keer keek Will hem toevallig recht in de ogen en begon hij van de weeromstuit te lachen. Hij was blij dat hij kon laten zien dat hij boven zijn vroegere ongeduld uitgegroeid was.
Ten langen leste was het Halt die ging verzitten op de harde grond en vermoeid riep: ‘Kom op, Crowley, nou hebben we lang genoeg getreuzeld! Vort met de geit!’
De commandant glimlachte verrukt naar zijn oude vriend. ‘Ha! En ik maar denken dat we Wills geduld op de proef stelden, niet dat van jou!’
Halt gebaarde geirriteerd dat het wat hem betreft lang genoeg geduurd had, dat wachten. ‘Ik vind dat we hem lang genoeg getest hebben.’
Crowleys glimlach verdween geleidelijk terwijl hij nadacht over hoe hij zijn verhaal zou beginnen. Will boog zich gespannen naar hem toe, benieuwd om te horen wat zijn opdracht zou inhouden. Al dagen was hij braaf en geduldig geweest, maar nu moest het maar eens afgelopen zijn. Van alles had hij verzonnen, en meestal had het iets te maken gehad met zijn ervaringen in Skandia. Maar zodra Crowley begon te spreken wist hij dat hij het bij het verkeerde eind had gehad.
‘Het lijkt erop dat we een heel nieuw probleem in het noorden hebben — iets met tovenarij!’ verklaarde hij.
Daar keek Will van op. ‘Tovenarij?’ vroeg hij, terwijl zijn stem een octaaf hoger klonk dan de bedoeling was geweest.
Crowley knikte. ‘Ja, schijnbaar,’ zei hij, met de nodige nadruk op schijnbaar.
Will keek van hem naar Halt. Het gezicht van zijn vroegere leraar was weer eens volledig uitdrukkingsloos. ‘Geloven wij in tovenarij?’ vroeg hij aan Halt.
De oudere man haalde zijn schouders op. ‘Vijfennegentig procent van de gevallen die ik heb meegemaakt bleken flauwe hocus pocus en oplichterij,’ zei hij. ‘In elk geval niet iets wat niet met een welgemikte pijl uit een boog opgelost kon worden. Dan is er nog een procent of drie waarbij sprake was van manipulatie van zwakkere geesten door een dominant karakter — denk bijvoorbeeld aan hoe Morgarath zijn Wargals overheerste.’
Will knikte. Morgarath, een vroegere baron van het rijk die in opstand was gekomen tegen de koning, had zijn leger van halfmensen, de Wargals, zowat onder hypnose gehouden.
‘En dan is er nog een procent, waarbij sprake is van een soort massale zinsbegoocheling, die bepaalde mensen blijkbaar op kunnen wekken,’ voegde Crowley daaraan toe. ‘Dat is net zo iets als hypnose, maar in dit geval zorgen ze ervoor dat hele groepen mensen iets denken te zien of te horen, iets wat er in werkelijkheid helemaal niet is.’
Het bleef even stil. Will keek weer van de een naar de ander. En zei toen: ‘Dan is er dus nog een procent over.’
De twee oudere mannen knikten. ‘Ik zie dat je inmiddels beter hebt leren hoofdrekenen,’ merkte Halt op. Maar voordat Will daar iets op kon zeggen ging hij verder: ‘Precies. Blijft dus die ene procent van alle gevallen.’
‘Wat jullie bedoelen te zeggen is dat er dan sprake is van echte tovenarij?’
Halt schudde weer zijn hoofd. ‘Ik zeg alleen maar dat we dan geen logische verklaring kunnen geven voor wat daar gebeurd is.’
Will ging er eens goed voor zitten. Hij moest en zou een fatsoenlijk antwoord krijgen.
‘Halt,’ zei hij, en hij keek de bebaarde Grijze Jager recht in de ogen, ‘geloof jij nu in tovenarij, of niet?’
Halt aarzelde alvorens een antwoord te formuleren. Hij was iemand die zich zijn hele leven bij de feiten had gehouden. Ja, zijn hele leven had hij juist besteed aan het verzamelen van feiten en informatie daarover. Onzekerheid, daar moest hij helemaal niets van hebben. Maar in het geval van die ene procent…
‘Nee, ik geloof er niet in,’ zei hij ten slotte. Hij koos zorgvuldig zijn woorden. ‘Maar ik kan niet zeggen dat ik het helemaal onmogelijke onzin vind. In die enkele gevallen waarin de logica mij niet verder kan helpen, ben ik bereid om voor andere mogelijkheden open te staan.’
‘En ik persoonlijk denk,’ voegde Crowley daaraan toe, ‘dat dat het beste is wat we ervan kunnen maken. Ik bedoel maar, het lijdt toch geen twijfel dat er een kwade macht bestaat die invloed uitoefent op onze wereld? We hebben alle drie te vaak voorbeelden gezien van misdadigheid om daaraan te twijfelen. En wie zegt mij dan, dat er heel soms niet iemand opstaat die in staat is, of lijkt te zijn, om die kwade macht of kracht zelf op te roepen, en voor zijn of haar eigen gewin te gebruiken?’
‘Maar daarbij mag je wat mij betreft nooit vergeten,’ zei Halt streng, ‘dat we het hebben over een geval op de honderd. En zelfs dan weten we niet zeker of het echte tovenarij is, of iets heel anders — als je al kunt spreken over “echte” tovenarij.’
Will schudde langzaam zijn hoofd, en nam een flinke slok van zijn koffie. ‘Ik vind het maar verwarrend.’
Halt glimlachte zonder dat hij bijzonder opgewekt leek. ‘Als je maar een ding goed onthoudt. Ook in het geval waar het nu om gaat is er meer dan negentig procent kans dat het gewoon om gegoochel of iets dergelijks gaat, en niet om toverkunst. Dat lijkt voorlopig alleen maar zo. Dat moet je echt onthouden — zonder je af te sluiten voor andere mogelijkheden. Heb je dat begrepen?’
Will knikte en zuchtte eens diep. ‘Goed,’ zei hij. ‘En waar gaat dit nu allemaal over? En wat willen jullie dat ik eraan doe?’
Crowley gebaarde dat Halt het woord maar moest doen. De band tussen de leerling en zijn meester was nog steeds even sterk, wist hij, en dat zou het mogelijk maken om de jongen kort en goed op de hoogte te brengen, zonder dat er misverstanden ontstonden en dingen verkeerd begrepen werden. Die twee kenden elkaar tenslotte door en door.
‘Goed,’ begon Halt. ‘Allereerst, we hebben het over het leen Noordam —’
‘Noordam?’ zei Will verbaasd, zonder Halt te laten uitpraten. ‘Hebben we daar geen eigen Grijze Jager dan?’
‘Jawel, die hebben we,’ antwoordde Halt, ‘maar iedereen kent hem en herkent hem. De mensen zijn bang en in de war, en de laatste die ze dan in vertrouwen nemen is een Grijze Jager. Per slot van rekening denkt de helft van de mensen dat wij ook tovenaars zijn!’
Will knikte, dat was maar al te waar, wist hij. ‘Maar als ik daar zomaar ineens opduik, zullen ze me dan niet ook wantrouwen?’ vroeg hij. ‘Ze kennen me dan wel niet, maar ik ben wel een Jager.’
‘Maar dat kunnen zij niet weten, want je gaat niet als Jager. Je gaat onder een dekmantel.’
Dat nieuwe gegeven snoerde Will de mond, al waren er nog duizend vragen die hij wilde stellen. Eerlijk gezegd schrok hij er nogal van. Hij was er nu eenmaal enorm trots op een Grijze Jager te zijn, en eerlijk gezegd genoot hij best van het respect en het gezag dat die functie met zich meebracht.
Mensen waren altijd een beetje bang van Grijze Jagers, dat was zo. Maar dat betekende ook dat het geen beroep was als alle anderen. Voor Jagers gingen deuren open die voor anderen gesloten bleven. Zelfs ridders en baronnen hadden respect voor Jagers en vroegen hun om hun mening en adviezen. Soms deed de koning dat zelfs. En hun vaardigheid met de wapens die ze als Jagers droegen was ook legendarisch.
Will vond het helemaal niet zo’n prettig idee om van dat alles afstand te moeten doen. Hij vroeg zich zelfs stiekem af of hij, als de mensen niet wisten dat hij een Jager was en zonder het zelfvertrouwen dat zijn functie hem gaf, wel in staat zou zijn om een moeilijke of gevaarlijke opdracht uit te voeren — en naar wat hij er tot dusverre van begreep kon het hier best eens gaan om iets wat en moeilijk en gevaarlijk was.
‘Luister, we lopen te ver op de zaken vooruit,’ zei Crowley. ‘We moeten eerst vertellen wat er eigenlijk aan de hand is, voordat we ons in allerlei details gaan verdiepen.’
‘Dat is een uitstekende suggestie,’ zei Halt. Hij keek Will aan en de jongen knikte. Hij wist dat hij nu moest blijven luisteren, zonder zijn meester te onderbreken.
‘Goed. Dat leen Noordam is tamelijk uniek in het koninkrijk, omdat er, naast kasteel Noordam zelf, dat precies in het midden ligt, nog een kasteel staat, in het uiterste noorden van het leen.’
Terwijl Halt dit vertelde rolde Crowley een kaart uit op de grond tussen hen in. Will ging op zijn hurken zitten om hem te bestuderen. Hij zag wat Halt bedoelde. Hij wees op de kaart aan waar nog een kasteel getekend was, bijna op de grens van het rijk, helemaal in het uiterste noorden.
‘Kasteel Macindaw,’ mompelde hij. Halt knikte.
‘Het is eigenlijk meer een fort dan een echt kasteel,’ ging hij verder. ‘Het biedt weinig comfort, maar wel een uiterst strategische ligging. Zoals je kunt zien…’ Hij nam een van zijn zwarte pijlen uit de koker op zijn rug en wees ermee naar de steile bergen die Araluen afsloten van haar noordelijke buurland, Picta.
‘Het kasteel beheerst daardoor de Macindawpas door die bergen, de enige verbindingsroute tussen beide
