Jij verwarmt ons aller hart, Zonnig meisje. Ik ben zo dol op jou, Zonnig meisje. Jij verdrijft toch alle smart, Zonnig meisje, Waar ik o zo veel van hou!

Toen hij aan het tweede couplet begon zwegen ze allemaal stil, en lieten het zingen aan hem over, totdat ze het refrein weer mee konden brullen. Het was een opgewekt en hartverwarmend liedje — een echte binnenkomer, zoals Berrigan gezegd had.

‘Het is misschien niet het mooiste liedje dat je kent,’ had hij gezegd, ‘maar het is opgewekt en iedereen kent het en daarom is het prima als begin en om het ijs te breken, meteen als je ergens binnenkomt. Denk eraan dat je nooit begint met je mooiste liedje, dat is parels voor de zwijnen. Je moet altijd ergens naartoe kunnen groeien op zo’n avond!’

Terwijl Will voor de laatste keer het refrein begon en de hele kamer inviel, voelde hij een warme golf van blijdschap en plezier door zijn lijf gaan. Die golf groeide en groeide binnen in zijn borst, terwijl het lied langzaam maar zeker ten einde kwam. Alle gasten begonnen luidkeels te klappen en te joelen. Hij moest zichzelf eraan herinneren, niet voor de eerste keer, dat hij eigenlijk alleen maar een rol speelde — dat hij niet echt een speelman was, en dat hij niet alleen maar leefde voor dat enthousiaste warme applaus dat over hem heen spoelde. Maar soms, zoals nu, was het niet gemakkelijk om zich zijn oude leven en zijn huidige doel te herinneren.

Hij speelde nog vier liedjes voor de gasten van de Gebroken Fles. ‘Het oogstfeest’, ‘Sjaan in de bergen’, ‘Weet je nog’, en ‘Het ontsnapte paardje’, een rauw lied met ritme van een paardje in galop, dat alle gasten met hun voeten liet stampen en met hun vuisten op de tafel deed slaan. Terwijl hij de laatste akkoorden speelde keek hij even naar zijn hond, en zei geluidloos tegen het beestje, met overdreven lipbewegingen: ‘Draak!’

Meteen stond de hond op, wierp haar kop in de nek en begon als een gek te blaffen — precies zoals Will het haar in de afgelopen weken geleerd had. Draak was hun wachtwoord, het signaal voor de hond om te gaan blaffen totdat Will haar zei dat ze op moest houden. En dat deed hij nu dus ook.

‘Wat is er dan, Harley, mijn hondje?’ vroeg hij het dier. Niet dat ze zo heette — hij had nog steeds geen naam gevonden die hem aanstond. Harley was ook een code, het signaal dat ze het goed gedaan had en op mocht houden met blaffen. Ze hield meteen op en sloeg met haar staart twee keer op de grond, ten teken dat ze alles begrepen had. Will keek op naar de mensen om hem heen en verontschuldigde zich met een glimlach.

‘Sorry, mensen — mijn baasje hier zegt dat het nu etenstijd is. We hebben een lange koude dag achter de rug, en zij krijgt een tiende deel van mijn verdiensten — en van mijn eten dus ook.’

Iedereen moest daar hartelijk om lachen. Het waren allemaal boeren en buitenlui daar, die heus wel een goed getrainde hond herkenden. En wat ze ook konden waarderen was de manier waarop Will de waard er vriendelijk aan herinnerde dat hij iets te eten zou krijgen.

Nou, daar hoefde hij niet lang meer op te wachten. Een van de diensters kwam al aangehold met een groot dampend bord lamsstoofschotel. Zonder een woord zette ze ook een bak met restjes vlees, botten en jus onder de tafel voor de hond. Will bedankte haar met een glimlach, en de waard achter de tapkast met een knikje van zijn hoofd. De man, druk met het bijschenken van de bekers van de dorstige meezingers, grijnsde hem opgewekt toe.

‘Hoe zit het met je paard, jongen?’ riep hij tussen het tappen door en Will antwoordde met zijn mond vol: ‘Ik was al zo vrij om mijn paarden in je stal te zetten, waard. Buiten is het te koud vannacht!’ De waard knikte dat hij daar geen probleem mee had en Will at met smaak verder. Het lamsvlees was heerlijk.

De wagenmenner, die toen Will net binnenkwam zo onvriendelijk had geleken, baande zich nu een weg naar zijn tafeltje. Will merkte op dat de man zijn privacy respecteerde en niet gewoon ging zitten. Hij had al eerder gemerkt dat speelmannen in dit soort gelegenheden best respect kregen. De wagenmenner zette een volle kan gloeiwijn voor Will neer.

‘Dat was goede muziek, jongen,’ zei hij, ‘En deze is voor jou.’

Will, zijn mond weer vol eten, knikte dankbaar. Ook een paar andere gasten kwamen nu om zijn tafel staan, en gooiden wat muntjes in de open mandola-koffer die daar stond. Hij zag dat er naast koper ook wat zilveren muntjes bij waren, en voelde zich weer trots worden.

‘Jij kunt verdikkemes goed spelen op die luit van je, jongeman!’ merkte een van hen bewonderend op.

‘Het is een mandola, hoor!’ antwoordde Will automatisch, ‘met acht snaren in plaats van…’ Maar hij liet zichzelf niet verder spreken. ‘Dankjewel,’ zei hij gewoon, en iedereen lachte even vriendelijk.

Toen hij klaar was gaf hij stiekem weer een teken aan de hond, die prompt weer begon te blaffen.

‘Wat zei je, Harley?’ vroeg hij, en de hond zweeg onmiddellijk. ‘O, het wordt weer tijd voor wat vertier, voor al die vriendelijke mensen hier, he?’ Hij keek de mensen om hem heen vrolijk aan. ‘Ze is een echte slavendrijver, dat beest!’

Hij greep weer naar de mandola en ging verder met zijn optreden, dat nog ruim een uur duurde. Hij zong liefdesliedjes, dansliedjes, rare liedjes. Een liedje vond hij zelf altijd heerlijk om te spelen, ‘Mijn lief haar groene ogen’. Het was een meeslepend en een beetje verdrietig lied, en het ging heel goed die avond, al ergerde hij zich eraan dat hij ergens in het midden een foute snaar aansloeg. Toen het klaar was zag hij her en der mensen in hun ooghoeken wrijven, en hij voelde die bijzondere genoegdoening die alleen artiesten kennen, als ze echt de harten van hun toehoorders hebben weten te raken. Terwijl hij speelde bleven de muntjes in zijn koffer vallen. Verbaasd besefte hij dat hij nog steeds geen gebruik had hoeven te maken van het reisgeld dat Crowley hem had meegegeven. Hij verdiende zelf de kost, en hield nog wat over ook!

De waard, die de tap aan een van zijn diensters had overgelaten en dichter bij Will was komen zitten, keek naar de waterklok op de schouw die langzaam leeg drupte.

‘Misschien nog een liedje?’ stelde hij voor.

Dat deed Will graag. Van binnen voelde hij de spanning stijgen. Dit was het moment waar hij de hele avond naar toegewerkt had — de kans om de mensen zover te krijgen dat ze begonnen te praten over de vreemde gebeurtenissen in het leen Noordam. Hiervoor had hij zich de rol van speelman aangemeten. Zoals Berrigan het verwoord had: mensen op het platteland zijn van nature achterdochtig tegenover vreemdelingen. Maar als je een uurtje liedjes voor en met hen zingt, dan hebben ze het idee dat ze je al hun hele leven kennen.

Will sloeg een akkoord in mineur aan en begon een bekend nonsensliedje te zingen:

Een dronken heks had een wilde droom, Aan de oever van de Sliponderstroom. Vals als een kat zong zij haar lied, Over een schele tovenaar en liefdesverdriet.

Will voelde de sfeer in het vertrek veranderen zodra hij deze regels gezongen had. De mensen keken elkaar geschrokken aan. Sommigen keken ineens naar de vloer, anderen liepen weg uit het kluitje mensen om hem heen. Hij begon aan het refrein:

Die tovenaar dat was Schele Jens, Hij stonk uit zijn bek en had een dikke pens, Een kokkerd van een…

Will hield halverwege de zin op, alsof hij nu pas merkte dat zijn publiek zich ongemakkelijk voelde. ‘O, neem

Вы читаете De Magier van Macindaw
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату