‘En wat deed hij naderhand… na uw terugkeer?’
‘Hij kroop voor mij in het stof en zwoer de Leer van Pain nooit meer te zullen gebruiken. Hij kuste mij de hand, maar hij zou me gedood hebben, als hij gedurfd had. Hij verliet Havnor en trok naar het westen, misschien naar Pain; jaren later vernam ik dat hij gestorven was. Toen ik hem leerde kennen, was zijn haar wit, maar hij had lange armen en was behendig als een worstelaar. Wat bracht me er toch toe over hem te spreken?
Ik kan me niet eens zijn naam herinneren.’
‘Zijn ware naam?’
‘Nee. Die kan ik me wel herinneren…’ Toen stokte hij en drie hartkloppen lang heerste er een volkomen stilte. ‘In Havnor noemden ze hem Kobbe,’ zei hij en zijn stem klonk nu heel anders, behoedzaam. Het was te donker geworden om de uitdrukking op zijn gelaat te kunnen zien. Arren zag hoe hij zich omkeerde en naar de gele ster keek die nu hoog boven de golven stond en er een grillig gouden spoor over trok, dun als de weefdraad van een spin. Na een lange stilte zei hij: ‘Het is niet enkel in dromen, zie je, dat wat nog worden moet, zich ons toont in wat we lang vergeten waren, en dat wat wij zeggen zinloos lijkt, omdat we de zin ervan niet willen inzien.’
Lorbanery
Uit een verte van tien mijl zonovergoten water was Lorbanery groen, groen als het frisse mos langs de oevers van een bron. Op kortere afstand deelde het zich op in bladeren en stammen, schaduwen en wegen en huizen, gezichten en kleding van mensen, stof en alles wat tezamen een door mensen bewoond eiland vormt. Toch bleef het geheel dan nog altijd groen: want iedere bunder waarop geen huizen stonden of wegen liepen, was prijsgegeven aan de lage rondgetopte hurbah-bomen waarvan de bladeren kleine wormen tot voedsel dienen; en die wormen spinnen zijde die door mannen en vrouwen en kinderen van Lorbanery tot draad en stoffen wordt verwerkt. In de avondschemer is de lucht vol kleine, grauwe vleermuizen die jacht maken op de kleine wormen. Ze eten er heel wat van op, maar men laat ze begaan en de zijdewevers doden ze niet, maar beschouwen integendeel het doden van die grauw-gevleugelde vleermuizen als een teken van groot onheil. Als immers menselijke wezens van die wormen leven, zeggen ze, hebben kleine vleermuizen er zeker het recht toe.
De huizen zagen er merkwaardig uit met kleine lukraak geplaatste ramen en daken van hurbah-takken die van top tot teen begroeid waren met groen mos. Ooit was het een welvarend eiland geweest, althans voor een eiland in de Ruimen, en dat was nog steeds te zien aan de fraai beschilderde en fraai ingerichte huizen, aan de grote spinrokkens en weefgetouwen in de hutten en werkplaatsen en aan de stenen pieren in het haventje van Sosara waar heel wat koopvaarders voor anker konden liggen. Er lagen echter nu geen schepen in de haven. De verf op de huizen was verbleekt, nieuwe meubels waren niet te zien en de meeste spinrokkens en weefgetouwen lagen stil, met stof overdekt en met spinnewebben van haspel tot haspel en van scheerraam naar lade.
‘Tovenaars?’ zei de burgemeester van het dorp Sosara, een kleine man met een gezicht even bruin en hard als de zolen van zijn naakte voeten. ‘Er zijn geen tovenaars op Lorbanery. Nooit geweest ook.’
‘Wie had dat kunnen denken,’ zei Sperwer vol verbazing. Hij zat te praten met acht of negen dorpelingen en dronk wijn van de hurbah-bes, een dun en bitter drankje. Hij had ze voorzichtigheidshalve verteld dat hij in het Zuidruim op zoek was naar emmelsteen, maar hijzelf noch zijn metgezel waren in vermomming, behalve dat Arren zoals meestal zijn zwaard goed verborgen in de boot had achtergelaten en dat, als Sperwer een staf bij zich had, er in ieder geval niets van te zien was. De dorpelingen hadden hen met argwaan en vijandigheid ontvangen en waren geneigd op ieder moment weer tot argwaan en vijandigheid terug te keren; het waren enkel Sperwers tact en persoonlijkheid die hen een stugge welwillendheid hadden afgedwongen. ‘Jullie mensen moeten dan wonder wat van bomen weten,’ zei hij nu. ‘Wat doen jullie bij een late nachtvorst in de boomgaard?’
‘Niks,’ zei een tanige man aan het eind van de rij dorpelingen. Ze zaten allemaal naast elkaar met de rug tegen de muur van de herberg, recht onder de dakgoot. Vlak voor hun naakte voeten ruiste de milde, zachte regen van april neer op de aarde. ‘Regen, dat is erg, vorst niet,’ zei de burgemeester. ‘Dan gaan de cocons rotten. Niemand kan regen beletten neer te vallen. Is ook nooit gelukt.’ Op het punt van tovenaars en toverij was hij nogal prikkelbaar; van de overigen schenen sommigen er wel oren naar te hebben.
‘Nooit regen geweest in deze tijd van het jaar,’ zei een van hen. ‘Toen die ouwe kerel nog leefde.’
‘Wie? De ouwe Mildi? Nou, die leeft niet meer. Die is dood,’ zei de burgemeester.
‘Noemden hem de Gaardenier,’ zei de tanige man. ‘Tja. De Gaardenier,’ beaamde een ander. De stilte daalde neer als de regen.
Arren zat binnen bij het raam van het enige vertrek van de herberg. Hij had aan de wand een oude luit zien hangen, een luit met lange hals en drie snaren zoals ze die op het eiland Silk bespelen, en nu speelde hij erop, probeerde tastend er muziek aan te ontlokken, niet veel luider dan het ruisen van de regen op het dak.
‘Op de markt in Hort,’ zei Sperwer, ‘heb ik ze stoffen als zijde uit Lorbanery zien verkopen. Soms was het inderdaad zijde. Maar zijde uit Lorbanery was er niet bij.’
‘Hebben een slecht seizoen gehad,’ zei de tanige man. ‘Nu al zo’n jaar of vier, vijf.’
‘Vijf jaar nou sinds Vegeravond,’ zei een oude man met een zelfgenoegzame mummelstem, ‘sinds de dood van die ouwe Mildi, ja, dood ging-ie, en nog geeneens zo oud als ik nu. Dood ging-ie, op Vegeravond.’
‘Schaarste is goed voor de prijzen,’ zei de burgemeester. ‘Voor een rol tweede keus geblauwde krijgen we nu even veel als vroeger voor drie.’
‘Als we er wat voor krijgen. Waar blijven de schepen? En het blauwsel deugt niet,’ zei de tanige man en gaf daarmee het sein tot een discussie van een half uur over de kwaliteit van de kleursels die ze in de grote werkplaatsen gebruikten. ‘Wie maakt de kleursels?’ vroeg Sperwer en opnieuw barstte er een heftig debat los. Het kwam erop neer dat het kleuren der stoffen geheel in handen was geweest van een familie die zichzelf inderdaad ‘wijzen’ noemden; maar als ze ooit wijzen geweest waren, dan waren zij hun wijsheid nu kwijtgeraakt, en niemand had die tot op heden teruggevonden, zoals de tanige man bitter opmerkte. Behalve de burgemeester waren ze het er immers allemaal over eens dat de befaamde blauwsels van Lorbanery en het onnavolgbare karmozijn, het ‘drakenvuur’ dat lang geleden in Havnor door vorstinnen werd gedragen, niet meer waren wat ze eens geweest waren. Er was iets mis mee gegaan. Dat kon liggen aan de ongekende regens, aan de grondstof voor de kleursels of aan de mengers. ‘Of aan de ogen,’ zei de tanige man, ‘van lieden die echter azuursteen niet van blauwe modder kunnen onderscheiden.’ En hierbij keek hij schuins naar de burgemeester, maar de burgemeester trok de schoen niet aan en iedereen hield weer zijn mond dicht. De dunne wijn scheen hun stemming alleen maar nog meer te verzuren en iedereen zat somber voor zich uit te kijken.
Er was nu niets anders te horen dan het ruisen van de regen op de ontelbare bladeren in de boomgaarden van de vallei, het fluisteren van de zee daar beneden aan het einde van de straat, en het murmelen van de luit in de duisternis binnen de herberg. ‘Kan hij zingen, die sprieterige jongen van je?’ vroeg de burgemeester.
‘Nou en of hij kan zingen. Arren, zing eens wat voor ons, jongen.’
‘Ik kan die luit er niet toe bewegen anders dan in mineur te spelen,’ zei Arren glimlachend door het venster. ‘Ze wil enkel klagen. Wat zouden mijn gastheren graag willen horen?’
‘Iets dat we niet kennen,’ gromde de burgemeester. De luit twinkelde zachtjes; Arren had de grepen al gevonden.
‘Dit zullen ze hier wel niet kennen,’ zei hij. Toen begon hij te zingen.
