aan. ‘Wat ben je dan van plan? Gewoon naar binnen lopen om haar mee te nemen?’
Will keek hem zonder met zijn ogen te knipperen aan. ‘Ik heb zo mijn methodes.’
Malcolm zag de vastberadenheid in zijn ogen, en besefte dat hij tegenover een wel heel capabele jongeman zat te eten. Zelfs al woonde hij al jaren als een kluizenaar in zijn bos, dat betekende niet dat Malcolm niet op de hoogte bleef van wat er elders in het rijk gebeurde. En hij had genoeg verhalen gehoord over die mysterieuze Grijze Jagers. Hij had die verhalen eigenlijk altijd met een korreltje zout genomen — de mensen overdreven zo graag! Maar nu dacht hij dat ze misschien toch wel dichter bij de waarheid waren geweest dan hij had kunnen denken. Hij wreef over zijn slordige baard.
Xander ging weer aan tafel zitten en begon te eten, met meer smaak dan daarvoor. Malcolm zag het.
‘Ik neem aan dat het allemaal goed gaat met heer Orman?’
Xander knikte met zijn mond vol. ‘Hij ligt lekker te slapen,’ antwoordde hij. En keek toen een beetje schuldig. ‘Dank u wel, voor al uw inspanningen,’ zei hij schuldbewust. Malcolm haalde bescheiden zijn schouders op. Xander wendde zich tot Will.
‘Als je weer het kasteel in wilt komen,’ zei hij, ‘dan kun je wel wat informatie gebruiken.’ Ook hij wist het een en ander over de Jagers, en hij twijfelde er niet aan dat Will Macindaw binnen zou kunnen glippen.
Will keek hem dankbaar en geinteresseerd aan. ‘Ik neem aan dat als ze haar ontmaskerd hebben, zij haar in de kerkers zullen gooien. Ik neem tenminste aan dat er kerkers zijn in Macindaw?’
‘Jazeker,’ bevestigde Xander. ‘Maar om deze tijd van het jaar staan die meestal onder water. Ik wed dat als ze haar hebben opgesloten, het in de torenkamer is. Die is helemaal boven in de donjon — en het is heel wat moeilijker om daar te komen dan in de kerkers. Er is maar een trap — en die kun je dus eenvoudig bewaken.’
Will dacht hier even over na. Ja, dat leek inderdaad heel waarschijnlijk. Er waren altijd meerdere manieren om in een kerker te komen. Maar in een torenkamer — dat was een heel ander probleem.
‘Misschien is het verstandiger om er maar op te hopen dat je vriendin niet herkend is?’ vroeg Malcolm.
Maar Will schudde zijn hoofd al voordat de heelmeester uitgesproken was. ‘Nee,’ zei hij vastbesloten. ‘Ik ga haar uit het kasteel bevrijden. En wel vanavond nog.’
‘Maar hoe dan?’ vroeg Malcolm. ‘Wees nou verstandig. Je hebt een heel leger nodig om je door de donjon naar boven te vechten, over die trap.’
‘Maar ik ga die trap helemaal niet gebruiken!’ verklaarde Will.
Hij hield Trek in, juist voordat ze een heuvelrand over gingen die hen vanuit het kasteel gezien aan het oog onttrok. Xander en Malcolm lieten hun paarden ook halt houden. Malcolm reed op een gezette witte merrie, die eerder op vriendelijkheid dan op snelheid gefokt leek. Stel dat ze op een gegeven moment zouden moeten vluchten, dan zou de heelmeester misschien nog beter zelf kunnen rennen.
‘We laten de paarden hier,’ zei hij. ‘Als we verder rijden vallen we te veel op.’ Ze stegen dus af en Xander bond zijn eigen paard en dat van Malcom vast aan een boompje. Hij keek vragend naar Trek, en Will schudde van nee.
‘Niet nodig!’ zei hij. Trek zou gewoon blijven staan waar hij hem neerzette. Maar als de nood aan de man was, en Will floot een bepaald deuntje, dan zou Trek hem komen halen. En als die situatie zich voordeed wilde Will dus niet dat zijn paardje ergens vastgebonden zou staan. Hij klopte het beestje liefkozend op de neus en kreeg als beloning een zachte hinnik terug.
Pas maar op jij, alsjeblieft!, leek het paard hem te zeggen. Will dacht wel vaker dat Trek van mening was dat zijn meester alleen geen gevaar liep als hij in de buurt was.
‘Wat ben je toch een zorgenmaker.’ Hij glimlachte naar zijn rijdier. Daarna sloeg hij zijn mantel om zich heen en ging op pad, op een paar passen gevolgd door Malcolm en Xander. Geen van beiden had er bezwaar tegen dat hij de leiding nam. In dit soort dingen was hij veel bedrevener dan zij.
Will ging boven aan de helling op zijn hurken zitten, en zijn twee metgezellen deden het hem puffend na. De donkere massa van kasteel Macindaw lag voor hen, nauwelijks honderdvijftig meter verderop. Vele jaren geleden al waren alle bomen tussen de heuvelrand en het kasteel gerooid, er stonden nu alleen nog wat struiken. De bewoners van het kasteel zouden een aanvaller van veraf kunnen zien aankomen. En zo was het aan alle kanten, behalve in het westen, waar het dichte bos tot een meter of vijftig van het kasteel reikte. Maar daar was de begroeiing zo dicht, dat het voor een vijandelijk leger ondoenlijk zou zijn om daar snel of bij verrassing aan te vallen. De bouwers van het kasteel hadden het dus maar zo gelaten.
Op een knie bestudeerde Will het donkere kasteel. Het was een automatisme voor hem om als hij een heuvel overtrok laag bij de grond te blijven, zelfs al was er weinig reden om te vrezen dat zijn silhouet zichtbaar zou zijn. De muren van het kasteel reikten hoger dan de zandbult waar ze op stonden, dus eventuele kijkers zouden naar de bosrand achter hem kijken, en niet de lucht zien. Het was door de sneeuw wel veel lichter dan Will prettig vond. Maar hij was ervan overtuigd dat hij zonder gezien te worden de kasteelmuren kon bereiken. Maar of dat voor Malcolm en Xander ook gold…
‘Hier blijven jullie op ons wachten,’ zei hij fluisterend.
Xander knikte dat hij het begreep. ‘Ik zal je niet tegenspreken, hoor,’ zei hij. Hij hurkte naast Will en keek tussen half dichtgeknepen oogleden naar het gebouw. ‘Daar,’ zei hij toen. ‘Zie je dat lichtje, boven in de donjontoren?’
Will volgde de richting die zijn uitgestrekte arm wees. De donjon was hier nog steeds het centrale deel van het kasteel, hoger dan de vier hoektorens van de veel later gebouwde verdedigingsmuren. Helemaal bovenin werd de donjon steeds smaller, tot er uiteindelijk waarschijnlijk maar een vertrek overbleef, een flinke kamer met een soort richel eromheen. Dat maakte het in elk geval iets gemakkelijker, dacht Will. Hij zag daar in dat stuk een vaag vierkant met geel licht. Dat moest een raam zijn. Ook op andere verdiepingen van de donjon kon je her en der een verlicht raam zien. Er waren dus nog andere kamers bewoond.
‘En daarboven, dat is de torencel?’ vroeg hij en Xander knikte bevestigend.
‘De hoogste kamer van de toren,’ zei hij. ‘En ik weet haast zeker dat ze daar je vriendin hebben opgesloten. In elk geval was er vanochtend nog niemand. En nu is er licht.’
‘En je zei dat er ijzeren stangen voor dat raam zitten?’ vroeg Malcolm. Xander draaide zich om. Will kreeg voor de zoveelste keer het idee dat Xander de man achter hen nog steeds niet helemaal vertrouwde.
‘Ja, anders was het geen gevangenis, natuurlijk,’ antwoordde hij.
Malcolm keek hem even aan, maar besloot dat hij net zou doen alsof het sarcasme hem was ontgaan. ‘Zijn die verticaal of horizontaal?’ vroeg hij verder. ‘Of is het een raster?’
‘Verticaal,’ antwoordde Xander. ‘Van ijzer, en met cement in de steen vastgezet.’
Will beet op zijn onderlip. Xander had die stangen al eerder gemeld, en hij had een vijl bij zich om ze door te zagen. Dat zou even duren, en veel lawaai maken, maar hij wist er geen andere oplossing voor. Maar Malcolm blijkbaar wel. Hij kreunde vanwege zijn ongemakkelijke positie en pijnlijke knieen, en schuifelde toen naar Will. Voorzichtig gaf hij hem een fles in een leren foedraal.
‘Hier,’ zei hij, ‘Pak dit aan, maar wees in ’s hemelsnaam voorzichtig.’
‘Wat is dat?’ vroeg Will wantrouwig. Na de waarschuwende woorden had hij eigenlijk geen zin de fles over te nemen, voordat hij wist waar deze voor diende. Je wist maar nooit met mensen als Malcolm — straks ontplofte het ding in zijn handen. En dan was er van hem niet veel meer over.
Malcolm zuchtte. ‘Het is een heel sterk zuur,’ antwoordde hij, ‘maar verder is het niet gevaarlijk, hoor.’
‘Als het zo ongevaarlijk is, waarom moet hij er dan verdorie voorzichtig mee zijn?’ vroeg Xander enigszins geirriteerd. Bij de laatste woorden deed hij Malcolm duidelijk na.
‘Ik bedoel,’ zei Malcolm, ‘dat het niet gevaarlijk is als je er voorzichtig mee omspringt.’
‘Maar dan is het helemaal niet…’ begon Xander, maar nu was het de beurt van Will om geirriteerd te raken.
‘Hou nou eens op met kibbelen, jullie twee,’ zei hij, en vroeg aan Malcolm: ‘Wat moet ik met dat zuur?’
De heelmeester leek eerst nog een vuile opmerking richting de secretaris te willen maken, maar hij bedacht zich toen hij de blik van Will opving. Hij besloot de man maar te negeren.
‘Het kan in vijf minuten zo’n ijzeren stang doorbijten,’ zei hij eenvoudig. ‘Je moet een gaatje maken in het cement onderaan de stang, en dan giet je er wat van dit goedje in. Dat vreet dan aan het ijzer — en waarschijnlijk ook aan het cement. Je blijft het er gewoon in gieten terwijl het zijn werk doet — maar zorg wel dat het niet aan je handen komt.’
‘O, wees maar niet bang, daar zorg ik wel voor,’ zei Will terwijl hij met de nodige twijfel naar die
