‘Je haalt wel een meter of honderd, denk ik?’ vroeg hij en zijn leraar knikte.

‘Misschien zelfs wel een stukje verder nog. Dus je mist je eigen vertrouwde boog, maar zonder wapen zit je niet! En dan heb je natuurlijk ook nog je boksijzer.’

Will knikte. Het boksijzer was nog een van de standaardwapens van de Grijze Jagers. Het bestond uit een bronzen staaf met twee knoppen aan de uiteinden, die je in een gebalde vuist klemde. Als je daarmee een tegenstander een klap op de kin of de slapen gaf, dan kon je er bijna verzekerd van zijn dat de ander, hoe sterk ook, onderuit zou gaan. Bovendien waren ze zo uitgebalanceerd dat je er ook heel goed mee kon gooien. Dat betekende dat iemand die erin getraind was, een messenwerper bijvoorbeeld, wat alle Jagers waren, zijn tegenstander op een afstand van zes meter onschadelijk kon maken.

‘Nou,’ zei Crowley, tevreden in zijn handen wrijvend, ‘dat is het zo ongeveer wel wat we voor je geregeld hebben. Nog een ding: zodra je eenmaal bij of in kasteel Macindaw bent, zullen we ook een contactpersoon sturen, voor als je ons iets te melden hebt.’

Daar keek Will weer van op. ‘En wie zal dat zijn?’ vroeg hij, maar zijn commandant haalde de schouders op.

‘Dat hebben we nog niet beslist. Maar we zullen ervoor zorgen dat het iemand zal zijn die je als zodanig zult herkennen.’

Halt legde zijn hand op de schouder van zijn leerling. ‘En als je hulp nodig mocht hebben, kun je natuurlijk altijd een beroep doen op Meralon. Maar alleen in noodgevallen. Verder mogen de mensen jullie niet samen zien. Het is van groot belang dat niemand weet wie en wat je echt bent. We zullen hem dus ook opdragen om jou niet voor de voeten te lopen. Als hij in de buurt is willen de mensen toch al niet praten.’

Will knikte dat hij het begreep. Het zou weer een eenzame opdracht worden, dacht hij. Maar als Jager moest je daar maar aan wennen. Grijze Jagers werkten altijd alleen.

Crowley keek naar de zon. Het was al na twaalven geworden, intussen.

‘Laten we nu maar weer wat gaan eten,’ zei hij. ‘En dan moeten Berrigan en jij vertrekken. Als je flink doorrijdt, kunnen jullie tegen de avond in Mergdal aankomen.’

HOOFDSTUK 14

De gasten in de gelagkamer van de Gebroken Fles keken op van hun bekers en pinten toen de deur van de herberg openging en er een vlaag ijskoude lucht, vergezeld van een wolk sneeuwvlokken, het vertrek binnen kwam waaien.

‘Deur dicht!’ snauwde een zwaargebouwde wagenmenner aan de tapkast, zonder zich zelfs maar om te draaien om te zien wie er was binnengekomen. Maar andere drinkebroers deden dat wel, en er ging een lichte beroering door de gelagkamer toen men zag dat de nieuwkomer een vreemdeling was. Dat soort reizigers was zeldzaam in Noordam, zodra de winter het leen in zijn greep kreeg. Meestal werden de velden en wegen al snel bedekt onder een dikke laag sneeuw en de temperatuur kwam door de koude poolwinden slechts zelden nog boven het vriespunt.

De deur ging weer dicht, waardoor althans de tocht buiten werd gesloten. De kaarslichtjes en het haardvuur kwamen weer tot rust, nadat de wind hen eerder wild aan het dansen gezet had. De nieuwkomer sloeg de kap van zijn zwart-wit gevlekte mantel naar achteren en schudde een dikke laag poedersneeuw van zijn schouders. Het was een jongeman, met dons van een paar dagen op zijn kin — niet veel ouder dan een jaar of twintig, schatten de stamgasten. Hij was ook niet bijzonder groot, aan de kleine kant eerder, en slank gebouwd. Samen met hem was stilletjes een zwart met witte herdershond naar binnen geglipt, die de jongen verwachtingsvol aan bleef kijken, wachtend op een bevel. De jongen wees naar een leeg tafeltje vlak bij de haard, de hond trippelde er geluidloos heen en ging er met gestrekte voorpoten onder liggen. Ze bleef echter waakzaam door het vertrek speuren, met een alertheid die in tegenspraak was met de ontspannen houding die ze aangenomen had. De jonge vreemdeling deed zijn mantel uit en hing die zorgvuldig over de rug van de stoel, zodat hij kon drogen in de hitte van de haard. De enkele sneeuwvlokken die er nog aan hingen smolten al snel, en stegen daarna als wolkjes damp omhoog.

Er klonk weer geinteresseerd geroezemoes toen de mensen zagen wat de jongeman onder zijn jas had meegebracht. Hij legde een vreemd gevormde leren koffer op het tafeltje. Waren reizigers al zeldzaam in deze streken en zeker in dit jaargetijde, amusement was nog zeldzamer, en de aanwezigen begonnen zich al te verheugen op een interessanter avondje dan ze hadden voorzien. Zelfs het tot dan toe chagrijnige gezicht van de wagenmenner brak open in een brede grijns.

‘Muzikant, he?’ riep hij vol verwachting en Will knikte en glimlachte terug.

‘Ik ben een eerzame speelman, vriend, die door jullie prachtige maar bitterkoude land zijn weg zoekt.’ Dat was de vrolijke, humoristische manier om dat soort mannen te antwoorden, zo had hij van Berrigan geleerd tijdens de twee weken die ze samen door het land gereisd waren. Onderweg hadden ze in meer dan tien van dit soort herbergen aangelegd. Een paar van de gasten kwamen al wat dichterbij zitten.

‘Nou, zing dan maar eens een vrolijk liedje voor ons!’ stelde de wagenmenner voor. Er klonk een instemmend gemompel uit de rest van de kamer. Will, zijn hoofd een beetje schuin, leek het verzoek even te overwegen. Daarna hield hij zijn vingers voor zijn mond en blies er hard op. Met een brede lach zei hij: ‘Even wachten nog, vriend. Mijn vingers zijn zowat bevroren, daarbuiten.’

‘Nou, dan warm je ze hier toch aan,’ klonk een andere stem. Het was de waard, zag Will, die van achter de tapkast naar voren was gekomen om hem een beker vol dampend warme gloeiwijn voor te zetten.

Will vouwde dankbaar zijn handen om de warme beker en knikte verlekkerd, terwijl hij de kruidige warme dampen opsnoof. ‘Ja, dat zal zeker helpen, dank u wel,’ antwoordde hij.

De herbergier knipoogde naar hem. ‘Van de zaak, natuurlijk,’ zei de man.

Will knikte. Dat was de gewoonte, had hij gemerkt. Als er een speelman in de herberg optrad, betekende dat meestal dat de herbergier die avond goede zaken deed. De mensen bleven langer en dronken meer. Will nam een flinke teug van de warme wijndrank, zuchtte diep en begon de koffer van zijn mandola open te maken. Het houten instrument voelde koud aan toen hij het tevoorschijn haalde uit de voorgevormde koffer, en een paar minuten had hij wel nodig om het ding te stemmen. De plotselinge overgang van de ijzige kou buiten naar de warmte in de gelagkamer had natuurlijk invloed op de snaren.

Toen hij klaar was sloeg hij een akkoord aan, draaide nog even aan een van de snarenspanners en keek toen de kamer rond. Lachend keek hij alle verwachtingsvolle gezichten aan.

‘Misschien een paar liedjes om mijn avondeten bij elkaar te scharrelen,’ zei hij. ‘Ik neem tenminste aan dat er iets te eten is?’

‘Zeker, vriend,’antwoordde de waard snel. ‘Er is een lekker stukje lamsvlees, klaargemaakt door mijn vrouw, met vers brood, gekookte aardappelen met peper en misschien nog wel een glaasje wijn, als je wilt.’

Will knikte tevreden. Tussen de regels door waren de afspraken dus al gemaakt.

‘Goed dan — een paar liedjes voor het eten, dan hap-hap, en nog een paar liedjes om het af te leren. Wat vinden jullie daarvan?’ vroeg hij. Er klonk een koor van instemmende geluiden en voordat het geroezemoes ten einde was gekomen was Will al aan zijn eerste liedje begonnen.

Zomers meisje, Je bent stralend als de zon Zomers meisje, Als ik bij je blijven kon Zomers meisje…

Hij keek even de tapkamer rond en moedigde de gasten aan om mee te doen met het refrein van dit populaire liefdesliedje, zodat zij met hun bekers de maat sloegen op de tafel en met schorre stemmen in koor schreeuwden:

Вы читаете De Magier van Macindaw
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату