begint te stormen, zoek dan een schuilplaats onder de bomen tot het voorbij is. Je raakt zo verdwaald in een sneeuwstorm.’

‘Ik zal goed opletten.’ Will keek ook naar de wolken. ‘Maar het zit er dik in dat ik in Macindaw ben voordat het begint.’ Hij gaf Trek de sporen en daar draafde het kleine paardje de weg op, gevolgd door het slome pakpaard. De hond liep als altijd voor hen uit. Zo met haar kop naar de grond gebogen en een beetje door de knieen gezakt zou geen onraad haar ontgaan. Af en toe keek ze achterom om te zien of Will wel braaf volgde.

‘Het zou kunnen,’ zei Gelderris nog, half tegen zichzelf, terwijl hij Will nakeek. Maar het klonk niet alsof hij het zelf geloofde.

En inderdaad had Will nog maar een derde van zijn geplande route afgelegd toen grote dikke sneeuwvlokken uit de lucht begonnen te dwarrelen. Het was eerst steeds kouder geworden — tot het zomaar ineens, heel vreemd was dat, weer een paar graden warmer werd. Dat betekende dat er sneeuw aankwam. En inderdaad begon het te sneeuwen, niet zomaar een beetje, maar ineens heel heftig. Will trok zijn kap over zijn hoofd en zat helemaal in elkaar gedoken met zijn mantel strak om zich heen geslagen op de rug van zijn paardje. Hij vroeg zich af hoe het kwam dat die sneeuw ineens alle geluiden dempte — of leek dat alleen maar zo? Het leek eerder logisch dat van die grote dingen als deze sneeuwvlokken geluid zouden maken terwijl ze naar beneden kwamen vallen. Regen kon je immers ook horen. Misschien was het juist dat je dat vallen niet hoorde, dat je het idee kreeg dat alles heel stil werd. En naarmate de laag sneeuw op de weg dikker werd, hoorde je de hoeven van de paarden ook steeds minder. Alleen het lichte knerpen van verse sneeuw, die onder de paardenvoeten samengeperst werd, was nog hoorbaar.

Will zag de laag sneeuw dikker en dikker worden. Hij floot de hond en wees naar het pakpaard. De hond stak zijn oren recht overeind, wachtte tot het paard naast hem was en sprong toen elegant boven op het zadel, waar een speciaal nestje voor hem was gemaakt tussen de tassen. Het paard was daar inmiddels aan gewend, en het liet niet merken dat het schrok van zijn nieuwe berijder of hem iets kwalijk nam.

Will reed gewoon door. Er viel flink wat sneeuw nu, maar een sneeuwstorm kon je het nog lang niet noemen. Hij vertrouwde erop dat hij de weg niet kwijt zou raken. Die was weliswaar bedekt met een laag sneeuw, maar je kon nog heel goed zien waar hij liep, vooral omdat ze hier door een dicht bos moesten.

Af en toe hoorde je hoe dikke pakken sneeuw van de takken gleden en met een doffe bons op de grond vielen. Een keer schrok Will van een hels gekraak, toen een dode tak het begaf onder het gewicht van de witte massa. Bij dat geluid kwam er ineens een zwart-wit kopje boven de tassen van het pakpaard uitgestoken, de oren gespitst, het neusje zenuwachtig heen en weer bewegend.

‘Rustig maar,’ zei Will met een grijns. Zijn stem klonk nu ineens vreemd luid. De hond snifte wat en liet haar kop weer op haar poten zakken. Ze deed de ogen weer dicht — maar meteen daarna weer open toen ze driftig haar kop heen en weer schudde, zoals honden dat kunnen doen, om de sneeuw van haar oren te schudden. Daarna ging ze weer rustig liggen.

Wills gezicht was ijskoud, maar verder bleef hij best lekker warm. Er stond geen snijdende wind die dwars door zijn kleren blies, en omdat het nu echt vroor bleef de sneeuw droog liggen op zijn schouders en kap. Hij smolt in elk geval niet, zodat hij geen last had van natte kleren. Af en toe schudde hij de poedersneeuw van zich af. Hij moest even lachen toen hij zag hoe de hond datzelfde deed.

Twee uur later reed hij een heuvelrug over en zag beneden zich kasteel Macindaw liggen. Het was een plomp, lelijk gebouw. De donkere steen waarmee het gebouwd was, stak bijna zwart af tegen het sneeuwlandschap eromheen. Het stond, zoals de meeste vestingen, op een kleine verhoging en het bos was aan alle vier de kanten een heel eind weggekapt, zodat niemand het slot ongemerkt kon naderen. Misschien was het niet mooi, dacht Will, maar het zag er wel uit alsof het opgewassen was tegen zijn taak, met dikke, minstens vijf meter hoge muren. Op elk van de vier hoeken stond een toren, een paar meter hoger nog, en in het midden bevond zich de gebruikelijke donjon, die boven alles uitstak. De toegangspoort was aan de zuidkant, met een ophaalbrug over een gracht waar geen water in stond. Die gracht liep trouwens niet helemaal het gebouw rond, zag Will. Blijkbaar diende die er alleen toe om de toegang tot de poort extra te beschermen.

Halt en Crowley hadden hem verteld dat het normale garnizoen bestond uit dertig man voetvolk en een stuk of zes ridders met hun strijdrossen. Meer dan genoeg om een bende wilde Scoti voor de muren van het kasteel tegen te houden, dacht Will.

Hij duwde zijn kap naar achteren en haalde de hoed met smalle rand tevoorschijn, die hij ook van Berrigan gekregen had. Er stak een groen geverfde zwanenveer in de band, waaraan je kon zien dat hij een speelman was, en daarmee zou hij zonder problemen de binnenplaats van het kasteel op kunnen rijden. Hij trok de hoed stevig over zijn hoofd en reed naar de poort. Zonder de warme kap begonnen zijn oren te tintelen, en af en toe glipte er een sneeuwvlok langs de rand van zijn hoed en smolt langs zijn hals. Gelukkig nog maar een paar minuten, dan was de reis voorbij.

HOOFDSTUK 17

De hoeven van Trek sloegen een holle roffel op de dikke planken van de ophaalbrug toen Will onder de valpoort door reed. Die holle klanken veranderden in een scherp gekletter toen de paarden de kasseien van de binnenplaats opstapten. Overal waren mensen bezig met allerlei werkzaamheden. Slechts een enkeling keek op naar Will, maar wendde meteen de blik weer af.

Er ontbrak iets, dacht Will. Maar wat? Ineens besefte hij wat hij miste: er klonk geen geroezemoes van stemmen, er werd niet gelachen, mensen riepen elkaar geen goedendag toe als ze naar buiten kwamen, niemand stond te kletsen of grappen te vertellen. De mensen van Noordam waren stil. Ze liepen met neergeslagen ogen van de ene plek naar de andere en leken geen enkele belangstelling te hebben voor wat zich om hen heen afspeelde. En dat was heel vreemd. Als Grijze Jager had hij altijd al de aandacht getrokken, zij het met de nodige reserves, zodra hij ergens aankwam. En ook als speelman was hij de afgelopen weken niet anders gewend — al was het om heel andere redenen. Hij had verwacht dat de mensen hem in zo’n afgelegen oord als Macindaw enthousiast of in elk geval vriendelijk zouden begroeten. Hij keek nieuwsgierig om zich heen, maar niemand wilde of durfde hem in de ogen te kijken.

Het was angst, drong ineens tot hem door. De bewoners van Noordam, en zeker die van Macindaw, leefden natuurlijk dicht bij een gevaarlijke grens. En nu was hun heer en meester getroffen door een onbekende en onverklaarbare aandoening, en veel van hen dachten dat daar zwarte kunsten achter zaten. Geen wonder dat ze op hun hoede waren als er ineens een vreemdeling op de stoep stond. Will aarzelde, hij wist niet of hij al af zou stijgen of niet.

Die beslissing werd hem uit handen genomen door een dikkige man, die met een gezicht dat eeuwige bezorgdheid uitstraalde en de ambtsketen en sleutelbos van de major domo, uit de donjon naar buiten kwam lopen. De major domo, de man die verantwoordelijk was voor het dagelijkse reilen en zeilen van de kasteelhuishouding, zag hem staan en kwam meteen op hem af.

‘Speelman, neem ik aan?’ vroeg hij.

Dat klonk kortaf, dacht Will. Maar in elk geval was het een soort begroeting. Hij trok een brede glimlach op zijn gezicht. ‘Inderdaad, hooggeachte major domo. Will Barton is de naam, uit het zuiden kom ik aan, en ik breng u wat vertier, in dit noords kasteel alhier.’ Zo had hij geleerd zijn gastheren tegemoet te treden, met mooie woorden.

De major domo knikte afwezig. Will begreep dat hij wel wat anders aan zijn hoofd had.

‘Nou, vertier kunnen we hier wel gebruiken dezer dagen. Er valt hier de laatste tijd niet veel te lachen, dat kan ik je wel vertellen.’

‘O ja?’ vroeg Will.

De major domo keek hem onderzoekend aan. ‘Wil je soms zeggen dat je niets gehoord hebt over wat er hier gebeurd is?’ vroeg hij wantrouwig.

Will besefte dat het dom zou zijn om net te doen alsof hij helemaal van niets wist. Een artiest die door de streek reisde had natuurlijk van de plaatselijke roddelaars al lang gehoord wat er aan de hand was. Hij haalde dus zijn schouders op en zei: ‘Geruchten te over, mijnheer. Maar dat is het platteland, dat gonst altijd van de praatjes. En ik ben er dus ook aan gewend daar niet te veel waarde aan te hechten.’

Вы читаете De Magier van Macindaw
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату