‘Misschien wel,’ zei Arren.

In zijn opwinding en ongedurigheid wilde Wissel maar liever teruggaan naar het Hoge Huis om te horen welke geruchten er over de Raad der Magisters de ronde deden. Arren ging met hem mee, maar keek steeds weer om naar het vreemde schijnsel tot het achter de heuvelhelling verdween en het land alleen nog verlicht werd door de ondergaande nieuwe maan en de sterren van het voorjaar.

Alleen gelaten in het donker van de stenen cel die hem als slaapvertrek was aangewezen, lag Arren met de ogen wijd open op een strozak. Zijn hele leven had hij in een bed geslapen, onder zachte pelsdekens; zelfs op de twintig-riemige galei die hem van Enlad hierheen had gebracht, had men de jeugdige prins meer gemakken geboden dan hier: een strozak op een stenen vloer en een versleten deken van vilt. ‘Ik ben hier in het hart van de wereld,’ dacht hij. ‘De Magisters houden raad op de heilige plaats. Waartoe zullen zij besluiten? Zullen zij een machtig web van tover weven om de toverkunst te redden? Kan het zijn dat op deze wereld de wijsheid wegteert? Is het gevaar zo groot dat zelfs Roke bedreigd wordt? Maar ik blijf hier; ik ga niet terug naar huis. Zijn slaapvertrek aanvegen is mij liever dan het vorstelijk leven op Enlad. Zou ik hier als leerling kunnen blijven? Maar wellicht zal er hier geen onderricht in de magie meer gegeven worden, zal hier de ware naam der dingen niet meer geleerd worden? Mijn vader bezit de gave der wijsheid, maar ik niet; misschien zal zij inderdaad op deze wereld uitsterven. En toch zou ik, zelfs als hij zijn macht en kennis verloren had, bij hem blijven. Zelfs als ik hem nooit meer zou zien; zelfs als hij nooit meer een woord tot mij zou spreken.’ Toen sleepte de vurige kracht van zijn verbeelding hem met zich mee en zag hij in de hof onder de lijsterbes opnieuw zichzelf voor de Archimagus staan, maar nu onder een donkere hemel en bladerloze bomen, en bij een stilgevallen fontein; en hij zei: ‘Heer, de storm is over ons gekomen, maar toch wil ik bij u blijven en u dienen,’ en de Archimagus keek hem glimlachend aan… Hier evenwel liet zijn verbeelding hem in de steek, want de glimlach van dat donkere gelaat had hij nooit gezien. De volgende ochtend stond hij op met het gevoel dat hij de vorige dag nog een knaap was geweest, maar vandaag een man was. Hij was op alles voorbereid, maar toen er iets gebeurde, sloeg het hem met verbijstering. ‘De Archimagus zou u gaarne willen spreken, Prins Arren,’ zei een kleine leerling die even in de deuropening bleef staan en wegrende voordat Arren zijn verwarde zinnen tot een antwoord had bijeengegaard. Hij daalde de torentrap af en liep door de stenen gangen naar de Hof van de Fontein zonder precies te weten waar hij verwacht werd. In de gang kwam hij een oude man tegen die hem toelachte zodat er van neus tot kin diepe rimpels over zijn wangen liepen. Het was degene die hem ook gisteren toen hij uit de haven naar het Hoge Huis was gekomen, bij de deur had opgewacht en hem verzocht had voor hij binnentrad, zijn ware naam te noemen. ‘Kom maar mee,’ zei de Magister Poortwachter.

In dit deel van het Huis heerste er stilte in hallen en gangen, niet verstoord door het roepen en rennen van jongens dat elders levendigheid bracht. Men bespeurde er de hoge ouderdom der muren, en de betovering waarmee de oeroude stenen gevoegd en beveiligd waren, was er tastbaar. Hier en daar waren runen in de wanden gegrift, diep ingekerfd en soms met zilver ingelegd. Arren had van zijn vader de Hardische Runen geleerd, maar van deze kende hij er geen enkele, ook al leken sommige een betekenis te hebben die hij bijna kende, of gekend had, maar zich niet goed meer kon herinneren. ‘We zijn er, jongen,’ zei de Poortwachter die zich aan titels als Heer of Prins weinig gelegen liet liggen. Arren liep achter hem aan een lang, laag-gezolderd vertrek binnen waar aan het ene eind een vuur brandde in een stenen haard en aan het andere door spitsboogvensters het kille, zachte, nevelige licht naar binnen viel. Voor de haard stond een groep mannen. Zij keken allen naar hem toen hij binnenkwam, maar Arren zag slechts een van hen, de Archimagus. Hij bleef staan, maakte een buiging en wachtte zwijgend.

‘Dit zijn de Magisters van Roke, Arren,’ zei de Archimagus, ‘Zeven van de negen. De Magister van het Web wil de Hout niet verlaten en de Magister der Namen is in zijn toren gebleven, dertig mijl noordelijk van hier. Zij allen weten met welke boodschap je hierheen gekomen bent. Heren, dit is de zoon van Morred.’

Deze woorden deden in Arren geen gevoel van trots ontwaken, maar alleen een vage vrees. Hij was trots op zijn afstamming, maar zag in zichzelf slechts een erfgenaam van vorsten, een telg uit het Huis van Enlad. Morred van wie dat huis afstamde, was nu tweeduizend jaar geleden gestorven. Zijn daden behoorden tot de wereld der legenden, niet tot de wereld van vandaag. Het was als had de Archimagus hem een zoon der mythen genoemd, een erfgenaam van dromen.

