Will kwam er nu helemaal in en speelde enthousiast weer dat moeilijke tussenstukje, nu zelfs met een verfraaiing die hij zelf verzonnen had. Hij maakte een klein foutje, maar wist daar knap overheen te spelen. Daar kwam het derde couplet:
Plotseling hield hij op, beseffend wat hij zojuist gezongen had. Uit gewoonte, en helemaal onder de indruk van en afgeleid door zijn fantastische spel, had hij zowaar de parodie gezongen. Crowley luisterde geinteresseerd, zijn hoofd helemaal schuin.
‘Wat een interessante tekst,’ zei hij. ‘Ik geloof niet dat ik die versie al ken!’ Hij bedekte zijn mond met zijn rechterhand, terwijl hij schokschouderde van het lachen.
‘Leuk hoor, erg leuk, Crowley!’ zei Halt op vermoeide toon terwijl zijn commandant achter zijn hand vreemde snikgeluiden produceerde. Crowley kromp helemaal in elkaar en zijn schouders bleven heen en weer schokken. Will keek Halt geschrokken aan.
‘Halt… Sorry… Ik wou helemaal niet…’
Crowley kon zich niet meer inhouden en kreeg de slappe lach nu. Will maakte een hulpeloos gebaar van ‘Ik kan er niets aan doen…’ De oude Jager haalde verongelijkt de schouders op en keek woedend naar Crowley. Hij boog zich naar opzij en plantte een scherpe elleboog hard in de zijde van zijn vriend.
‘Zo leuk is het nou ook weer niet!’ blafte hij.
Crowley greep naar adem snakkend naar zijn pijnlijke ribbenkast en wees naar Halt. ‘Jawel! Dat is het wel!’ En tegen Will: ‘Zijn er nog meer coupletten?’
Halt keek boos naar Crowley en Will aarzelde. Zelfs al was hij een volleerde Grijze Jager en droeg hij het zilveren eikenblad — en was Halt dus in theorie niet zijn meerdere — begreep hij toch dat hij beter op kon houden. Het zou erg onverstandig zijn om nu olie op het vuur te gooien.
‘Ik denk dat we genoeg gehoord hebben van dat zogenaamd grappige lied om een gefundeerd oordeel uit te kunnen spreken,’ zei Halt met een ernstig gezicht. Hij keek in de richting van de drie kleine tenten die zij hadden opgezet en riep ietsje harder: ‘Wat jij, Berrigan?’
Er klonk geritsel achter die tenten, en daar stond een grote gestalte moeizaam op en kwam in hun richting gestrompeld. De hond achter Will kwam dreigend overeind, een zacht gegrom klonk uit haar keel. Maar de man maakte een simpel gebaar in haar richting, en de hond liet zich weer door de knieen zakken.
Zelfs voor hij de zessnarige gitaar zag die de man in een hand vasthield had Will de manke loop van de man herkend. Hij had Berrigan vaker gezien, onder andere tijdens de jaarlijkse Bijeenkomsten van de Grijze Jagers, waar hij wel eens optrad. Vroeger had hij zelf ook het eikenblad mogen dragen, maar hij had het korps vaarwel moeten zeggen toen hij zijn linkerbeen had verloren tijdens een gevecht met plunderende Skandiers. Sindsdien had hij als minstreel en speelman de kost verdiend, en hij bleek een groot talent als muzikant en als zanger.
Will vermoedde nu dat hij van tijd tot tijd dus ook als spion had gewerkt voor het korps.
Hij besefte dat de man waarschijnlijk al die tijd daar gelegen had om een onafhankelijk oordeel over zijn muzikale talenten te leveren. Berrigan glimlachte naar Will, terwijl hij zich voorzichtig naast het vuur op de grond liet zakken. Zijn houten been, dat nu recht vooruitstak, maakte dat niet eenvoudig.
‘Goedenavond, Will,’ zei hij vriendelijk. Hij knikte naar de mandola, die nu op Wills schoot lag. ‘Niet slecht, wat je daar speelt. Helemaal niet slecht!’
Hij had een mager gezicht met hoge jukbenen en een grote haakneus. Maar het opvallendst waren zijn helderblauwe ogen en zijn vriendelijke lach. Hij had lang bruin haar, zoals een artiest betaamt, en hij droeg de typische kledij van de speelman — een vreemd patroon van felle kleuren dat pijn deed aan je ogen als hij zich bewoog. Will wist dat elke speelman zo zijn eigen kleuren droeg. Het viel hem nu op dat het patroon van Berrigans mantel eigenlijk wel wat leek op dat van een Jagersmantel — alleen met heel andere kleuren natuurlijk dan de onopvallende grijzen, bruinen en groenen van hun uniform.
‘Berrigan — wat leuk om jou ook weer eens te zien,’ zei Will. En zich tot Crowley wendend, alsof hij ineens aan iets anders dacht: ‘Crowley, zou het niet veel beter zijn als Berrigan die opdracht kreeg? Hij is per slot al een beroepsminstreel, en iedereen weet dat hij af en toe klusjes doet voor de Grijze Jagers.’
De drie anderen wisselden een veelbetekenende blik uit. ‘O, weet iedereen dat…? Echt waar?’
Will haalde zijn schouders op. ‘Nou ja, we weten het niet echt… Maar het is toch waar, of niet soms?’
Er viel even een pijnlijke stilte. Het was Berrigan die de gespannen situatie oploste door met een luie grijns toe te geven. ‘Je hebt gelijk, Will. Als ze me vragen dan ben ik nog steeds graag bereid het korps een handje te helpen. Maar voor deze klus kom ik iets te kort. Zo’n dertig centimeter, zou ik zeggen.’
‘Maar je bent groter dan ik…’ begon Will en begreep toen dat Berrigan figuurlijk sprak. De man keek veelbetekenend naar zijn houten poot, die recht voor hem uitstak. Verlegen zei Will: ‘O, je bedoelt je…’ Hij kon het niet over zijn lippen krijgen. Dat klonk zo… Maar Berrigans glimlach werd alleen maar breder.
‘Mijn houten poot ja, die bedoel ik. Trek het je niet aan, Will. Ik ben er al lang aan gewend. Je hoeft niet net te doen alsof er niets aan de hand is. Naar wat Crowley me verteld heeft over deze opdracht moeten we er iemand voor inzetten die aanzienlijk sneller ter been is dan ik ooit nog zal zijn. Helaas, maar het is niet anders.’
Crowley schraapte zijn keel eens flink, hij was blij dat dat pijnlijke moment in elk geval achter de rug was. ‘Maar wat Berrigan wel kan, is ons vertellen of Will hier ermee door kan als speelman. Wat denk je, kerel? Zal het hem lukken?’
Berrigan hield zijn hoofd scheef, deed alsof hij diep nadacht en zei toen: ‘Nou, als liedjeszanger is hij goed genoeg. Hij heeft een prettige zangstem, en hij speelt zijn mandola meer dan goed. In elk geval goed genoeg voor de afgelegen huizen en herbergen waar jullie hem heen willen sturen, want daar zijn ze niet veel gewend. Ik heb zo mijn twijfels als hij in Araluen aan het hof zou willen optreden!’ Hij lachte naar Will, om te laten zien dat hij hem alleen maar plaagde. Will grijnsde terug. Hij was best trots op het oordeel van de man. Maar Berrigan ging verder.
‘Wat hem zal verraden is dat hij nog niet kan improviseren. Daar zie je het altijd meteen aan, dat iemand een amateur is.’
Crowley fronste de wenkbrauwen. ‘Wat bedoel je? Je zei toch dat hij goed genoeg was, als muzikant en zanger? Wat mist hij dan?’
Berrigan gaf geen direct antwoord op die vraag maar wendde zich tot Will: ‘Speel eens een ander liedje, Will. Wat je maar wil. Maar wel snel!’ zei hij.
Will pakte zijn mandola en… Er kwam weer niets. Hij wist niet wat hij moest spelen. Berrigan maakte een gebaar van ‘zie je wel!’ ‘Kijk, dat bedoel ik,’ zei hij. ‘Een amateur slaat altijd dicht als hem gevraagd wordt om zijn kunstjes te vertonen.’ Hij wendde zich weer naar Will. ‘Ken je misschien “Sjaan uit het veen”? Of “Het Spinnewiel”? “Daar bij die molen”, of “Aan de oever van de beek”?’
Hij noemde de titels snel na elkaar, en bij elk liedje knikte Will met een zuur gezicht dat hij het wel degelijk kende.
Berrigan glimlachte en haalde zijn schouders op. ‘Kijk, hij had elk van die liedjes dus kunnen spelen, toen ik het hem vroeg. Maar het liedje kennen is dus niet genoeg. Je moet ze steeds bij de hand hebben ook, en ze niet vergeten zodra iemand erom vraagt. Maar daar kunnen we wel op oefenen.’
Will keek naar Halt. Zijn oude leraar knikte in de richting van de speelman. ‘Berrigan zal een eind met je meereizen, en je in de tussentijd ook trainen,’ zei hij.
Will lachte blij naar de man. Dat stelde hem wel gerust — in elk geval werd hij niet meteen in het diepe
