prikkelende geur van uien. ‘Het is alleen maar voor het gezicht. Zelf gaan we altijd naar de eetzaal waar iedereen zich voortovert wat hij wil eten. Spaart ook een afwas uit.’
‘Kijk, kijk,’ zei Arren beleefd.
‘Nieuwelingen die de spreuken nog niet geleerd hebben, vallen hier in hun eerste maanden natuurlijk behoorlijk af, maar op den duur krijgen ze het door. Er is hier een knaap uit Havnor die het steeds weer met gebraden kip probeert, maar het draait altijd uit op havermout. Het lukt hem blijkbaar niet met zijn spreuken verder te komen dan die havermout. Gisteren was er dan zowaar een bokking bij.’ Wissel kreeg een droge keel van zijn pogingen de gast tot ongelovigheid te verleiden en daarom gaf hij het op en stopte met de conversatie. ‘Waar… uit welk land is de Archimagus afkomstig?’ vroeg de gast zonder ook maar de geringste aandacht te schenken aan de brede gang waar ze doorheen liepen en aan de Boom met Duizend Bladeren die overal op wanden en gewelf in relief was uitgehakt.
‘Uit Gont,’zei Wissel.’Hij was geitejongen in een dorp daar.’ Bij het horen van dit doodnormale en iedereen bekende feit, draaide de jongen uit Enlad zich om en keek Wissel met misprijzend ongeloof aan. ‘Geitejongen?’
‘Dat zijn de meeste mensen van Gont voor zover het geen zeerovers of tovenaars worden. Ik heb toch ook niet beweerd dat hij nu nog geitenhoeder is?’
‘Maar hoe kan een geitenhoeder nu Archimagus worden?’
‘Net zo als een prins dat kan. Door naar Roke te komen en alle Magisters de loef af te steken, door in Atuan de Ring te stelen, door langs het Drakenspoor te zeilen, door de grootste Wijze te zijn sinds Erreth-Akbe… Hoe anders?’
Uit de gaanderij kwamen zij nu door de noordelijke poort naar buiten. De late namiddag lag warm en stralend over de doorploegde heuvels en over de daken van Thwil en de baai daarachter. ‘Natuurlijk is dat allemaal al lang geleden. Sinds hij tot Archimagus werd gekozen, heeft hij geen grote daden meer verricht. Dat is heel gewoon. Ik denk dat een Archimagus weinig anders doet dan op Roke wonen en op het Evenwicht te letten. En hij is al vrij oud.’
‘Oud? Hoe oud?’
‘Een jaar of veertig, vijftig.’
‘Heb je hem wel eens gezien?’
‘Natuurlijk heb ik hem wel eens gezien,’ zei Wissel fel. De vorstelijke idioot was blijkbaar ook nog een vorstelijke snob. ‘Vaak?’
‘Nee. Hij laat zich zelden zien. Maar toen ik de eerste keer naar Roke kwam, heb ik hem ontmoet, in de Hof van de Fontein.’
‘Daar heb ik vandaag ook met hem gesproken,’ zei Arren. De klank van zijn stem bracht Wissel ertoe hem aan te kijken en vervolgens zijn antwoord aan te vullen: ‘Het was drie jaar geleden. En ik was toen nog erg jong natuurlijk. Zijn stem kan ik me nog vrij goed herinneren, en het klateren van de fontein.’ Even later voegde hij eraan toe: ‘Hij spreekt met de tongval van Gont.’
‘Als ik met de draken in hun eigen taal kon spreken,’ zei Arren, ‘zou mijn tongval me niets kunnen schelen.’ Hierop keek Wissel hem aan met iets van instemming in zijn ogen en vroeg: ‘Bent u als leerling van de School hierheen gekomen, prins?’
‘Nee. Ik moet aan de Archimagus een boodschap van mijn vader overbrengen.’
‘Enlad is toch een van de Vorstendommen der Koningen, niet?’
‘Enlad, Uien en Waay. Eertijds ook Havnor en Ea, maar in die landen is het geslacht der koningen uitgestorven. Het huis van Uien gaat door Maharion die koning was over alle eilanden, terug op Gemal de uit zee geborene; dat van Waay op Akambar en het Huis van Shelieth. Enlad is het oudste en stamt af van Morred door diens zoon Serriadh en het Huis van Enlad.’ Deze stambomen zei Arren op met een dromerige blik in de ogen, als een goed voorbereide leerling in de geest met iets heel anders bezig is. ‘Denkt u dat wij tijdens ons leven het koningschap van Havnor hersteld zullen zien?’
‘Ik heb daar nooit veel over nagedacht.’
‘Op Ark waar ik vandaan kom, denken de mensen er wel over na. Sinds er weer vrede heerst, behoren wij tot het Vorstendom van Uien, weet u. Hoe lang is het nu al weer geleden, zeventien of achttien jaar, dat de Ring met de Rune der Koningen is teruggekeerd naar de Toren der Koningen in Havnor? Een tijdlang ging toen alles beter, maar nu is het slechter dan ooit. Het wordt tijd dat er weer een koning de troon van Aardzee bestijgt en de scepter voert onder het Teken des Vredes. De mensen zijn oorlog en strooptochten moe en hebben genoeg van kooplieden die te hoge prijzen, en vorsten die te hoge schattingen vragen, van al die twisten tussen tuchteloze heersers. Roke kan leidsman zijn, maar geen heerser. Hier ligt het Evenwicht, maar de Macht dient in de hand des konings te liggen.’ Wissel sprak uit de grond van zijn hart, zonder een spoor van scherts, en nu was ook eindelijk Arrens interesse gewekt. ‘Enlad is een welvarend en vreedzaam gebied,’ zei hij langzaam. ‘Het heeft zich nooit in die onderlinge wedijver gemengd. De onrust in andere landen kennen we alleen van horen zeggen. Maar sinds Maharion stierf, nu achthonderd jaar geleden, heeft er geen koning meer plaatsgenomen op de troon van Havnor: Zullen de landen echt nog de macht van een koning aanvaarden?’
‘Wel als hij komt in vrede en kracht, als Roke en Havnor zijn aanspraken erkennen.’
‘En dan moet eerst nog de voorzegging vervuld worden, niet? Maharion zei dat de volgende koning een magus zijn moest.’
‘De Magister der Zangen komt uit Havnor en houdt zich veel met dat alles bezig. Al drie jaar lang stampt hij ons nu die woorden in het hoofd. Maharion heeft gezegd: “Hij zal erfgenaam zijn van mijn troon die levend heel het land der duisternis is doorgetrokken en de verre kusten van het daglicht heeft bereikt.” ’
‘Een magus dus.’
‘Ja, want alleen een wijze of magus kan het duistere land der doden binnengaan en er uit terugkeren. Maar het “doortrekken” doen zij niet. Zij spreken althans steeds over dat land alsof het slechts een grens heeft, en daarachter geen einde meer neemt. Maar wat zijn dan de “verre kusten van het daglicht”? Toch luidt zo de voorspelling van de Laatste Koning en dus zal er ooit iemand geboren worden om haar te vervullen. En dan zal Roke hem erkennen en de vloten, legers en volkeren zullen zich rond hem verzamelen. Dan zal de heerlijkheid der Macht zijn teruggekeerd in het hart van de wereld, de Toren der Koningen in Havnor. Bij zulk een koning zou ook ik mij voegen; een ware koning zou ik dienen met heel de inzet van mijn hart en hand,’ zei Wissel, en toen haalde hij lachend de schouders op, want Arren mocht vooral niet denken dat hij zich door zijn gevoelens liet meeslepen. Maar Arren keek hem vriendelijk aan en dacht: ‘Hij zou voor de koning voelen, wat ik voel voor de Archimagus.’ Toen zei hij: ‘Een koning zal mannen als jij rond zich nodig hebben.’
Zo stonden zij daar een tijdlang, ieder met hun eigen gedachten en toch elkaar zeer nabij, tot er achter hen uit het Hoge Huis een galmende gongslag klonk.
‘Etenstijd,’ zei Wissel. ‘Vanavond linzen en uiensoep. Kom mee.’
‘Ik dacht dat er bij jullie nooit gekookt werd,’ zei Arren terwijl hij hem nog diep in gedachten achternaliep. ‘Soms wel... per vergissing…’
Bij het avondeten was geen toverkunst in het spel, maar wel een overvloed aan kookkunst. Na afloop liepen zij in het zachte blauw van de avondschemer naar buiten de velden in. ‘Dit is de Bult van Roke,’ zei Wissel toen ze aan de bestijging van een komvormige heuvel begonnen. Het bedauwde gras streek langs hun benen, en beneden langs de drassige oevers van de Thwilburn zong een koor van padden een welkomstlied voor de eerste warmte en de kortende, sterverlichte nachten. Er hing een vage geheimzinnigheid rond deze plek. Wissel zei zacht: ‘Toen het Eerste Woord werd uitgesproken, was deze heuvel de eerste die zich uit de zee verhief.’
‘En als alle dingen in het niets terugkeren,’ zei Arren, ‘zal hij de laatste zijn die wegzinkt.’
‘Er bovenop te staan geeft je daarom een veilig gevoel,’ zei Wissel, alle ontzag opzijschuivend; maar meteen keerde het weer terug en riep hij uit: ‘Kijk. De Hout.’ Ten zuiden van de Bult verspreidde zich over de aarde het schijnsel van een helder licht; het was als de opkomende maan, maar de slanke maansikkel ging in het westen boven de heuvel reeds onder. En het was ook een tintelend schijnsel als het huiveren van bladeren in de wind.
‘Wat is dat?’
‘Het komt uit de Hout... De Magisters moeten er vergaderd zijn. Men beweert dat toen zij er vijf jaar geleden bijeenkwamen om de nieuwe Archimagus te kiezen, de Hout ook heel de nacht een schijnsel als dat van de maan verspreidde. Maar waarom zouden ze nu bijeenkomen? Vanwege het nieuws dat jij ze gebracht hebt?’