Hij durfde de ogen niet op te slaan en de acht wijzen recht in het gezicht te kijken. Hij staarde naar de met ijzer beslagen voet van de staf van de Archimagus, en het bloed gonsde door zijn oren.

‘Kom laten we gaan ontbijten,’ zei de Archimagus en ging hen voor naar een tafel die onder het venster was neergezet. Er was melk en zuur bier, brood, verse boter en kaas. Arren zat bij hen en at mee. Heel zijn leven had hij met edelen verkeerd, met landeigenaars en rijke kooplieden. Het paleis van zijn vader in Berila wemelde ervan: mannen van grote rijkdom van grote sommen bij koop en verkoop, bezitters van de dingen dezer wereld. Zij aten vlees en dronken wijn en spraken met luide stem; er werd geredetwist, er werd naar de mond gepraat, er werd meestal enkel het eigen voordeel gezocht. Jong als hij was, had Arren al heel wat geleerd over de wandel en arglist der mensheid. Maar hij had nooit met mannen als deze verkeerd. Zij aten brood en spraken weinig en er lag een kalme uitdrukking op hun gezicht. Als zij iets zochten, was het niet hun eigen voordeel. Toch waren zij mannen van grote macht: ook dat zag Arren meteen.

De Archimagus Sperwer zat aan het hoofd van de tafel en scheen naar alles te luisteren wat er gezegd werd; toch was hij door zwijgen omhuld en richtte niemand het woord tot hem. Ook Arren werd met rust gelaten zodat hij gelegenheid kreeg tot zichzelf te komen. Links van hem zat de Poortwachter en rechts een grijsaard met vriendelijke ogen die na enige tijd tot hem zei: ‘Wij zijn landgenoten, Prins Arren. Ik ben in het oosten van Enlad geboren, bij het Woud van Aol.’

‘In dat woud ben ik wel eens op jacht geweest,’ antwoordde Arren en zij spraken nog een tijdje door over de wouden en steden van het Eiland der Mythen zodat Arren zich door de herinnering aan zijn vaderland wat meer op zijn gemak ging voelen. Na afloop van de maaltijd verzamelden zij zich opnieuw rond de haard; sommigen gingen zitten, anderen bleven staan en er werd korte tijd geen woord gesproken.

‘Gisterenavond,’ zei de Archimagus, ‘Hebben wij raad gehouden. We hebben lang met elkaar gesproken, maar geen beslissing genomen. Ik zou nu, in het licht van de morgen, graag van u allen willen horen, of gij uw nachtelijk oordeel staande houdt dan wel van mening zijt veranderd.’

‘Dat wij geen beslissing genomen hebben,’ zei de Magister der Kruiden, een gedrongen man met donkere huidskleur en kalme ogen, ‘is op zich reeds een oordeel. De Hout is de plaats waar het web gevonden kan worden, maar wij vonden er enkel tegenspraak.’

‘Alleen omdat wij het web niet duidelijk voor ons zagen,’ zei de grijze magus uit Enlad, de Magister der Veranderingen. ‘Wij weten nog niet genoeg. Geruchten uit Wathort; berichten uit Enlad. Vreemde berichten en zeker onze aandacht waard. Maar het is niet nodig een grote vrees te bouwen op zo nietige grondvesten. Onze macht wordt niet bedreigd wanneer enkel een paar tovenaars hun spreuken vergeten hebben.’

‘Dat vind ik ook,’ zei een magere man met scherpe ogen, de Magister der Winden. ‘Zijn wij niet allen nog in het bezit van onze macht? Groeien de bomen van de Hout soms niet meer, of ontspruiten er geen bladeren meer aan? Luisteren aan de hemel de stormen niet meer naar ons woord? Wie kan dan bezorgd zijn om de kennis der wijsheid, de oudste kennis van de mens?’

‘Geen mens,’ zei de Magister der Oproepingen, een rijzige, jongeman met diepe stem en een donker, edel gezicht, ‘geen man en geen macht kan het handelen der wijsheid aan banden leggen, of de woorden de macht tot zwijgen brengen. Immers, het zijn de woorden van de Schepping zelf en wie ze tot zwijgen brengt, zou ook de wereld tot niets doen terugkeren.’

‘Ja, en wie daartoe in staat is, zou allang niet op Wathort of Narveduin zijn gebleven,’ zei de Magister der Veranderingen. ‘Hij zou reeds hierheen zijn gekomen, naar de poorten van Roke, en dan zou het einde van de wereld nabij zijn. Zover is het echter nog niet gekomen.’

‘Toch is er reden tot zorg,’ zei er een en de overigen keken hem aan; met brede borst, fors als een eikehouten kist, zat hij bij het vuur en de stem waarmee hij sprak klonk beheerst en welluidend als het galmen van een bronzen klok. Het was de Magister der Zangen. ‘Waar is de koning die moet zetelen op de troon van Havnor? Roke is niet het hart van de wereld. Het hart van de wereld is de toren waarop het Zwaard van Erreth-Akbe is geplaatst en waarin de troon staat van Serriadh, van Akambar, van Maharion. Achthonderd jaar lang heeft het hart van de wereld leeggestaan. Wij hebben de kroon, maar geen koning om haar te dragen. Wij hebben de Verloren Rune teruggewonnen, de Rune der Koningen, de Rune des Vredes, maar is daarmee ook de vrede weergekeerd? Laat er weer een koning zetelen op de troon, dan zal er vrede heersen en zullen zelfs in de verre Ruimen de tovenaars hun kunst met onbekommerd hart beoefenen, dan zullen alle dingen hun plaats en uur

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату