hem in de ogen en knikte bijna onmerkbaar. Hij haalde zijn schouders op en trok zich weer terug in de andere kamer.
Nu ging Keren tussen haar en Buttel staan. Hij was woedend op zijn trawant, vanwege deze belachelijke vertoning. Die Gwendolyn, die was over een week of zo weer vertrokken. Als hij gedwongen werd haar gevangen te nemen kwam haar verloofde haar misschien wel ophalen — en waarschijnlijk niet alleen, maar met een heel leger gewapende mannen. En dat was wel het laatste wat Keren op dit moment kon gebruiken. Net nu het succes zo dichtbij leek.
‘Buttel,’ zei hij zacht maar vastberaden. ‘Ik waarschuw je. Hou je mond en donder op hier. Nu!’
Maar de grote bebaarde man stond al driftig met zijn hoofd te schudden voordat hij uitgesproken was. ‘Dat is helemaal geen adellijke dame!’ riep hij. ‘Ik ken haar. Ik wist het wel. Laat haar maar eens gaan staan!’
Keren keek haar met een verontschuldigend lachje aan. ‘Misschien zou u hem dat kleine plezier willen doen, mevrouw?’ vroeg hij, maar zij schudde verontwaardigd van nee.
‘Ik denk er niet over!’ riep ze boos.
Keren aarzelde. Ineens begon hij te twijfelen.
Buttel, die alles ineens helder werd, maakte daar onmiddellijk gebruik van. ‘Ze is een koerierster!’ zei hij triomfantelijk. ‘Ik heb haar eerder ontmoet, in het zuiden! En toen trok ze op met een Grijze Jager!’
Nu was het de beurt van Keren om te schrikken. ‘Wat zeg je nu? Een Jager?’
Buttel knikte een paar keer heftig van ja. ‘Laat haar nou gaan staan. Je zult het zelf zien. Ze is bijna even lang als ik!’
Keren keerde zich nadenkend om naar Alyss. ‘U bent inderdaad nogal lang,’ zei hij weifelend. ‘Doe alstublieft wat de man vraagt. Ga staan!’
Alyss zuchtte. Ze besefte dat ze gegokt en verloren had. Ze kon haar bluf misschien nog een paar minuten volhouden, maar Keren was nu op zijn hoede en wantrouwig. Elegant stond ze op. Buttel snakte naar adem, hoorde ze.
‘Dat is ze!’ riep hij. ‘Ik wist het! Ik wist dat ik haar eerder gezien had. Nu ze staat weet ik het helemaal zeker. En ik wed dat die speelman Barton helemaal geen speelman of minstreel is. Net zo min als ik. Ik wed dat het haar vriendje de Jager is!’ En hij pijnigde zijn hersens weer, in een poging zich het gesprek te herinneren dat hij buiten de jachthut afgeluisterd had. ‘Hoe noemde je hem ook al weer? Will! Ja. Dat was de naam!’
‘Will?’ Keren was nu echt geinteresseerd. ‘En zo heet die speelman ook? Wat een toevalligheden! Ik denk dat u toch het een en ander uit te leggen heeft, vrouwe Gwendolyn!’
HOOFDSTUK 34
Nadat Will de paarden had afgezadeld en verzorgd bracht hij hen naar Malcoms kleine stal. De heelmeester nodigde Xander en Will daarna uit voor een late maaltijd.
Het werd een tamelijk zwijgzame aangelegenheid, ondanks het feit dat Malcolm een goede gastheer was en zijn best deed om zijn gasten tot een gesprek te verleiden. Maar het was overduidelijk dat Xander zich nog te veel zorgen maakte over zijn baas. Hij stond steeds op om naar hem te gaan kijken.
‘Hij wordt heus wel beter, ik beloof het je,’ zei Malcolm toen hij voor de vijfde keer van tafel was gegaan.
Xander bleef staan bij de deur die naar het vertrek leidde waar Orman rustig lag te slapen. ‘Dat zegt u.’ En hij ging toch naar binnen om te controleren of Orman nog ademhaalde.
Malcolm moest glimlachen. ‘Dat is echt een mannetje met lef, nietwaar?’ zei hij. ‘Zelfs toen hij nog dacht dat ik een tovenaar was durfde hij zich tegen me te verzetten. Ik hoop maar dat Orman beseft wat een bijzondere bediende hij daar heeft.’
Maar Will was diep in gedachten verzonken en gaf geen antwoord. Malcolm keek hem scherp aan. ‘Vind je het eten niet lekker?’ vroeg hij.
Will mompelde iets onverstaanbaars terug.
Malcolm fronste. ‘We eten hier maar heel gewoontjes natuurlijk. Maar het is allemaal gezond. We verbouwen het zelf en ook de wijn maken we zelf — van pompoenen.’
Weer mompelde Will wat bevestigende geluiden, nog steeds in gedachten verzonken. Malcolm praatte gewoon verder, maar nu met een lichte irritatie in zijn stem. ‘En soms springt er natuurlijk wel eens een beer door het raam, midden op de eettafel. En ooit heeft een kwaaie heks de soep in de fik gestoken, maar verder gebeurt er niet zoveel hier aan tafel.’
‘Mmm?’ antwoordde Will weer, en na een paar seconden pas merkte hij dat Malcolm hem strak zat aan te kijken. Schuldig keek hij naar zijn gastheer. ‘Het spijt me — wat zei u net?’
Malcolm zuchtte eens diep. Eindelijk had hij de aandacht van de jonge Jager weten te trekken.
‘Ja,’ zei hij, ‘Je was inderdaad elders vrees ik. Ik zit hier maar te praten en alles wat ik terugkrijg is “hmm” en “uh-oh”. En ik hoopte nog wel op een interessant en amusant gesprek. Voor de verandering.’
Will verontschuldigde zich. ‘Het spijt me. Maar ik maak me nogal zorgen.’
‘Misschien is het een idee om erover te praten? Ik kan best goed luisteren, zul je merken. Het is altijd goed om de mening van een ander te horen.’
Will knikte dankbaar. Hij was getraind als Grijze Jager, en dat betekende vooral veel dingen alleen oplossen en dingen alleen doen. Maar soms, wist hij, was het best nuttig om een ander om raad te vragen.
‘Ten eerste,’ zei hij, ‘begrijp ik niet hoe die Buttel hier ineens kon opduiken.’
‘Dat is de man die je in het kasteel gezien hebt — net voordat Orman je bij zich liet komen?’
Will knikte. ‘Inderdaad. Maar die kerel zou eigenlijk honderden kilometers hier vandaan moeten zijn. Ik heb hem aan een schip vol Skandiers meegegeven, als slaaf.’
Daar had Malcolm niet van terug. ‘Wat zeg je? Meegegeven?’
Will knikte ernstig. ‘Hem verkopen kon niet — dat was tegen de wet geweest!’
Waarop Malcolm heftig knikte. ‘Ja, natuurlijk. Het was veel netter om hem dan maar mee te geven, dat begrijp ik!’ Malcolm wachtte even om te zien of Will daarop zou reageren. Maar dat deed hij niet.
Deze jongeman heeft inderdaad veel om zich zorgen over te maken, dacht Malcolm. En hij zei: ‘Misschien zijn die Skandische vrienden van je weer aan wal gegaan. Ik zal eens navragen of iemand hier in de buurt Skandiers gezien heeft de laatste tijd. Mijn vriendjes lopen wat af hier in de streek en het woud, en er is weinig wat aan hun aandacht ontsnapt. Ze zijn tegenwoordig heel goed in het zien zonder gezien te worden.’
‘Maar we zijn hier een heel eind van de zee,’ twijfelde Will.
Malcolm knikte. ‘Dat is waar, wel een kilometer of tachtig. Maar de rivier de Oosel loopt hier niet zo ver vandaan, en die gaat van de kust recht hierheen. En als je in dit seizoen ergens aan land komt, dan wil je wel zorgen dat je een plek opzoekt waar je een beetje beschermd bent tegen de stormen die de oostkust teisteren. Maar natuurlijk,’ hij veranderde het onderwerp, ‘natuurlijk is het eigenlijk interessanter om uit te vinden wat hij hier doet, dan hoe hij hier gekomen is.’
‘Nou, hoe dan ook, het kan niet veel goeds betekenen,’ zei Will. ‘De man is een bandiet en waarschijnlijk ook een moordenaar. Ik ben enorm benauwd bij het idee dat Alyss nog in het kasteel is, met hem daar. Ze is in groot gevaar, dat weet ik zeker.’
‘Maar misschien heeft hij haar niet herkend,’ suggereerde Malcolm. ‘Uit wat je me verteld hebt concludeer ik dat ze er nu wel heel anders uit zal zien dan toen.’
Will schudde vertwijfeld zijn hoofd. ‘Weet je wat het probleem is, ze is zo lang. Er zijn maar heel weinig meisjes die even groot zijn als Alyss, en daarom valt ze altijd nogal op. Ik kan het risico niet nemen dat hij haar al herkend heeft.’
Hij draaide zich om toen hij hoorde hoe de deur naar Ormans kamer zachtjes dichtgetrokken werd. Xander kwam terug van zijn laatste bezoekje aan zijn meester. De kleine secretaris hoorde Wills laatste woorden. Hij voelde zich een beetje schuldig, omdat hij niet meer in de gelegenheid geweest was om Wills waarschuwing aan het meisje door te geven.
‘Als hij haar herkend heeft, dan moet je uit zien te vinden waar ze haar gevangen houden,’ merkte hij op. ‘Ze laten haar dan vast niet in dat luxe appartement zitten.’
‘Waar ze haar ook hebben, ik moet haar eruit halen,’ zei Will vastbesloten. Malcolm keek hem weifelend
