Will haalde naar hij hoopte onverschillig de schouders op en ging het groepje voor de binnenhof over. De soldaten sloten achter hem de rijen, de sergeant in het midden en de twee anderen elk op een flank. Hun zware laarzen klonken hol op de kasseien terwijl ze op de deur af liepen.

Will deed een schietgebed dat ze John Buttel niet zouden tegenkomen. Een man die zo duidelijk opgebracht werd, met een heus escorte, trok natuurlijk enorm de aandacht en als Buttel goed keek zou hij hem best kunnen herkennen, zelfs met het speelmanskostuum aan.

Gelukkig was er geen spoor van zijn vroegere gevangene te bekennen toen zij de donjon binnenliepen. De sergeant-majoor gaf hem een duw in zijn rug met een hard ding — Will zag dat hij de knuppel uit zijn riem getrokken had — en ze liepen naar de trap die naar de vertrekken van heer Orman leidde.

Net als in alle vestingen boog de trap naar rechts omhoog, zodat een indringer zijn hele lichaam zou blootstellen aan de verdediger, die zelf hoger stond en alleen zijn rechterkant aan de tegenstander bood. Will hoorde hoe de sergeant-majoor begon te hijgen en piepen. De twee soldaten liepen achter hem naar boven, want de trap was te smal om naast de sergeant te blijven. Will bedacht dat hij zonder al te veel problemen heel hard naar boven zou kunnen hollen. Maar waarheen dan? Weer besloot hij een betere kans af te wachten. Als hij nu probeerde te vluchten, zou hij niet meer kunnen beweren dat hij onschuldig was. En met drie gewapende mannen onder hem en geen enkele ontsnappingsmogelijkheid boven hem had hij toch geen kans.

Ze kwamen op de vierde verdieping, waar Orman woonde. Will bleef staan voor de deur, maar kreeg weer een venijnige por van de majoor.

‘Hup, naar binnen jij!’ zei de man streng en Will kon alleen maar doen wat hem gezegd werd.

Xander zat bij zijn bureau in het voorvertrek. Hij keek op toen zij zonder te kloppen binnenkwamen. Als hij al verbaasd was de minstreel door drie gewapende mannen binnengebracht te zien, liet hij dat niet merken. Hij stak een hand op om hen tegen te houden, stond op en deed de deur naar de privevertrekken open. Will hoorde hem zeggen: ‘De mannen hebben Will Barton bij u gebracht, heer!’ Er werd wat onduidelijks gemompeld en Xander maakte snel een buiging en draaide zich weer om. Hij gebaarde de sergeant-majoor en Will naar binnen te gaan.

Weer die knots in zijn rug! Die gewoonte begon hem knap te irriteren en bijna had hij het wapen van de oude man afgenomen om hem eens flink terug te porren. Maar hij wist zich in te houden. Eigenlijk was hij best nieuwsgierig om te weten wat Orman van hem wilde, en zolang hij niet meer bewakers erbij riep, wist Will zeker dat hij altijd zou kunnen ontsnappen, mocht dat nodig zijn.

Orman zat achter zijn bureau. Will zag dat de boeken over toverkunst er ook nog lagen; een lag er zelfs open met een grote leren boekenlegger in de rug. Orman was gekleed in zijn gebruikelijke donkere toga en hing als een gebochelde in zijn grote stoel. Met een onhandig gebaar wuifde hij Xander het vertrek uit. Het leek wel alsof hij ergens pijn had. En toen hij sprak werd die indruk nog eens versterkt. Hij leek moeite te hebben met praten en zijn ademhaling was ook moeizaam.

‘Dank, sergeant-majoor. Heeft hij u nog last bezorgd?’

‘Nee heer, hij is braaf meegekomen,’ antwoordde de soldaat.

Orman knikte langzaam. ‘Goed, goed,’ mompelde bij binnensmonds. Er was een kleine pauze terwijl hij zwaar ademhaalde, daarna knipte hij met zijn vingers. Ook de sergeant-majoor mocht weggaan.

‘Goed, majoor, u kunt gaan. Wacht u buiten maar.’

De oude soldaat aarzelde. ‘Weet u het zeker, heer? Misschien dat de gevangene…’ Hij hield halverwege de zin zijn mond. Hij had geen idee wat Will zou kunnen doen. Hij wist eigenlijk niet eens of Will wel een gevangene was. Hij had gewoon de opdracht gekregen om hem te halen, dus had hij aangenomen dat er iets niet in de haak was. Maar nu Orman hem gewoon de kamer uitstuurde begon hij zich af te vragen of het hier misschien gewoon om een bezoekje ging, en dacht hij met schrik terug aan al dat porren dat hij zich onderweg gepermitteerd had.

‘Nee, het is al goed, ga nu maar.’ Orman fluisterde bijna maar het was duidelijk dat hij geergerd was. Hij heeft echt ergens pijn, dacht Will. Hij hoorde hoe achter zich de soldaat in de houding sprong en daarna het geklik van zijn laarzen terwijl de man naar buiten liep. Hij aarzelde bij de deur en wist nog steeds niet zeker wat hem te doen stond.

‘Ik sta meteen buiten de deur, heer,’ zei hij. En hij voegde eraan toe: ‘Met mijn mannen, natuurlijk.’

‘Jaja, doe dat maar als je dat wilt,’ zei Orman. De deur viel achter de sergeant-majoor in het slot. Orman kwam moeizaam overeind, al zijn gewicht op een been. Will zag dat de man zijn linkerarm dicht tegen zich aan hield, bijna alsof hij een paar gebroken ribben had. Zijn gezicht verraadde pijn terwijl hij om de tafel strompelde en voor Will bleef staan. Zijn ademhaling ging met horten en stoten, alsof zelfs die kleine wandeling hem te veel was.

Will liep op hem af. ‘Heer Orman, is alles goed met u?’ vroeg hij, maar Orman stak zijn hand op om hem tegen te houden.

‘Nee. Zoals je ziet is niet alles goed met me. Maar daar kun jij niet veel aan doen.’

‘Bent u gewond?’ vroeg Will. ‘Kan ik misschien een dokter laten komen?’

Maar weer schudde Orman van nee, en zijn lippen vertrokken zich in een grimas. ‘Ik vrees dat geen heelmeester in dit kasteel iets aan mijn kwaal kan doen,’ zei hij. ‘Nee. Ik moet een ander soort hulp zien te krijgen.’ Hij wachtte even en terwijl hij Will strak aankeek zei hij: ‘Ik heb eerder behoefte aan de hulp van een Grijze Jager.’

HOOFDSTUK 26

Even bleef het doodstil in het vertrek. Will was sprakeloos. Dat was wel het allerlaatste dat hij van Orman verwacht had. Hij wist dat zijn reactie te laat kwam, maar met de moed der wanhoop besloot hij te bluffen.

‘Een Grijze Jager, heer Orman?’ zei hij. ‘Waarom denkt u dat ik daar iets van zou weten? Ik, een eenvoudige speelman!’ En hij forceerde een lachje als om zichzelf helemaal weg te cijferen. ‘En zoals u niet naliet mij meer dan eens onder de neus te wrijven, niet eens zo’n beste ook nog.’

Orman maakte een gebaar van stel-je-niet-aan en liet zich kreunend op een van de rechte stoelen voor zijn bureau zakken.

‘Verspil je adem niet. Daar heb ik althans de kracht niet meer voor. Luister, ik moet hulp krijgen en snel ook. Ze hebben me uiteindelijk toch te pakken gekregen, net als eerder mijn vader. Zoals je kunt zien ben ik ziek, en het zal niet lang meer duren of ik raak ook buiten bewustzijn en dan is er niets meer wat hen tegen kan houden.’

‘Wie zijn “hen” dan?’ vroeg Will.

Orman kreunde weer, hij greep naar zijn zij en buik en boog bijna dubbel terwijl een pijnscheut door hem heen trok. Will zag dat de man begon te zweten — het was duidelijk dat het hem inderdaad heel slecht ging.

‘Keren natuurlijk!’ zei de man naar adem snakkend. ‘Wie denk je anders? Hij heeft ook mijn vader ziek gemaakt. Hij wil het kasteel van ons stelen!’

‘Keren?’ herhaalde Will. ‘Maar…’ Hij aarzelde en Orman, die weer wat bij krachten leek te komen nu de pijnscheut voorbij was, ging boos verder:

‘O ja hoor, natuurlijk. Hij heeft ook jou al in weten te palmen, net als iedereen. Ik veronderstel dat jij dacht dat ik het was die achter dat plan zat om mijn vader uit de weg te ruimen?’ Hij keek Will aan om te zien of hij gelijk had. ‘Zie je wel,’ zei hij, toen hij de onuitgesproken beschuldiging in de ogen van de jongeman tegenover hem zag. ‘De meeste mensen denken dat. Het is zo gemakkelijk om dat te denken van een man die toch niemand aardig vind, of niet soms?’

Will wist niets te antwoorden. Nu hij erover nadacht was dat inderdaad hoe hij tot zijn vermoedens gekomen was. Hij vond Orman niet aardig, en dus had hij maar besloten dat de man niet te vertrouwen was. Kerens open en vriendelijke manier van doen daarentegen had ervoor gezorgd dat hij de man meteen als bondgenoot was gaan zien. Maar ja, ook nu had hij niet meer dan Ormans woord, dat de zaken anders zouden liggen…

De bleke man ging verder: ‘En jij — je mag van alles zijn, maar volgens mij ben je geen speelman.’ Hij stak een hand op om Will de mond te snoeren. ‘Je hebt best enig talent, neem ik aan, alhoewel ik die muziek van je niet kan waarderen. Maar gisteren of eergisteren, toen we ons gesprekje hadden, toen heb je jezelf

Вы читаете De Magier van Macindaw
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату