nimmer, nimmer.

Alles bleef stil: de harde en sluwe gezichten, de afgetobde handen en lichamen. Stil zaten zij in de warme, vochtige schemer van het zuiden en luisterden naar dat lied, de kreet van de grijze zwaan in de kille wateren van Ea, weeklagend om haar verlies. Toen het lied uit was bleef het nog geruime tijd stil. ‘Wat een vreemde muziek,’ zei er een onzeker. Een ander zag zich opnieuw gestijfd in de mening dat Lorbanery de spil was waar alle tijd en ruimte omheen draaiden, en zei: ‘Muziek uit den vreemde is altijd vreemd en somber.’

‘Laat ons dan eens wat van jullie horen,’ zei Sperwer. ‘Ik voel wel wat voor een vrolijk deuntje. Die jongen zingt altijd maar van ouwe dooie helden.’

‘Vooruit dan,’ zei de laatste spreker; hij bromde even en hief een lied aan over een lustig, rustig vat vol wijn en ram plan, daar gaat-ie dan, maar niemand zong het refrein met hem mee en bij het ram plan was de lol eraf.

‘Fatsoenlijk zingen is er niet meer bij,’ zei hij nijdig. ‘Alles de schuld van het jongvolk, altijd maar zeuren en zaniken dat alles anders moet, en geen zin meer in de oude liederen.’

‘Dat is het niet,’ zei de tanige man. ‘Er is helemaal niks meer fatsoenlijk. Alles gaat tegenwoordig verkeerd.’

‘Sja, sja, sja,’ fezelde de oudste. ‘De kans is gekeerd. Dat is het. De kans is gekeerd.’

Daar viel niet veel op te zeggen. De dorpelingen vertrokken in groepjes van twee of drie en tenslotte bleef buiten alleen nog Sperwer over en binnen Arren. Pas toen begon Sperwer te lachen. Maar het was geen blijde lach. De vrouw van de herbergier kwam schuw binnen, spreidde hen een bed op de vloer en verdween; ze gingen liggen en probeerden te slapen. Maar in de balken van de zoldering van het vertrek hadden zich vleermuizen genesteld. De hele nacht vlogen zij schril piepend in en uit door het open raam. Pas tegen de ochtend keerden ze allemaal terug en hielden zich koest nadat ieder zichzelf tot een keurig klein grijs pakje had samengevouwen dat ondersteboven aan een balk ging hangen. Wellicht was het de ongedurigheid van de vleermuizen die Arren onrustig deed slapen. Het was nu al vele nachten geleden dat hij voor het laatst aan de vaste wal had geslapen; zijn lichaam was de rust van de aarde niet meer gewend en bleef als hij in slaap viel, hardnekkig volhouden dat hij op en neer deinde, op en neer… en dan viel de wereld onder hem weg en werd hij met een schok wakker. Toen hij uiteindelijk dan echt insliep, droomde hij dat hij in het ruim van een slavenjager lag vastgeketend; er waren ook nog anderen, net als hij geketend, maar ze waren allemaal dood. Verschillende keren ontwaakte hij uit deze droom en probeerde hem dan van zich af te zetten, maar telkens als hij weer insliep, keerde hij er meteen weer in terug. Tenslotte leek het hem dat hij helemaal alleen op het schip was, maar nog steeds geboeid en niet in staat zich te bewegen. Toen klonk er een vreemde ijzige stem in zijn oren: ‘Slaak je boeien,’ zei de stem. ‘Slaak je boeien.’ Hij probeerde zich te bewegen en het lukte: hij stond op. Hij bevond zich op een wijdse, nevelige vlakte onder een loodgrijze hemel. Er hing afgrijzen over het land en in de lome lucht, een vloedgolf van afgrijzen. Deze plaats was verschrikking, de verschrikking zelf; en hij stond daar en er waren geen paden. Hij moest de weg vinden, maar er waren geen paden en hij was klein, als een kind, als een mier, en die vlakte zo uitgestrekt, eindeloos. Hij probeerde te lopen, struikelde en werd wakker. Nu hij wakker lag, was de verschrikking binnenin hem en niet meer om hem heen; toch was zij niet minder groot en eindeloos. Hij kreeg het benauwd in de zwarte duisternis van het vertrek en zocht in het vage vierkant van het venster naar sterren, maar hoewel het was opgehouden met regenen, waren er geen sterren te zien. Hij lag wakker en was bang, en de vleermuizen vlogen in en uit op geruisloze leren vlerken. Soms hoorde hij in het grensland van zijn gehoor hun dunne stemmen.

Een stralende morgen brak aan en zij stonden al vroeg op. Sperwer deed ijverig navraag naar emmelsteen. Maar hoewel geen van de dorpelingen wist wat emmelsteen eigenlijk was, hadden zij er toch allemaal een mening over en ontstonden er heftige discussies. En Sperwer luisterde met aandacht, hoewel met aandacht voor ander nieuws dan over emmelsteen. Tenslotte gingen hij en Arren een weg op die de burgemeester hen had gewezen en die naar de groeven voerde waar de blauwe aarde voor de kleursels werd gedolven. Maar na een tijdje verliet Sperwer de weg.

‘Dat moet het huis zijn,’ zei hij. ‘Ze beweerden dat aan deze weg die familie van ververs en miskende magiers woonde.’

‘Heeft het zin met hen te spreken?’ vroeg Arren die zich Haas nog maar wat goed herinnerde.

‘Ergens is er een haard van dit onheil,’ zei de tovenaar kortaf. ‘Ergens is er een plek waar het geluk wegvloeit. Ik heb een gids nodig om me de weg te wijzen.’ En hij liep door en Arren moest hem wel volgen.

Het huis stond een weinig opzij te midden van eigen boomgaarden; het was een fraai stenen gebouw, maar er was, evenals aan de grond er rondom, in geen tijden meer iets aan gedaan. Tussen de verwilderde takken hingen verkleurde cocons van niet ingezamelde zijdewormen en op de grond onder de bomen lag een dik knisterend tapijt van dode larven en vlinders. Overal rond het huis en tussen de dicht opeenstaande bomen hing een geur van verval, en terwijl ze dichterbij kwamen, moest Arren plotseling denken aan de verschrikking die hem de afgelopen nacht had overvallen.

Voor ze bij de deur kwamen, vloog deze reeds open. Naar buiten stormde een grijsharige vrouw met vlammende roodomrande ogen die hen toeschreeuwde: ‘Weg, vloek over jullie, dieven, landlopers, leeghoofden, leugenaars en doortrapte domhoofden. Scheer je weg, weg, vooruit. De kwade kans ruste voor altijd op jullie.’

Sperwer bleef staan, keek ietwat verbaasd en hief toen snel de hand op in een merkwaardig gebaar. Hij zei een enkel woord: ‘Laat af.’

Daarop staakte de vrouw haar geschreeuw en staarde hem aan. ‘Waarom deed je dat?’

‘Om de vloek af te wenden.’ De vrouw bleef hem strak aankijken en zei ten slotte kortaf:

‘Vreemdelingen?’

‘Uit het noorden.’ Zij liep op hen toe. Aanvankelijk had Arren de neiging gehad haar uit te lachen, een oude vrouw die daar op de drempel stond te krijsen, maar nu zij dichterbij was, schaamde hij zich alleen maar. Ze was smerig en slecht gekleed, haar adem stonk en uit haar ogen sprak een verschrikkelijk leed. ‘Ik heb geen macht om te vervloeken,’ zei ze. ‘Geen macht.’ Zij herhaalde Sperwers gebaar. ‘Doen ze dat nog steeds waar jullie vandaan komen?’

Sperwer knikte. Hij keek haar strak aan en zij beantwoordde zijn blik. Toen ging er een rilling door haar gezicht en het veranderde van uitdrukking; ze zei: ‘Waar is uw staf?’

‘Die laat ik hier niet zien, zuster.’

‘Nee, dat moet ook niet. Zij sluit je af van het leven. Net als mijn macht: zij hield mij af van het leven. Daarom heb ik haar verloren. Ik verloor alles wat ik wist, alle woorden en namen. Aan draden dun als spinrag kwamen zij uit mijn ogen en mijn mond. Er is een gat in de wereld en het licht stroomt erdoor weg. En met het licht stromen ook de woorden weg. Wist u dat? Mijn zoon zit daarbinnen en staart de ganse dag het duister in en zoekt naar het gat in de wereld. Hij zegt dat hij het beter zou kunnen zien als hij blind was. Zijn goede hand van verven is hij kwijt. Wij waren de Ververs van Lorbanery. Kijk.’ Zij schudde met haar magere, gespierde armen die tot aan de schouders besmeurd waren met een dun streperig mengsel van onuitwisbare kleursels. ‘Van je huid krijg je dat nooit meer af,’ zei ze, ‘maar de geest wordt schoon. Die houdt de kleuren niet vast. Wie zijn jullie?’ Sperwer zei niets. Weer hield zijn blik die van de vrouw gevangen; en Arren keek van opzij toe en voelde zich weinig op zijn gemak.

Plotseling huiverde de vrouw en zei fluisterend: ‘Ik ken u…’

‘Ja. Bloed kent bloed, zuster.’

Het was vreemd te zien hoe zij in doodsangst wegkroop van de tovenaar, hem wilde ontvluchten, en tegelijkertijd naar hem toegetrokken werd en voor hem neer wilde knielen. Hij greep haar hand en hield hem in de zijne. ‘Zou je je macht terug willen hebben, je kennis, de namen? Ik kan ze je teruggeven.’

‘Gij zijt de Grote Man,’ fluisterde ze. ‘Gij zijt de Vorst der Schaduwen, de Heer der Duistere Plaatsen…’

‘Dat ben ik niet. Ik ben geen vorst. Ik ben een mens, een sterveling, jouw broeder en jouw gelijke.’

‘Maar u zult niet sterven?’

‘Ik zal sterven.’

‘Maar u zult wederkomen en dan in eeuwigheid leven.’

‘Nee. Dat zal niemand.’

‘Dan bent u niet... niet de Machtige der Duisternis,’ zei ze, fronste de wenkbrauwen en keek hem enigszins wantrouwend aan, maar minder angstig. ‘Toch bent u een Machtige. Zijn er dan twee? Wat is uw naam?’

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату