speelman. Jij!’ zei hij. Will wist even niet wat te zeggen, en maakte een hulpeloos gebaar.

‘Maar…’ begon hij. En toen hield hij zijn mond.

‘Dat leek ons nou een prima vermomming voor jou,’ zei Crowley. ‘Speelmannen, die reizen door het hele land. En overal zijn ze welkom. In kastelen, maar ook in de eenvoudigste kroeg of herberg. En in zo’n godvergeten oord als Noordam ben je wel dubbel welkom, in de winter. En belangrijker nog: mensen praten met speelmannen. En als er een speelman bij staat praten ze gewoon met elkaar door ook.’

Will vond eindelijk de woorden die hij al een tijdje aan het zoeken was.

‘Maar vergeten jullie niet een klein maar niet onbelangrijk detail? Ik kan helemaal niet spelen. Ik ben dus ook geen speelman. Ik kan geen grappen vertellen. Ik kan niet goochelen. Ik kan geen salto’s maken. Ik ben geen potsenmaker. Als ik het probeerde zou ik mijn nek breken.’

Halt knikte. Daar had Will een punt. ‘Maar je vergeet dat er verschillende soorten speelmannen zijn,’ zei hij. ‘Sommigen zijn niet veel meer of minder dan minstrelen.’

‘En jij bent best goed op die luit van je, zegt Halt altijd,’ voegde Crowley daaraan toe.

Will keek hem aan. Nu werd het helemaal ingewikkeld.

‘Het is een mandola, geen luit,’ zei hij. ‘Het heeft acht snaren, dat ding, in paren gestemd. Een luit heeft tien snaren, waarvan er een paar de baspartij voor hun rekening nemen…’

Hij dreigde af te dwalen, merkte hij, dus verspilde hij verder maar geen adem meer aan het verbeteren van dat eeuwige misverstand. Die twee hadden toch geen belangstelling voor muziek. Luit, mandola, grote trom, het was hun allemaal om het even. Het enige dat hen interesseerde was dat hij erop kon spelen, besefte hij ineens, en toen drong eigenlijk pas tot hem door wat Crowley net gezegd had.

‘Vind je echt dat ik er iets van kan?’ vroeg hij voorzichtig aan Halt. De oude Jager had altijd alleen maar een gepijnigd gezicht getrokken, zodra Will aan het oefenen sloeg. En Will voelde een zekere genoegdoening, nu hij hoorde dat Halt blijkbaar toch wel een beetje waardering kon opbrengen voor zijn spel.

Maar dat gevoel duurde niet lang, helaas.

‘Ik heb er natuurlijk geen bal verstand van!’ zei Halt schouderophalend. ‘Het ene kattengejank of het andere, het lijkt wat mij betreft allemaal op elkaar!’

‘O,’ zei Will. Dat was niet precies wat hij wilde horen. ‘Nou, er zijn gelukkig andere mensen die er meer verstand van hebben. Maar,’ en hij wendde zich tot Crowley nu, ‘konden jullie echt niets anders voor me verzinnen?’

Het was de beurt van de commandant om zijn schouders op te halen. Als Will een suggestie had… ‘Zoals?’ vroeg hij dus welwillend.

Will pijnigde zijn hersens voordat hij met een alternatief durfde te komen. ‘Een ketellapper,’ stelde hij voor. In de verhalen die Murdal, de officiele verhalenverteller van baron Arald op Redmont altijd opdiste, vermomde de held zich niet zelden als een eenvoudige ketellapper.

Maar Halt snorkte minachtend. En Crowley herhaalde: ‘Ketellapper?’

‘Ja,’ antwoordde Will, die het eigenlijk best een aardig idee leek. ‘Die trekken ook van dorp naar dorp toch, en van boerderij naar boerderij? En met ketellappers praten mensen ook en —’

‘En ze staan er ook om bekend dat ze stelen als raven,’ maakte Crowley zijn zin af. ‘Denk je dat dat een goed idee is, je voordoen als iemand die niemand vertrouwt? Iedereen let alleen maar op of je met je vingers van het zilver afblijft.’ ‘Dieven?’ vroeg Will teleurgesteld, ‘Is dat zo? Zijn ketellappers dieven?’

‘Nou, zo staan ze wel bekend,’ zei Halt. ‘Daarom begreep ik ook nooit waarom die oude zeurpiet Murdal altijd zijn helden liet rondtrekken als pannen reparerende zigeuners. Dat vind ik dus echt een slecht idee.’

‘O,’ zei Will. Meer ideeen kwamen niet meteen in hem op. Hij aarzelde en zei toen: ‘Denken jullie echt dat ik goed genoeg kan spelen?’

‘Nou, d’r is maar een manier om dat uit te vinden,’ zei Crowley. ‘Speel maar eens een deuntje, zou ik zeggen. Je hebt je luit toch bij je?’

‘Het is geen luit,’ begon Will weer. Maar hij gaf het op en greep achter zich naar de koffer waar zijn instrument in zat, boven op het zadel en zijn andere spullen. ‘Laat ook maar,’ mompelde hij.

Hij nam het instrument uit de koffer en trok het plectrum van schildpad tussen de snaren vandaan. Daarna sloeg hij een akkoord aan. Zoals hij al verwacht had was het ding een beetje ontstemd, eerst door het gehots op de rug van het paard, en nu weer door de koele herfstavond… Hij stemde de snaren, probeerde een ander akkoord en knikte tevreden. Daarna sloeg hij opnieuw het akkoord, besloot dat de bovenste snaar een beetje te strak stond en draaide die een fractie losser. Zo was het beter.

‘Nou, spelen dan maar!’ zei Crowley met een uitnodigend gebaar.

Will speelde een a-akkoord en aarzelde. Wat moest hij spelen? Hij probeerde een d, en toen een e-mol, en hoopte dat de klanken hem inspiratie zouden geven.

‘Zijn er ook woorden bij dit liedje soms?’ vroeg Halt gemeen, al klonk hij uiterst beleefd. Will draaide zich naar hem toe. ‘Ik weet even geen liedje,’ zei hij. ‘Ik weet echt niks.’

‘Dat zou vervelend zijn, als je dat midden in een drukke herberg overkwam,’ antwoordde Halt. Will probeerde uit alle macht zich een lied voor de geest te halen.

‘Ken je “Oude Jan Rook” dan misschien?’ vroeg Crowley opgewekt, en Halt keek hem achterdochtig aan.

‘Oude Jan Rook?’ vroeg Will. Dat was immers het liedje waarop hij een parodie had gemaakt, over de haren van Halt. Hij vroeg zich af of Crowley daarvan wist. Het gezicht van de oude Grijze Jager was echter een en al onschuld. Hij knikte Will bemoedigend toe, en schonk geen aandacht aan de boze blikken van zijn oude krijgsmakker.

‘Ja, dat is al heel lang een van mijn favoriete nummers. Toen ik jong was heb ik er vaak op gedanst ook!’

En weer maakte hij dat gebaar, van ‘Speel nou maar!’

Will kon zo snel niets anders bedenken en begon aan de inleidende melodie. Meteen werden zijn vingers weer soepel, en hij kreeg ook meer zelfvertrouwen toen hij die eerste noten produceerde. Hij hoefde alleen maar de oorspronkelijke tekst naar boven te halen, dacht hij, en niet die op Halt sloeg. Hij begon uit volle borst te zingen:

Oude Jan Rook is een brave vent, Hij woont op Blekersberg. Hij heeft nog nooit een bad gekend, En vindt dat heel niet erg! Oude Jan Rook, het ga je goed, Het ga je goed, hoezee! Oude Jan Rook, het ga je goed, Ik zwaai je wel tabee!

Crowley sloeg de maat op zijn knie en zijn grijnzende hoofd ging vrolijk op en neer.

‘Die jongen is best goed!’ zei hij tegen Halt en Will ging door, aangemoedigd door de lof van zijn commandant. Hij speelde de ingewikkelde zestien noten tussen twee coupletten en ging toen verder:

Oude Jan Rook vergokte zijn jas, Net voor de wintertijd. Daarvan had hij geheel geen last, Hij sliep wel bij de geit! Oude Jan Rook, het ga je goed, Het ga je goed, hoezee! Oude Jan Rook, het ga je goed, Ik zwaai je wel tabee!
Вы читаете De Magier van Macindaw
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату