn hoofd trok. Hij aarzelde en keek de zaal rond. Overal keek men hem even onaangedaan aan. Ik denk dat ik nu eens zal meemaken wat een fiasco is, schoot het door Will heen en hij sloeg de eerste akkoorden aan van ‘Kaatje zoek me dan’, een opgewekt lied uit Hibernia. Het was een veilig liedje, een van de eerste die hij onder de knie gekregen had, en het muzikale intro was simpel maar wel meeslepend.
En natuurlijk maakte hij er een potje van, zo boos was hij van binnen op die hooghartige Orman. Zijn vingers waren zo stijf dat hij de melodie niet eens uit de snaren kreeg, hij moest op een gegeven moment wel terugvallen op wat begeleidende akkoorden. Zijn oren brandden van schaamte terwijl hij zich door het lied worstelde. Hij maakte fout op fout en miste menige noot, om te eindigen met een valse akkoord dat eigenlijk de hele catastrofe samenvatte.
Eerst bleef het angstig stil in de zaal. Totdat, na wat eeuwen leken, er ineens van achter uit de zaal enthousiast geklapt en gejoeld werd.
HOOFDSTUK 18
Will draaide zich verrast om. Er stonden vijf mannen, gekleed als jagers, die blijkbaar binnengekomen waren terwijl hij stond te zingen. Allemaal stonden ze in hun handen te klappen, aangemoedigd door een man die duidelijk hun leider was.
Hij was stevig gebouwd, gespierd, met een vierkant open gezicht en een brede grijns. Hij kwam recht door de zaal op Will af gelopen en bleef maar klappen terwijl hij dichterbij kwam. Toen stak hij zijn hand uit.
‘Goed gedaan, speelman, zeker als je bedenkt hoe onvriendelijk je hier ontvangen bent!’
Will schudde de uitgestoken hand. Die was hard en eeltig. Will herkende die stevige handdruk. Het was de handdruk van een krijger, het eelt was het gevolg van jarenlang oefenen met zwaard en lans.
‘En hoe heet je, jongeman?’ vroeg de man. Hij was groter dan Will en leek ergens achter in de dertig, gladgeschoren, met donker krulhaar en levendige bruine ogen. Zijn vier metgezellen waren iets achter hem blijven staan. Ook militairen, zag Will.
‘Will Barton, aangenaam, heer,’ antwoordde Will. Aan de kwaliteit van de kleren van de man kon je zien dat hij een heer was. Maar desalniettemin werd er hartelijk gelachen om de titel.
‘Geen onnodige beleefdheden hier, Will Barton. Ik heet Keren. Alleen bij bijzondere gelegenheden word ik heer Keren genoemd, maar anders is Keren goed genoeg.’ Hij wendde zich nu naar de hoofdtafel en riep naar Orman: ‘Mijn verontschuldigingen dat we te laat voor het eten waren, neef. Maar ik neem aan dat er nog wel wat restjes voor ons over zijn?’
Dus dat was Keren, dacht Will, die zich de naam herinnerde. Hij was de neef van Syron en blijkbaar was hij het die nu eigenlijk de baas was over het kasteel, terwijl zijn oom ziek in bed lag. Men zei dat hij een deskundig krijgsman was, en een echte leider. En als eerste indrukken niet bedrogen, dan was hij uit heel ander hout gesneden dan zijn neef de wetenschapper.
Orman nam het woord, je kon horen dat hij het gedrag van de ander verafschuwde. ‘Deze eetzaal is inmiddels wel gewend geraakt aan je slechte manieren, neef,’ zei hij.
Keren keek om en gaf Will een knipoog, vergezeld van hoog optrekken van zijn wenkbrauwen.
‘Maar als je nu eindelijk eens komt zitten dan zal ik de bedienden vragen je wat te eten te brengen,’ ging Orman verder.
Het was duidelijk dat de paar plaatsen die aan de hoofdtafel onbezet waren gebleven gereserveerd waren voor Keren en zijn vrienden. Maar de man wuifde de uitnodiging weg.
‘Welnee, ik ga hier wel zitten,’ zei hij, en wees naar de lege stoelen vlak bij Will. Dan kunnen we tenminste genieten van de muziek van Will Barton terwijl we eten. Het is hoog tijd dat er eens wat vertier door deze dooie oude zalen gejaagd wordt, wat jij!’ zei hij met glinsterende oogjes. ‘Speel maar eens wat vrolijks, Will! Ken je soms ‘Oude Jan Rook’?’
‘En of ik dat ken!’ zei Will. Gelukkig had hij de afgelopen weken de oorspronkelijke tekst van dat lied geoefend. Hij wist zeker dat hij niet weer die fout zou maken, om ineens zijn eigen versie over Grauwbaard Halt de Grijze Jager te gaan zingen. Halt was immers best beroemd in het land, en het was niet goed als Will op de een of andere manier aan de Grijze Jagers gekoppeld zou worden.
Het was opvallend wat een verschil een klein groepje vrolijke mannen in de zaal maakte. Toen hij de eerste snaren van dit opgewekte liedje aansloeg, voelde Will dat zijn vingers niet meer aarzelden maar precies wisten wat ze moesten doen. Keren en zijn mannen klapten en stampten de maat mee, en zongen ook luidkeels het refrein — en langzaam maar zeker begonnen ook de andere tafelgasten mee te zingen.
Niet Orman natuurlijk. Terwijl het stormachtige applaus voor ‘Oude Jan Rook’ wegebde, hoorde Will hoe een stoel aan de hoge tafel achteruit geschoven werd. Hij keek op en zag nog net hoe de kasteelheer met een boos gezicht door een zijdeur de eetzaal verliet.
‘Zo, dat heeft de sfeer hier wat opgeknapt!’ riep Keren opgewekt. Will wist niet of hij het liedje bedoelde of het vertrek van zijn neef. ‘Laat hem er nog maar een zingen, wat jullie?’
Hij keek de tafel rond naar al zijn kameraden. Even kwam er geen reactie. Keren leunde voorover, zijn beide handen op de tafel. Zijn glimlach werd breder en harder, en hij herhaalde:
‘Ik zei, laten we er nog maar eentje zingen. Wat vinden jullie?’
En plotseling was er algemene bijval en begon iedereen ‘Ja!’ te roepen. Will keek er verbaasd naar. Die Keren leek nogal populair te zijn. Wat hij ook voorstelde, men ging er graag mee akkoord. Niet dat Will daarover klaagde. Na de vervelende opmerkingen van Orman was het een hele verbetering — een enthousiast gehoor.
Hij keek lachend in de rondte en rekte en strekte al zijn vingers. Misschien ging deze avond toch nog meevallen.
De avond duurde nog zo’n anderhalf uur. Toen begonnen de eerste mensen naar bed te gaan. Will vond het ook wel mooi geweest en legde de mandola terug in zijn koffer. Hij wilde het voorbeeld van de anderen al volgen, maar Keren hield hem tegen. De opgewekte grijns was ineens verdwenen, en hij keek Will ernstig aan terwijl hij hem bij zijn arm pakte.
‘Ik ben blij dat je hier opgedoken bent, Will Barton,’ zei hij met gedempte stem. ‘Een beetje afleiding is precies wat de mensen hier nodig hebben. Van die zuurpruim van een neef van me hebben ze wat dat betreft niets te verwachten. Als je iets nodig hebt of wilt zolang je bij ons logeert, laat het me dan maar weten!’
‘Dank u wel, heer Keren,’ begon Will, maar de harde hand om zijn bovenarm kneep ietsje harder en dus verbeterde hij zichzelf. ‘Keren bedoel ik natuurlijk. Ik zal mijn best doen om de mensen wat op te vrolijken.’
Keren begon weer te grijnzen. ‘Daar reken ik dan op. Maar als er iets is, je weet het, je hoeft maar te roepen.’ En daarmee ging hij zijn mannen voor, de eetzaal uit.
Ineens voelde Will zich uitgeput, zoals alle artiesten na een voorstelling. Langzaam slofte hij de trappen naar zijn kamer op. De hond begroette hem met kwispelende staart en een vragende blik in haar ogen.
‘Niet slecht,’ antwoordde hij. ‘Het ging best. Morgen mag je meedoen.’
De hond liet haar neus weer op haar voorpoten zakken en bleef hem strak aan liggen kijken. Die starende
