landen.’

Hij wachtte even en keek toe terwijl Will alles in zich opnam, zijn ogen gingen over de hele kaart. Will knikte en Halt ging verder met zijn verhaal.

‘Zonder dat kasteel Macindaw zouden we steeds plunderende Scoti op ons dak krijgen — die wilde stammen die de zuidelijke provincies van Picta bewonen. Dat zijn namelijk allemaal echte rovers, dieven en vechtersbazen. Zonder Macindaw zouden ze zo het leen Noordam binnenstromen, en dan waren we het zo kwijt. Het ligt heel ver weg in het noorden, en met een leger kom je er niet zo gemakkelijk, zeker in de winter niet, omdat de meeste van onze manschappen uit het zuiden komen en niet gewend zijn aan de extreme weersomstandigheden waarmee je daar in het hoge noorden elke dag weer te maken krijgt.’

Will knikte. Hij had de kaart in zich opgenomen. Hij keek weer naar Halt terwijl deze zijn verhaal vervolgde.

‘Dus je begrijpt dat we ons niet erg op ons gemak voelen als iets het evenwicht en de rust in het leen Noordam dreigt of lijkt te verstoren.’

‘Toen heer Syron, de opperbevelhebber van Macindaw, een geheimzinnige ziekte opliep, begonnen we ons dus begrijpelijkerwijs al zorgen te maken. Die zorgen namen toe toen ons allerlei geruchten over tovenarij bereikten. Het verhaal gaat, dat een van Syrons voorvaderen een paar honderd jaar geleden ruzie kreeg met een plaatselijke tovenaar.’ Halt voorvoelde een van Wills moeilijke vragen en stak zijn hand op om hem op voorhand tot zwijgen te brengen.

‘Het hoe en waarom weten we niet. Misschien was het een geval van inbeelding. Misschien ging het gewoon om een charlatan, maar het zou ook om een echte tovenaar kunnen gaan. Het is allemaal meer dan honderd jaar geleden gebeurd, dus hard bewijs is er niet, alleen een hoop hysterische verhalen, het een nog sterker dan het andere. Maar in al die verhalen gaat het om een heuse tovenaar, een uit het boekje, die al eeuwenlang ruzie schijnt te maken met de familie van Syron.

Wat dat betreft gaat het hier dus om niet meer of minder dan de laatste botsing in een reeks die eeuwen bestrijkt. Denk eraan, we hebben hier te maken met mythen en legenden, dus je kunt niet vertrouwen op het gezond verstand van de betrokkenen.’

‘Wat gebeurde er dan met die tovenaar?’ vroeg Will toch snel.

Halt haalde zijn schouders op. ‘Dat weet dus niemand. Sommigen zeggen dat hij die voorvader van Syron behekste met allerlei ziektes en aandoeningen. En vanzelfsprekend konden de heelmeesters er niets tegen beginnen — dat kunnen ze nooit als ze denken dat het om hekserij of tovenarij gaat.

Maar er was blijkbaar een jonge dappere ridder in de familie die het op zich nam om de streek te verlossen van die zwarte magier. En zoals dat gaat in legenden, was die jonge ridder puur van hart, en zo edel van binnen, dat hij er uiteindelijk inderdaad in slaagde de tovenaar te overwinnen en hem het land uit te jagen.’

‘Hij heeft hem dus niet gedood?’

Halt schudde van nee. ‘Nee, dat is ook zo iets, dat doen ze dan nooit. Daardoor kunnen sprookjes als dit steeds weer opnieuw de kop opsteken, eeuw na eeuw — er is altijd rekening gehouden met een volgende aflevering.

Hoe dat ook zij, vandaag de dag is de situatie zo dat die Syron een week of zes geleden een ritje te paard aan het maken was, toen hij ineens door iets of iemand getroffen werd en van zijn paard viel. Toen zijn mannen naast hem neerknielden was hij al helemaal blauw aan het worden, er stond schuim op zijn lippen en hij kermde van de pijn.

Zijn mannen brachten hem snel naar huis, waar de doktoren niet begrepen wat hem mankeerde. Het enige dat ze konden doen was hem pijnstillers geven. En sinds die tijd is zijn conditie gelijk gebleven, hij ligt daar op het randje van de dood. Als ze hem bij laten komen om iets te eten of te drinken dan schreeuwt hij het uit van de pijn en begint onmiddellijk weer te schuimbekken. Maar zolang ze hem laten slapen, wordt hij natuurlijk steeds zwakker en zwakker.’

‘Wacht even…’ zei Will, ‘en die symptomen zijn natuurlijk precies dezelfde als die van zijn voorvaderen?’

Halt stak met een overdreven gebaar een vinger naar hem uit. ‘In een keer geraden!’ zei hij cynisch. ‘En dus roept iedereen dat Malkallam weer teruggekomen is.’

‘En Malkallam is…’

‘Inderdaad, die oude tovenaar van weleer,’ zei Crowley. ‘Niemand kan natuurlijk vertellen wie als eerste met dat verhaal op de proppen kwam, maar… laten we zeggen dat er ook nog andere tekenen opgemerkt zijn. Men heeft het over geheimzinnige lichtjes in het bos, die verdwijnen als men erop afgaat, er worden vreemde mensen gesignaleerd op de wegen, vooral ’s avonds en ’s nachts, in het kasteel hoort men rare stemmen, enzovoorts.

Alles bij elkaar genoeg om de gewone mensen doodsbenauwd te maken.

Onze Jager ter plekke, Meralon, heeft zijn best gedaan om zoveel mogelijk informatie te verzamelen, maar de mensen willen niets meer aan hem kwijt. Het enige dat hij eruit heeft kunnen opmaken is dat er een tovenaar diep in het woud zou leven, en dat die Malkallam zou heten. Maar waar die magier dan zijn grot of kasteel zou hebben, dat weet niemand te vertellen.’

‘En wie heeft er de leiding over het kasteel en de troepen, zolang Syron buiten gevecht gesteld is?’

Halt knikte, dat vond hij een goede vraag. Will wist tenminste meteen tot de essentie door te dringen, zonder te lang te blijven hangen in onduidelijkheden.

‘Formeel is dat de zoon van Syron, Orman, maar die jongen is geen echte militair. Volgens Meralon is hij een kamergeleerde — hij is meer geinteresseerd in de geschiedenis dan in de verdediging van de grens van het koninkrijk. Maar gelukkig is er ook nog een neef, Keren genaamd, en die lijkt de dagelijkse leiding over het garnizoen op zich genomen te hebben. Die is meer praktisch ingesteld. Hij is als soldaat opgeleid. En blijkbaar mogen de mannen hem graag.’

‘Dus die kan voorlopig de honneurs waarnemen,’ nam Crowley het weer over. ‘Maar als Syron onverhoopt toch doodgaat, dan hebben we dus een opvolgingsprobleem aan onze broek, want die zwakke Orman is dan de wettelijke erfgenaam van post en titel. Dat zou het hele evenwicht daar aan de grens grondig kunnen verstoren, en dan zouden we extreem kwetsbaar zijn voor een aanval uit het noorden, door kwaadwillende Scoti. En dat moeten we ten koste van alles zien te voorkomen — Macindaw is strategisch te belangrijk om risico’s te lopen.’

Will kneep een paar keer diep in gedachten in zijn kin. ‘Ik begrijp het. En wat willen jullie dan dat ik daar doe?’

‘Je moet er zo snel mogelijk heen. Je moet de mensen daar leren kennen. Je moet alles te weten komen wat er te weten valt. Vooral over die Malkallam, wie of wat dat ook zijn moge. Je moet uitvinden of er echt zo iemand bestaat, of dat de mensen dat alleen maar dromen, of dat iemand zich als hem voordoet. Je moet dus het vertrouwen van de mensen winnen, zorgen dat ze met je praten.’

Will fronste zijn wenkbrauwen. Crowley deed net alsof dat allemaal een fluitje van een cent zou zijn. ‘Gemakkelijker gezegd dan gedaan,’ mopperde hij. Maar Halt wist daar met een schuin glimlachje wel een antwoord op.

‘Nou, voor jou eerder dan voor de meeste anderen,’ zei hij opgewekt. ‘De mensen praten maar wat graag met jou — zo’n frisse jonge knaap met een goudeerlijk gezicht, zo onschuldig als een lam. En daarom hebben we jou ook uitgekozen voor deze klus. Ze zullen in de verste verte niet kunnen vermoeden dat jij ook een Grijze Jager bent.’

‘O nee? En wat denken ze dan wel?’ vroeg Will, en nu trok er een brede grijns over Halts gerimpelde gezicht.

‘Ze zullen denken dat jij een speelman bent!’

HOOFDSTUK 12

Daar keek Will van op. Een dag vol verrassingen vandaag, dacht hij.

‘Een speelman? Ik?’ vroeg hij.

Halt keek hem van onder zijn borstelige wenkbrauwen aan als een kat die een muis gevangen heeft. ‘Een

Вы читаете De Magier van Macindaw
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату