me niet kwalijk,’ zei hij geschrokken maar met een glimlach, ‘is er iets? Heb ik iets verkeerds gezegd of gedaan?’

Weer werden er ongeruste blikken uitgewisseld. Dezelfde mensen die net nog stonden te lachen en te klappen durfden hem nu niet aan te kijken. De grote wagenmenner voelde zich duidelijk ook niet op zijn gemak en zei verontschuldigend: ‘Dit is niet het moment of de plaats om grapjes te maken over tovenaars, jochie.’

‘Maar dat kon jij niet weten, natuurlijk,’ voegde de waard daaraan toe, en er klonk een instemmend gemompel.

Will maakte zijn glimlach nog stralender, en probeerde zo onnozel mogelijk uit zijn ogen te kijken. ‘Wat kon ik niet weten?’

Het bleef even stil, maar toen stak de wagenmenner van wal. ‘Er gebeuren rare dingen in het leen, de laatste dagen, dat is het,’ zei hij.

‘En nachten,’ voegde een vrouw eraan toe, en weer was er algemene instemming.

Will, die hoe langer hoe meer ontzag kreeg voor het begrip en inzicht van Berrigan, keek haar met onnozele, vragende ogen aan. ‘Bedoelen jullie… toverdingen?’ vroeg hij met gedempte stem.

Even was het doodstil in de gelagkamer, terwijl de mensen angstig achter zich keken en naar de voordeur, alsof ze verwachtten dat daar elk moment een zwarte magier naar binnen zou komen stormen. Uiteindelijk gaf de waard namens alle aanwezigen antwoord.

‘Het is niet aan ons om te zeggen wat en hoe. Maar in elk geval gebeuren er rare dingen. We zien vreemde verschijnselen.’

‘En vooral in het Grimsdalwoud,’ zei een lange boer en weer werd er instemmend gemompeld. ‘Rare dingen en rare geluiden — heel akelige geluiden zijn het ook nog. Je krijgt het er koud van. Ik heb het zelf een keer meegemaakt, maar dat was een keer te veel, wat mij betreft.’

Het leek alsof de mensen, zodra eenmaal hun eerste aarzelingen overwonnen waren, best over die rare dingen en gebeurtenissen wilden praten, alsof ze ze toch wel spannend en interessant vonden.

‘Wat voor verschijnselen zien jullie dan?’ vroeg Will verder.

‘Nou, vooral lichten en lichtjes. Kleine bolletjes licht die tussen de bomen voorbijdrijven. En donkere gestalten — van het soort dat je alleen uit een ooghoek ziet, en nooit als je er recht naartoe kijkt. Dan zie je niets.’

Een houtblok in de haard viel om en Will voelde zijn nekhaar langzaam recht overeind komen. Al dat gepraat over donkere gestalten en lichtjes in het bos begon hem toch aan te grijpen. Tweehonderd kilometer naar het zuiden kon hij er nog grapjes over maken, met Halt en Crowley. Maar hier, op zo’n donkere nacht in het koude besneeuwde land aan de noordelijke grens, daar leek het allemaal heel eng en echt.

‘En dan is er de Donkere Ridder nog,’ zei de wagenmenner.

Daarop werd het echt stil in de herberg. Meer dan een aanwezige maakte een gebaar om de duivel af te weren. De wagenmenner keek de kring rond en liep rood aan.

‘Echt waar, geloof me, ik heb hem met m’n eigen ogen gezien. Heel kort — maar hij was er echt.’

‘En wat is dat dan, die ridder?’ vroeg Will.

‘Dat weet dus niemand precies. Maar ik weet zeker dat ik hem gezien heb. Hij is heel groot. Een krijgsman in harnas, wel twee huizen groot. En je kunt dwars door hem heen kijken. Even is hij er, en dan is hij weer verdwenen, voor je hem goed en wel in de gaten hebt. Maar ik weet het zeker — ik heb hem gezien met mijn eigen ogen.’ Hij keek de kamer weer rond, alsof hij de anderen uitdaagde om te zeggen dat hij zich vergist moest hebben.

‘Genoeg daarover, Barend,’ zei de waard. ‘Er zijn hier mensen die nog een heel eind moeten lopen voor ze thuis zijn. Dan kunnen we het maar beter over andere dingen hebben, als je het goed vindt.’

Uit het instemmende gemompel dat nu opsteeg trok Will de conclusie dat er vandaag verder niet over gesproken zou worden. Hij sloeg nog een akkoord aan op zijn instrument.

‘Nou, dan begrijp ik wel dat het nu het moment niet is om over tovenaars te zingen, zelfs al zijn ze scheel. Misschien dan nog een laatste liedje over een dronken koning en een manke draak?’

De hond begon te blaffen, en iedereen was meteen weer wat minder bedrukt.

‘Wat jij, Harley? Ben je het er mee eens? Nou, dan moesten we dat maar doen.’ En hij begon meteen te zingen.

Er was eens een koning in Angelbeet, Die de kaarsen uitblies met een vette scheet. Dus iedereen keek op toen men hem op een dag Tegen de Manke Draak het zwaard nemen zag. Die manke draak met zijn lompe poten Placht in het bos de bomen om te stoten. En als hij moest niezen dan spoot hij vuur, En dat werd de dikke koning te veel op den duur.

De gelagkamer vulde zich weer met gelach en de duistere stemming verdween als sneeuw voor de zon, terwijl Will het trieste leven bezong van de manke draak en de koning die last had van zijn ingewanden. En elke keer als hij het woord ‘draak’ zong, begon de hond enthousiast te blaffen, waardoor de mensen steeds harder gingen lachen.

In het kasteel van Araluen moest hij daar niet mee aankomen, dacht Will. Maar hier, in de Gebroken Fles, werkte het lied bijzonder goed.

HOOFDSTUK 15

Even voor zonsopgang ging de wind liggen, alsof hij wist dat hij zijn plicht gedaan had door ’s nachts alle wolken de hemel uit te blazen. De dageraad was koud en helder. Toen Will wakker werd in de kleine kamer die de waard hem gewezen had, schitterde de sneeuw buiten onder de zonnestralen. Ook de gelagkamer straalde in het ochtendlicht. Will zei de herbergier, die hem een kop hete koffie bracht, opgewekt goedemorgen. Het keukenmeisje had al een ontbijt voor hem neergezet van toast met koude plakken ham, maar zoals gewoonlijk werd hij pas door die koffie echt wakker.

Blijkbaar leed de waard aan dezelfde kwaal. Hij schonk zichzelf ook een mok vol en kwam tegenover Will zitten. Na een flinke slok zuchtte hij tevreden. ‘Dat was een leuke avond gisteren, wat jij?’ stelde hij vast.

Will knikte. ‘Voor ons allebei geloof ik,’ antwoordde hij.

De waard wachtte of Will nog meer zou zeggen, maar kwam al gauw tot de conclusie dat hij het was die het gesprek gaande zou moeten houden. Hij stak zijn hand uit over de tafel. ‘Ik heet Kollum Gelderris, trouwens. We hebben ons gisteren helemaal niet voorgesteld.’

Will schudde de uitgestoken hand. ‘Will Barton,’ zei hij.

De waard knikte een paar maal, alsof hij die naam al kende. ‘Ja, het was een mooie avond,’ zei hij toen weer. Will dronk van zijn koffie en zei niets. Na een tijdje begon de waard weer. Blijkbaar moest hij iets kwijt.

‘En vanavond wordt het nog beter. Het is het eind van de week, en dan komen er meestal wat meer mensen. En zeker als ze horen dat er een speelman in het dorp is.’ Hij keek Will aan van boven zijn dampende koffie. ‘Je blijft toch nog wel een nachtje, hoop ik?’

Will had die vraag al verwacht. Zelfs al wilde hij zo snel mogelijk verder gaan naar kasteel Macindaw, hij wist dat het verstandiger was nog minstens een nacht hier te blijven. Het was goed verdienen hier, dat had hij gisterenavond wel gemerkt. Als Gelderris het bij het rechte eind had — en waarom zou dat niet zo zijn? — dan zou vanavond nog meer opbrengen. En misschien zouden de mensen het verdacht vinden als hij een fikse omzet liet liggen, dacht hij. Maar voor de vorm moest hij natuurlijk eerst even tegenspartelen.

‘Ach, ik weet het eigenlijk nog niet,’ zei Will. ‘Ik zou ook verder kunnen reizen.’

Вы читаете De Magier van Macindaw
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату