Crowley schudde verbijsterd het hoofd. ‘Nou, gelukkig is hij niet in de Diplomatieke Dienst terechtgekomen. Stel je voor — we zouden nu met minstens vijf, zes landen in oorlog zijn als hij daar zo had staan brabbelen.’ Hij keek weer even naar Will. ‘Zou je ons misschien in simpele woorden en, indien het niet te veel gevraagd is, zonder half afgemaakte zinnen kunnen en willen vertellen wat het verband is tussen deze hond, die man, en Alyss?’
Will haalde diep adem voordat hij begon te vertellen. Hij zag dat beide mannen onwillekeurig een stapje naar achteren hadden gedaan en besloot dat hij het maar beter zo simpel mogelijk kon houden.
‘De vorige eigenaar van deze hond is een plaatselijke crimineel, die John Buttel heet. Hij had haar verwond en langs de straat voor dood achtergelaten. Toen ik passeerde zag ik haar liggen. Ik heb de wond verzorgd en haar mee naar huis genomen.’
Hij wachtte even en keek of Halt en Crowley dit nog hadden kunnen volgen.
Beiden gebaarden hem verder te gaan.
‘Alyss kwam toen bij mij op bezoek, om jullie boodschap over te brengen, en ze was er net toen die Buttel besloot om bij mij langs te komen om de hond terug te eisen. Maar blijkbaar had hij eerst even buiten voor de deur staan luisteren, zonder dat wij in de gaten hadden dat er iemand stond.’
Deze bekentenis kwam hem op een afkeurende blik van Halt te staan.
Will maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Ik weet het, ik weet het… ik had hem eerder moeten horen. Maar Alyss en ik, wij zijn oude vrienden, en ik had er even mijn hoofd niet bij.’ Hij wachtte even en Halt gebaarde hem door te gaan. ‘Hoe dan ook, terwijl hij ons buiten stond af te luisteren, hoorde hij Alyss zeggen dat ik op een geheime missie gestuurd zou worden.’
De twee mannen waren nu een en al oor en oog. Halts gezicht stond even onbewogen als altijd, maar je kon zien dat Crowley zich zorgen maakte.
‘Wat heb je met hem gedaan toen?’ vroeg hij.
Will aarzelde. ‘Nou ja, hij had een speer, en een flinke ook. Dus die heb ik hem uit zijn handen geslagen, en toen heb ik hem met mijn Saksische mes bewusteloos gemept. Alyss heeft een handje geholpen, trouwens,’ voegde hij eraan toe. Hij wilde niet dat hem alleen alle eer zou toekomen. ‘Zij leidde hem af zodat ik mijn kans kon grijpen. Ik heb hem geboeid, en toen moesten we beslissen wat we met hem zouden doen. Alyss opperde zelfs dat we hem misschien wel dood moesten maken.’
Crowley knikte, nog steeds met gefronste wenkbrauwen. ‘Daar kon ze wel eens gelijk in hebben gehad. We mogen geen enkel risico lopen dat een en ander bekend wordt,’ zei hij. ‘Maar wat hebben jullie toen gedaan?’
Will aarzelde eventjes. Toen haalde hij diep adem en besloot zijn verhaal: ‘Het wolvenschip van de Skandiers lag daar nog steeds voor anker. Ik heb hem daarheen gebracht. Ze hebben hem meegenomen om als slaaf te verkopen.’
Hij wachtte even, bang voor hun reacties. Slavernij was immers verboden in Araluen. Dat had Alyss ook gezegd toen hij het voorstel deed.
‘Heb je hem verkocht?’ vroeg Halt.
‘Nee, zeg. Ik heb hem niet verkocht. Ik… heb hem eigenlijk cadeau gedaan, als slaaf.’
‘Een slaaf als cadeau?’ herhaalde Crowley. Hij leek de woorden te proeven.
‘Ja, en Gundar was er best blij mee,’ ging Will verder, in de hoop dat dit wat zou goedmaken. ‘Het punt was, ik wist dat hij op die manier niemand iets over mijn missie kon vertellen. En als hij het tegen de Skandiers zou zeggen, maakte dat niet uit. Ze zouden niet eens naar hem luisteren, en al deden ze dat wel, dan zitten ze de komende drie maanden toch vast op Skorghijl.’
Het bleef even stil terwijl Crowley en Halt nadachten over wat hij hun zojuist verteld had.
Will kon het niet laten en voegde er nog snel aan toe: ‘Anders had ik hem moeten vermoorden. En ik vond eigenlijk niet dat hij dat verdiend had, op de een of andere manier.’
‘Maar je vond wel dat hij verdiend had… om als slaaf weggegeven te worden?’ vroeg Crowley.
Will klonk nu vastberadener. ‘Jazeker, dat vond ik wel. De man had al heel wat misdaden op zijn geweten. En hij was hoogstwaarschijnlijk ook betrokken bij een paar moorden — al heeft niemand dat tot dusverre kunnen bewijzen,’ voegde hij er nog aan toe.
Halt krabde zich in zijn baard en dacht diep na. ‘Nou ja, dat hoort ook bij onze taken, toch? Kwesties waarbij er niet genoeg bewijs is voor een formele veroordeling?’
Crowley keek hem scherp aan. ‘Pas op, Halt, dat is nooit officieel vastgelegd.’
Halt knikte. ‘Dat is waar. Dat betekent dus dat we dat geval van Arndor van Kruize niet mogen zien als een geldig precedent?’ vroeg hij onschuldig.
Crowley begon ongemakkelijk heen en weer te schuifelen. Will keek van de ene naar de andere man — hij kon dit even niet meer volgen.
‘Arndor van Kruize? Wie was dat dan?’
Halt glimlachte naar hem. ‘Dat was een reus — meer dan twee meter lang — en een bandiet. Hij terroriseerde de stad Kruize en omgeving, maanden lang, totdat een zekere jonge Grijze Jager besloot dat het genoeg geweest was. En dat deed hij op een, laten we zeggen, tamelijk onconventionele manier.’
Halt zag dat Will wel in die manier geinteresseerd was, terwijl Crowley zich steeds ongemakkelijker leek te voelen. Hij ging dus met een onderdrukte grijns verder: ‘Hij ketende hem vast aan een molensteen, en de brave bewoners van Kruize mochten de man vijf jaar lang gebruiken als molenpaard. Blijkbaar had die ervaring een reinigende werking op de ziel van de man, en de stad werd er ook niet slechter van. Kruizer meel werd beroemd in die dagen, vanwege het feit dat het zo fijn gemalen was.’
Crowley onderbrak hem nu. ‘Maar dat was een heel andere situatie. En ik…’ Hij herstelde zich snel en ging verder: ‘En die Jager wist geen andere oplossing. In elk geval maakte de man wat goed bij de mensen die hij eerder van alles had aangedaan. Hij werd niet zomaar als slaaf naar het buitenland verkocht.’
‘Nou, die Buttel ook niet, wat dat aangaat,’ zei Halt. ‘Zoals Will al zei, heeft hij hem niet verkocht. Hij is weggegeven. En een slimme advocaat kan vast wel aantonen dat, zolang er geen geld mee gemoeid was, er eigenlijk niets onwettigs gebeurd is.’
Crowley maakte een minachtend geluid. ‘Een slimme advocaat? Die bestaan niet. Goed, jongeheer Will, ik neem aan dat je het allemaal goed bedoeld hebt, en zoals je advocaat hier net heeft bewezen is er waarschijnlijk niet iets echt illegaals gebeurd. Ga maar snel je tent opzetten. We praten wel verder na het avondeten.’
Will knikte en grijnsde dankbaar naar Halt, die daarop weer met zijn wenkbrauw in de weer ging. Terwijl de jongen wegliep om zijn tent uit te rollen ging Crowley naast zijn oude vriend staan en zei zachtjes, zodat Will hem niet kon horen: ‘Eigenlijk best een interessante oplossing voor moeilijke gevallen,’ zei hij. ‘Misschien moet je eens contact opnemen met die vriend van je, Erak, en bespreken of we of we dit soort oplossingen vaker kunnen toepassen.’
Halt keek hem enkele seconden ernstig aan. ‘Tja… Zoveel molenstenen hebben we niet in dit landje van ons, wat jij?’
HOOFDSTUK 11
De drie Grijze Jagers namen er hun gemak van, rond het kampvuur dat Will aangelegd had. Ze hadden net heerlijk gegeten — Crowley had flinke hertenbiefstukken meegebracht en die hadden ze sissend en spetterend gebakken op platte stenen, die ze eerst in het vuur gloeiend heet hadden gemaakt. Verder aten ze gekookte aardappelen met veel roomboter en peper en verse groenten, die ze even in een pan water geblancheerd hadden. Nu zaten ze in stilte na te genieten met een kop koffie, gezet door Halt zelf.
Will moest een beetje in zichzelf lachen. Natuurlijk was hij benieuwd naar de details van zijn opdracht, maar hij wist als geen ander dat het geen enkele zin had om te proberen de mannen op te jagen. Crowley en Halt zouden er, zodra zij de tijd daarvoor rijp achtten, heus wel over beginnen. Wat hij ook probeerde, niets zou hen van hun oorspronkelijke planning afbrengen. Een paar jaar eerder zou hij gespannen en ongeduldig zijn geweest: wanneer gingen ze hem eindelijk vertellen waar het over ging? Maar samen met andere Jagersvaardigheden had hij ook geleerd om geduldig te zijn.
Hij bleef dus rustig wachten tot de oudere mannen het grote onderwerp aan zouden snijden. Hij had al snel in de gaten dat Halt van tijd tot tijd met enige bewondering voor die nieuwe verworvenheid naar hem keek. Een
