ongemakkelijk.
‘We kunnen natuurlijk altijd besluiten om een extra mannetje erheen te sturen, om hen te helpen mocht dat nodig blijken,’ stelde Halt voor.
Crowley keek hem snel even aan. ‘Een man extra zou geen kwaad kunnen,’ zei hij.
‘Iemand die een beetje gewicht in de schaal zou kunnen leggen — als dat nodig was,’ ging Halt verder. ‘Als rugdekking, zeg maar.’
‘Ik denk dat ik me aanzienlijk minder druk zou maken als ik wist dat ze ten minste een beetje extra rugdekking hadden,’ zei Crowley.
‘En als we de juiste persoon sturen,’ zei Halt, ‘dan zou die misschien wel meer dekking kunnen geven dan een beetje.’
De twee mannen keken elkaar over de tafel aan. Ze waren oude strijdmakkers en dikke vrienden. Ze kenden elkaar al tientallen jaren, ze hadden samen meer oorlogen uitgevochten dan ze zich konden herinneren. Elk wist precies wat de ander dacht, en ze waren het hartgrondig met elkaar eens.
‘Jij zit aan Arnaut te denken?’ vroeg Crowley.
Halt knikte. ‘Ik dacht inderdaad aan Arnaut!’ bevestigde hij.
HOOFDSTUK 25
Will wist natuurlijk niets van het besluit van zijn commandant om hem en Alyss hulptroepen te sturen. Het zou nog dagen duren voor hij antwoord kon verwachten, als dat al zou komen.
Als hij het wel geweten had, dan was hij misschien minder onzeker geweest. Arnaut zou maar een man extra betekenen, maar wel een die meer dan eens bewezen had wat hij waard was. Als rekruut al had hij laten zien dat hij talent had, vooral met het zwaard — een natuurtalent, zoals zijn leraren zeiden. Hij had in een gevecht van man tot man de verrader Morgarath verslagen en later had hij eervol gediend in de oorlog van de Skandiers tegen de Temujai. Zijn reputatie als duellist was geweldig — in heel Gallica spraken ze nog met ontzag over de Ridder van het Eikenblad. Voor koning Duncan was dat reden genoeg geweest om hem tot ridder te slaan, nog voordat hij zijn hele opleiding achter de rug had.
Het nieuws dat Arnaut naar hen onderweg was zou dan ook veel van Wills bezorgdheid hebben weggenomen, deze heldere winterochtend. Hij dacht nog na over de gesprekken van de avond ervoor, met de soldaten, en hij wilde het zo snel mogelijk met Alyss daarover hebben. Hij had al half en half besloten om heer Keren om advies te vragen. Het was immers duidelijk dat de jonge garnizoenscommandant geen dikke vrienden was met zijn neef. Hij had blijkbaar ook een eigen legertje om zich heen verzameld, en dat zou nog van pas kunnen komen. Maar voordat hij zo’n grote stap kon zetten moest hij natuurlijk eerst met Alyss overleggen.
Ze moesten ook nog afspreken wanneer ze samen op zoek zouden gaan naar die mysterieuze Malkallam — want het moest wel Malkallam zijn die achter die vreemde lichten en spoken zat, die alle bezoekers onmiddellijk het Grimsdalwoud uitjaagden. Maar daarvoor moest hij weer eerst een manier verzinnen om zich door vrouwe Gwendolyn te laten ontbieden. Hij was maar een eenvoudige speelman, en kon dus moeilijk onaangekondigd bij een deftige adellijke dame komen binnenvallen.
In de tussentijd ging hij maar eens naar de stal om te kijken of er wel goed voor Trek gezorgd werd. En omdat de hond zich ook maar wat zat te vervelen in de benauwde kamer die Will in het kasteel de zijne mocht noemen, had hij haar meegenomen naar de stallen om haar oude metgezel Trek op te zoeken. De beide dieren leken dat wel een grappig idee te vinden, dus liet hij de hond achter bij het paardje. Treks houding tegenover de hond was er een van geamuseerde superioriteit, terwijl de hond het kleine Jagerspaard leek te beschouwen als een redelijk alternatief voor zijn menselijke baas. Will wist zeker dat de hond niet weg zou lopen, en er waren genoeg vreemde geuren, geluiden en donkere hoekjes in de stallen om haar daar een tijdje bezig te houden.
En het was maar goed dat hij haar daar had achtergelaten. Toen hij over het binnenplein liep kwam er iemand, die hem vaag bekend voorkwam, uit het poorthuis naar buiten. Het was een grote man met donker haar en een baard, die naar de donjon liep. Van een afstand herkende Will hem niet meteen. Maar zoals hij liep, zijn houding… ergens kwam hij Will bekend voor. En datzelfde gold voor de zware lans die hij in zijn rechterhand droeg — zo te zien zonder enige moeite, al was het een zwaar en onhandig ding. Na een paar tellen wist Will het ineens.
Het was John Buttel. Niemand anders. De man die hij in het leen Zeeklif had meegegeven met de Skandiers.
Wat deed die man nou hier? Hoe was die hier terechtgekomen? Snel draaide Will zich om en deed net alsof hij de veter van zijn laars moest strikken. Gelukkig keek Buttel de andere kant op en ging de donjon binnen.
Will stond op, zijn hersens pijnigend. Buttel hoorde nu veilig op Skorghijl vast te zitten, met de Skandiers en hun boot, veilig opgeborgen honderden kilometers hier vandaan. Dat hij hier ineens opdook was echt een probleem van jewelste. Hij had Will en Alyss horen praten over Wills opdracht, daar in het huisje van Will op Zeeklif. En hij wist…
Will snakte naar adem. Alyss! Als Buttel haar hier zou zien, zou hij haar herkennen! Natuurlijk zat haar haar anders, en ze droeg veel mooiere kleren, die pasten bij een adellijke dame. Toen Buttel haar voor het eerst ontmoette droeg ze de simpele elegante toga van een koerier van de koning en had ze haar haar niet opgestoken. Maar Alyss was verder een vrouw die je niet snel over het hoofd zag en na verloop van tijd moest hij wel de verbinding leggen. En dan wist hij ook dat zij niet die domme tuthola Gwendolyn was, maar een koerierster uit de Diplomatieke Dienst.
Of hij Will ook zou herkennen was nog maar de vraag. Hij zou hem zeker niet verwachten te zien in de vrolijke en bonte kleding van een speelman. Hij kende Will als Grijze Jager en zou dus ook verwachten dat hij gekleed ging in het onopvallende grauwe uniform van dat elitekorps. Halt had hem geleerd dat mensen altijd alleen maar zien wat ze verwachten te zien. Bovendien was het al tamelijk donker geweest toen ze bij de deur van zijn huisje een potje hadden gevochten. Maar zodra hij Alyss herkend had, zou het nog maar een kwestie van tijd zijn voordat hij de link zou leggen met de andere vreemde gast in het kasteel.
Will wist wat hem te doen stond. Hij moest allereerst Alyss waarschuwen. Ze moest nog maar een tijdje uit het zicht blijven, er zat niets anders op — totdat hij een oplossing verzonnen had voor deze nieuwe ontwikkeling.
Will liep naar de donjon maar aarzelde. Buttel was daar ook naar binnen gegaan, en hij had geen idee waar de man nu uithing. Voor hetzelfde geld stond hij net achter de deur in de hal. Of hij kwam net weer naar buiten. Will keek of hij een andere toegangsdeur zag. Hij wist dat in elk geval de keukens aan de andere kant van de donjon lagen. Hij zou het daar maar eens proberen.
Maar voordat hij zich kon bewegen viel er een sterke hand zwaar op zijn schouder. Hij draaide zich om en stond oog in oog met de streng kijkende sergeant-majoor. Twee andere soldaten stonden achter hem, hun hand aan het gevest. De vriendschappelijkheid van de avond tevoren was verdwenen. De drie mannen waren duidelijk in functie.
‘Een momentje, speelman,’ zei de sergeant-majoor. ‘Heer Orman wil je spreken.’
Will dacht even na. De sergeant was de jongste niet meer, en tamelijk traag. Maar hij was wel een ervaren soldaat. De andere twee waren gewone lansknechten — ze konden waarschijnlijk nauwelijks overweg met hun wapens. Will was ervan overtuigd dat hij er twee onschadelijk kon maken voordat ze zelfs maar hun wapens zouden kunnen grijpen. Maar dan bleef er altijd nog een over die alarm zou slaan — de poort en de ophaalbrug waren een meter of dertig van hen vandaan, en daar stonden nog eens drie of vier gewapende mannen. Will kon niet anders dan bluffen, besloot hij. En hij had nauwelijks een halve seconde nodig om die conclusie te trekken.
‘Goed, majoor,’ zei hij met een glimlach. ‘Ik ga meteen bij hem langs zodra ik mijn boodschap gedaan heb.’
Maar de hand bleef zwaar op zijn schouder rusten. ‘En wel nu meteen!’ zei de sergeant vastbesloten.
Will haalde zijn schouders op. ‘Nou ja, waarom ook niet nu meteen,’ zei hij gelaten. ‘Mij maakt het ook niet uit. Gaat u me voor, sergeant?’ Hij wilde de oudere man voor laten gaan, maar dat weigerde die beslist. En hij keek ook niet alsof hij het grapje waardeerde.
‘Na jou, speelman!’
