voor je bewaren.’ Ze deed de ketting om haar eigen hals en verborg de hanger onder de zware kraag van haar wollen gewaad. ‘U weet niet waar hij voor dient,’ zei hij. Zijn stem was schor en hij sprak de woorden van de Kargse taal niet al te best uit; toch was hij goed te verstaan. Weer gaf Manan hem een schop en hij kreunde even van pijn en sloot de ogen. ‘Laat hem, Manan. Kom mee.’

Ze verliet de zaal. Manan liep haar mopperend achterna. Die avond liep zij, toen alle lichten van de Plaats gedoofd waren, alleen opnieuw de heuvel op. Ze vulde haar waterfles aan de bron in de kamer achter de Troon en nam het water en een grote, platte koek van ongedesemd boekweit mee naar de Zaal der Schilderingen in het Labyrint. Zij zette ze juist binnen bereik van de gevangene neer, vlakbij de deur. Hij sliep en verroerde zich niet. Zij keerde terug naar het Kleine Huis en sliep die nacht lang en vast.

Vroeg in de middag ging ze opnieuw alleen naar het Labyrint. Het brood was weg, de fles was leeg en de gevangene zat overeind met zijn rug tegen de wand. Zijn gezicht zag er nog steeds afschuwelijk uit, smerig en vol korsten, maar in zijn ogen lag een oplettende blik.

Zij stond aan de andere kant van de zaal waar hij, omdat hij geketend was, niet bij haar kon komen, en keek naar hem. Toen wendde ze haar blik af. Er was niets bijzonders aan hem te zien. Om een of andere reden durfde zij niet te spreken. Haar hart bonsde alsof ze bang was. Er was geen grond om bang voor hem te zijn. Hij was geheel in haar macht.

‘Het is prettig weer licht te zien,’ zei hij met een zachte, diepe stem die haar onzeker maakte.

‘Hoe heet je?’ vroeg ze kortaf. Ze realiseerde zich dat haar eigen stem ongewoon hoog en iel klonk. ‘Men noemt mij meestal Sperwer.’

‘Sperwer? Is dat je naam?’

‘Nee.’

‘Wat is dan je naam?’

‘Dat kan ik u niet zeggen. Bent u de Ene Priesteres der Tomben?’

‘Ja.’

‘Hoe heet u?’

‘Men noemt mij Arha.’

‘Zij die verslonden is… Is dat niet wat die naam betekent?’ Zijn donkere ogen keken haar gespannen aan. Hij lachte even. ‘Wat is uw naam?’

‘Ik heb geen naam. Je hebt niets te vragen. Waar kom je vandaan?’

‘Uit de Binnenste Landen, het Westen.’

‘Uit Havnor?’

Het was de enige naam van een stad of eiland uit de Binnenste Landen die zij kende. ‘Ja, uit Havnor.’

‘Waarom ben je hierheen gekomen?’

‘De Tomben van Atuan zijn beroemd bij mijn volk.’

‘Maar je bent een heiligschenner, een ongelovige.’ Hij schudde het hoofd. ‘O nee, Priesteres. Ik geloof in de machten van de duisternis. Ik ken de Naamlozen van andere plaatsen.’

‘Welke andere plaatsen?’

‘Er zijn in de Archipel, de Binnenste Landen, nog andere plaatsen die net als deze toebehoren aan de Oude Machten der Aarde. Maar geen is zo groot als deze hier. Nergens elders hebben zij een tempel en een priesteres, of valt hun een verering ten deel als hier.’

‘Je kwam ze hier dus vereren,’ zei ze spottend. ‘Ik kwam ze beroven,’ zei hij. Ze staarde in zijn ernstig gelaat. ‘Snoever.’

‘Ik wist dat het niet gemakkelijk zou gaan.’

‘Gemakkelijk. Het is onmogelijk. Dat zou je weten, als je niet een ongelovige was. De Naamlozen waken over wat hen toebehoort.’

‘Wat ik zoek behoort hen niet toe.’

‘Het behoort jou toe, neem ik aan.’

‘Ik maak er aanspraak op.’

‘Wat ben je dan… een godheid? een koning?’ Ze nam hem van onder tot boven op zoals hij daar zat, geboeid, smerig, uitgeput. ‘Je bent alleen maar een dief.’ Hij zei niets, maar zijn blik ontmoette de hare. ‘Je mag mij niet aankijken,’ zei ze met schrille stem. ‘Vrouwe,’ zei hij, ‘ik wil u niet beledigen. Ik ben een vreemdeling en een indringer. Ik ken uw zeden niet, noch de eerbewijzen die men de Priesteres der Tomben verschuldigd is. Ik ben aan uw genade overgeleverd en vraag vergeving als ik u heb beledigd.’ Zij zweeg en voelde het bloed in een oogwenk opstijgen naar haar wangen, heet en dwaas. Maar hij keek haar niet aan en zag dus haar blos niet. Hij had gehoorzaam zijn donkere ogen afgewend.

Een tijdlang spraken zij geen van beiden. De geschilderde figuren rondom hen keken toe met droeve, blinde ogen. Zij had een stenen water kruik meegebracht. Zijn ogen zwierven voortdurend die kant uit en na een tijdje zei ze: ‘Drink maar, als je wilt.’

Hij schoof meteen naar de kruik toe, hief haar op als was zij even licht als een wijnkroes en nam een lange, lange teug. Dan maakte hij een stuk van zijn mouw nat en veegde zo goed enzo kwaad als het ging het vuil, de bloedklonters en spinnewebben van zijn gezicht en handen. Hij was hier geruime tijd mee bezig en het meisje sloeg hem gade. Toen hij klaar was zag hij er toonbaarder uit, maar zijn poezewas had op een kant van zijn gezicht littekens zichtbaar gemaakt: oude, reeds lang geheelde littekens die wit afstaken tegen zijn donkere huid; vier schrammen liepen naast elkaar van zijn oog tot zijn kaak, als waren zij ingekerfd door de nagels van een reusachtige klauw. ‘Wat is dat?’ zei ze. ‘Dat litteken?’ Hij gaf niet meteen antwoord.

‘Een draak?’ vroeg ze in een poging hem te bespotten. Was ze niet hierheen gekomen om met haar slachtoffer de draak te steken, hem te folteren met zijn hulpeloosheid? ‘Nee, niet een draak.’

‘Dan ben je in ieder geval geen drakendwinger.’

‘Toch,’ zei hij met kennelijke tegenzin. ‘Ik ben wel een drakendwinger. Maar die littekens had ik al eerder. Ik heb u verteld dat ik al vaker de Machten der Duisternis ontmoet heb, in andere delen van de aarde. Hier op mijn gelaat staat het merkteken van een wezen dat verwant was met de Naamlozen, maar niet langer naamloos is, want uiteindelijk ben ik zijn naam te weten gekomen.’

‘Hoe bedoel je? Wat was die naam?

‘Dat kan ik u niet zeggen,’ antwoordde hij en glimlachte, hoewel zijn blik ernstig bleef.

‘Het is alles onzin, ouwewijvepraat, heiligschennis. Zij zijn de Naamlozen. Je weet niet over wie je spreekt.’

‘Ik weet dat zelfs beter dan gij, Priesteres,’ zei hij en zijn stem klonk nog dieper dan tevoren. ‘Kijk.’ Hij wendde het hoofd zodat zij de vier afschuwelijke merktekens op zijn gezicht wel zien moest.

‘Ik geloof je niet,’ zei ze, maar haar stem beefde. ‘Priesteres,’ zei hij vriendelijk, ‘u bent nog jong; U kunt nog niet erg lang de dienares der Duisteren zijn.’

‘Toch wel. Zeer lang reeds. Ik ben de Eerste Priesteres, de Herborene. Ik dien mijn meesters al duizend jaar en duizend jaar nog daarvoor. Ik ben hun dienares en hun stem en hun handen. En ik ben hun wraak over degenen die de Tomben bezoedelen en neerzien op wat niet gezien mag worden. Hou op met liegen en snoeven; zie je dan niet dat een woord van mij de wacht hierheen roept om je het hoofd af te slaan? En als ik wegga en deze deur sluit, dan zal niemand hier ooit meer komen en jij zult in het donker sterven en zij die ik dien, zullen je lichaam verslinden en je ziel verslinden en hier in het stof alleen je gebeente achterlaten.’ Hij knikte rustig.

Ze begon verward te stotteren en omdat ze niets meer te zeggen wist, stormde ze de zaal uit en grendelde de deur achter zich toe met een luide klap. Laat hem maar in de waan dat ze niet terugkwamn. Laat hem het angstzweet maar uitbreken daar in het donker, laat hem vloeken, sidderen en zijn dwaze, nutteloze spreuken proberen te weven.

Maar met de ogen van haar geest zag zij hem uitgestrekt op de grond liggen slapen zoals zij hem gezien had bij de ijzeren deur, vredig als een lam op een zonbeschenen weide. Zij spuwde tegen de gesloten deur en maakte het teken dat iedere bezoedeling verre houdt; toen rende ze bijna terug naar de Onderkrocht.

Toen zij op weg naar het valluik in de Hal langs de wand tastte, streken haar vingers over de sierlijke vormen en arabesken die als kantwerk van ijskristallen de rotswand bedekten. Een hevig verlangen welde in haar op de lantaren aan te steken om nog eenmaal, maar heel even, te kijken naar de tijddoorgroefde stenen, het lieflijk fonkelen der wanden. Zij kneep haar ogen stijf dicht en ijlde verder.

Вы читаете De tomben van Atuan
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату