voort. Hij haalde de schouders op en verliet de Zaal der Schilderingen. Ze zou hem geen water geven. Hij zou trouwens de weg naar de schatkamer toch nooit vinden. De reeks aanwijzingen wasvoor hem te lang om te kunnen onthouden; en dan was er ook nog de Valkuil, vooropgezet dat hij zover kwam. Nu had hij geen licht.

Hij zou de weg kwijtraken en uiteindelijk neervallen om ergens in die enge, holle, droge gangen te sterven. En Manan zou hem daar vinden en naar buiten slepen. En dat was dan het einde. Arha klemde de tegel van het kijkgat in haar beide handen en haar neergehurkte lichaam schokte heen en weer, heen en weer; zij beet haar lippen stuk als vocht zij tegen een ondraaglijke pijn. Zij zou hem geen druppel water brengen. Zij zou hem geen druppel water brengen. Zij zou hem de dood brengen, dood, dood, dood, dood.

In dat donkere uur van haar leven trof Kossil haar aan, toen zij met zware schreden de schatkamer binnenkwam, haar logge lichaam gehuld in zwarte winterkleren.

‘Is de man al dood?’ Arha hief het hoofd op. Er stonden geen tranen in haar ogen; er viel niets te verbergen.

‘Ik denk van wel,’ zei ze, stond op en veegde haar kleren af. ‘Het licht is uitgegaan.’

‘Het kan een list zijn. De ziellozen zijn uiterst sluw.’

‘Ik zal een dag wachten om zekerheid te krijgen.’

‘Ja, of twee dagen. Duby kan dan naar beneden gaan en hem naar buiten slepen. Hij is sterker dan die oude Manan.’

‘Maar Manan is een dienaar der Naamlozen, en Duby niet. Er zijn plaatsen in het Labyrint waar Duby niet mag komen en in een daarvan bevindt zich de dief.’

‘Maar dan is het toch reeds bezoedeld…’

‘Het zal gereinigd worden doordat hij er sterft.’ zei Arha. Zij kon aan Kossils gezicht zien dat er een vreemde uitdrukking moest liggen op dat van haarzelf.

‘Dit is mijn gebied, priesteres. Ik moet er zorg voor dragen zoals mijn Meesters mij hebben opgedragen. Belering hoe ik iemand ter dood moet brengen heb ik niet meer nodig.’

Kossils gezicht scheen zich terug te trekken in de zwarte kap als de kop van een woestijnschildpad onder zijn schild, trots, traag en kil. ’ Heel goed, gebiedster.’

Bij het altaar der Broedergoden gingen zij uiteen. Arha ging naar het Kleine Huis, nu zonder zich te haasten, en droeg Manan op haar te vergezellen. Sinds zij met Kossil gesproken had wist zij wat haar te doen stond.

Samen met Manan ging zij de heuvel op naar de Hal van de Troon en daalde af in de Onderkrocht. Met vereende krachten drukten zij de lange hefboom omlaag en openden de ijzeren deur naar het Labyrint. Toen ontstaken zij hun lantarens en gingen naar binnen. Arha sloeg de weg in naar de Zaal de Schilderingen en vandaar naar de Grote Schatkamer.

De dief was niet ver gekomen. Zij en Manan hadden hun kronkelige pad nog geen vijfhonderd passen gevolgd toen zij hem aantroffen, ineengezakt in de nauwe gang als een hoop weggeworpen lompen. Zijn staf was hem uit de hand gevallen en lag een eindje van hem vandaan. Zijn mond zat vol bloed en zijn ogen waren half gesloten.

‘Hij leeft nog,’ zei Manan die was neergeknield en zijn grote gele hand op de donkere keel gelegd had om de polsslag te voelen. ‘Zal ik hem worgen, gebiedster?’

‘Nee, ik wil hem levend in handen hebben. Neem hem op en draag hem achter me aan.’

‘Levend?’ zei Manan in opperste verwarring. ‘Waarom, kleine gebiedster?’

‘Opdat hij een slaaf wordt van de Tomben. Hou nu je mond en doe wat ik zeg.’

Met een nog treuriger gezicht dan anders gehoorzaamde Manan en hees met inspanning van al zijn krachten de jonge man opzijn schouders als was hij een grote zak stro. Aldus beladen strompelde hij achter Arha aan. Hij hield het onder die last echter niet lang vol en op de terugweg moesten ze een keer of twaalf stilhouden om Manan weer op adem te laten komen. En iedere keer was de aanblik van de gang hetzelfde: grauwe-gele stenen die nauw aaneengevoegd omhoog rezen tot een gewelf, een hobbelige rotsige vloer, verschaalde lucht; Manan zuchtend en steunend, de vreemdeling roerloos, de matte vlam van de twee lantarens waarvan het schijnsel naar beide kanten wegebde in het duister van de gang. Telkens als zij bleven staan, druppelde Arha uit de fles die zij had meegebracht, een weinig water in de uitgedroogde mond van de man, telkens een beetje opdat de terugkeer van het leven hem niet zou doen sterven.

‘Naar de Zaal der Ketenen?’ vroeg Manan toen ze de gang naar de ijzeren deur bereikt hadden. En pas op dat moment begon Arha na te denken over de plaats waar zij deze gevangene heen zou brengen. Zij wist het niet.

‘Nee, daarheen niet,’ zei ze omdat ze als altijd misselijk werd bij de gedachte aan de rook en de stank en de sprakeloze, blinde gezichten achter de warrige haarslierten. En wie weet zou Kossil naar de Zaal der Ketenen gaan.

‘Hij... hij moet in het Labyrint blijven zodat hij zijn toverkracht niet herkrijgt. Is er niet ergens een zaal...?’

‘De Zaal der Schilderingen heeft een deur met een grendel, en een kijkgat, gebiedster. Als de deuren veilig voor hem zijn...’

‘Daar beneden heeft hij geen macht. Breng hem erheen, Manan.’

En zo zeulde Manan hem de halve weg terug die zij gekomen waren, te afgemat en ademloos om te protesteren. Toen zij tenslotte de Zaal der Schilderingen bereikten, deed Arha haar lange wintermantel van zware wol af en legde hem op de stoffige vloer. ‘Leg hem daar maar op,’ zei ze.

Manan staarde haar met droefgeestige ontsteltenis aan en zei amechtig: ‘Kleine gebiedster…’

‘Ik wil dat de man blijft leven, Manan. Hij zal hier van kou sterven; kijk maar hoe hij ligt te rillen.’

‘Uw kleed zal bezoedeld worden. Het kleed van de Priesteres. Hij is een ongelovige, een man,’ stamelde Manan als in pijn de kleine oogjes samenknijpend.

‘Dan zal ik de mantel verbranden en een nieuwe laten weven. Schiet op, Manan.’

Gehoorzaam bukte hij zich en liet de gevangene van zijn rug op de zwarte mantel glijden. De man lag doodstil, maar het bloed klopte zwaar in zijn keel en zo nu en dan doorvoer een krampachtige huivering het liggende lichaam.

‘U doet er verstandig aan hem te ketenen,’ zei Manan. ‘Ziet hij er zo gevaarlijk uit?’ vroeg Arha schamper. Maar toen Manan haar wees op een klamp in de stenen muur waaraan de gevangene kon worden vastgeketend, beval zij hem uit de Zaal der Ketenen een boei en een ketting te gaan halen. Halfluid de aanwijzingen mompelend stommelde hij de gangen door; hij had de weg van hier naar de Zaal der Schilderingen al eerder afgelegd, maar nooit alleen.

In het licht van de enig overgebleven lantaren leken de schilderingen op de wanden zich te bewegen en scheen er trillend leven te komen in de onbeholpen mensenfiguren met hun grote afhangende vleugels, die er in tijdloze somberheid stonden of neerhurkten. Zij knielde neer en liet een beetje water druppelen in de mond van de gevangene. Na een tijdje begon hij te kuchen en reikte met krachtloze handen naar de fles. Zij liet hem drinken. Hij lag op de rug en zijn gezicht was kletsnat en besmeurd met stof en bloed; hij mompelde iets, een paar woorden in een taal die zij niet verstond.

Eindelijk kwam Manan terug; hij sleepte een lange sliert ijzeren schakels achter zich aan, een groot hangslot met sleutel en een ijzeren ring die om het middel van de gevangene paste en dichtgeklemd kon worden. ‘Het zit niet strak genoeg, hij kan er zich uitwringen,’ bromde hij terwijl hij de laatste schakel aan de ring in de muur bevestigde.

‘Nee, kijk maar.’ Minder bevreesd voor haar gevangene dan straks, liet Arha zien dat zij haar hand niet tussen de ijzeren ring en de ribben van de man kon krijgen. ‘Behalve wanneer hij langer dan vier dagen honger moet lijden.’

‘Kleine gebiedster,’ zei Manan klaaglijk, ‘ik wil niet lastig zijn, maar… wat voor zin heeft het hem een slaaf der Naamlozen te maken? Hij is een man, kleintje.’

‘En jij een dwaze oude vent, Manan. Schiet op en doe niet zo zenuwachtig.’

De gevangene keek naar hen met van uitputting schitterende ogen.

‘Waar is zijn staf, Manan? o daar, die neem ik mee; hij bezit toverkracht. Ja, en dat hier, dat neem ik ook mee.’Met een snelle beweging graaide zij naar de zilveren ketting die boven de hals van de tuniek zichtbaar was, en trok hem over het hoofd van de gevangene die haar poogde tegen te houden door haar arm te grijpen. Manan gaf hem een schop. Ze slierde de ketting over hem heen, buiten zijn bereik. ‘Is dat je talisman, tovenaar? Hecht je er veel waarde aan? Hij ziet er niet erg indrukwekkend uit; kon je je geen betere veroorloven? Ik zal hem goed

Вы читаете De tomben van Atuan
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату