De grote schatkamer
Nooit hadden haar de dagelijkse riten en verplichtingen zo talrijk geleken, zo onbeduidend en zo lang. De meisjes met hun bleke gezichtjes en hun schuwe manier van doen, de rusteloze novicen, de priesteressen met hun strenge, koele ogen, maar een leven dat een groot wespennest was van heimelijke jaloezie en verkropte ellende, van kleine intriges en gefrustreerde hartstochten — al deze vrouwen in wier midden zij altijd vertoefd had, leken haar nu even saai als meelijwekkend.
Maar zij, de dienares van grote machten, zij, de priesteres van een onverbiddelijke Nacht, stond mijlenver boven dit kleinzielige gedoe. Zij stond geheel en al buiten de schrijnende banaliteit van hun levenswijze, dagen wier enig lichtpunt meestentijds hierin bestond dat je een vollere schep schapevet over je bonen kreeg dan je buurvrouw. Zij stond buiten alle dagen. Onder de grond waren er geen dagen; daar was altijd en eeuwig enkel maar nacht. En in die eindeloze nacht: de gevangene; de man met een donkere huid die een duistere kunst beoefende, die geboeid in ijzer en gekerkerd in steen op haar lag te wachten; of zij komen zou of niet komen, of zij hem water zou brengen, brood, leven, dan wel een beulsmes, een bekken en de dood, net wat zij wilde.
Ze had met niemand dan Kossil over de man gesproken en Kossil had het aan niemand anders doorverteld. Hij was nu al drie dagen en nachten in de Zaal der Schilderingen en nog steeds had zij bij Arha niet naar hem gevraagd. Misschien nam ze aan dat hij al dood was en dat Manan op Arha’s bevel zijn lichaam naar de Zaal der Gebeenten had gebracht. Eigenlijk was het geen gewoonte van Kossil iets zomaar aan te nemen, maar Arha maakte zich wijs dat er in Kossils zwijgen niets vreemds stak. Kossil wilde altijd alles geheim houden en hield er niet van vragen te moeten stellen. En bovendien had Arha haar gezegd zich niet in haar zaken te mengen. Kossil deed niets anders dan gehoorzamen. Aangezien de man echter verondersteld werd dood te zijn, kon Arha niet om voedsel voor hem vragen. Dus stal ze wat appels en gedroogde uien uit de kelders van het Grote Huis en deed het voor de rest zelf maar zonder. Ze liet haar maaltijden naar het Kleine Huis brengen onder het voorwendsel dat ze alleen wenste te eten, en nam ze, behalve de soep, iedere avond mee naar de Zaal der Schilderingen in het Labyrint. Ze was een tot vier vastendagen achter elkaar gewend en merkte er dus nauwelijks iets van. De man in het Labyrint verorberde haar schrale porties brood, kaas en bonen als een pad doet met een vlieg: hap en weg. Het was duidelijk dat hij zulks nog wel vijf of zes keer had kunnen herhalen, maar hij bedankte haar steeds hoffelijk als was hij haar gast en was zij zijn gastvrouw tijdens een van die feestmaaltijden in het paleis van de Godkoning die, naar zij had horen vertellen, overvloeiden van geroosterd vlees, brood met boter en wijn in kristallen bokalen. Het was een vreemde man. ‘Hoe ziet het er daar eigenlijk uit in de Binnenste Landen?’ Ze had een klein ivoren vouwstoeltje mee naar beneden genomen zodat ze terwijl ze hem ondervroeg, niet voortdurend hoefde te blijven staan en evenmin genoodzaakt was tot zijn niveau af te dalen en op de grond te gaan zitten.
‘Er zijn daar veel eilanden. Vier maal veertig, zegt men, alleen al in de Archipel en dan zijn er ook de Ruimen nog. Niemand heeft ooit alle Ruimen bevaren, noch er de eilanden geteld. En ieder eiland is weer anders dan de overige. Maar het lieflijkste van allemaal is dacht ik toch wel Havnor, het grote land in het midden van de wereld. En midden in Havnor ligt aan een brede baai vol schepen de stad Havnor waarvan de torens opgetrokken zijn uit wit marmer. Ieder huis van een vorst of een koopman heeft een toren en zo steken zij de een naast de ander hun spitsen omhoog. De daken der huizen zijn bedekt met rode pannen en alle bruggen over de kanalen zijn versierd met mozaieken uit rode, blauwe en groene steentjes. En kleurig zijn ook de banieren van de vorsten die wapperen van de witte torens. Op de hoogste van al die torens staat het Zwaard van Erreth-Akbe dat met zijn spits naar de hemel wijst. Als de zon boven Havnor opgaat, treffen haar eerste stralen dat blad en doen het opflitsen, en als zij ondergaat, blijft dat Zwaard nog even in gouden glans boven de avond staan.’
‘Wie was Erreth-Akbe?’ vroeg zij sluw.
Hij keek haar aan en zei niets, maar grijnsde even. Dan zei hij als bedacht hij zich: ‘Inderdaad zult u hier maar weinig over hem gehoord hebben. Wellicht alleen maar zijn komst naar de Landen van Kargad. Wat is u over dat verhaal verteld?’
‘Dat hij hier zijn toverstaf verloor en zijn amulet en zijn macht, net als jij,’ antwoordde ze. ‘Hij ontkwam aan de handen van de Hogepriester en vluchtte naar het westen waar hij door draken gedood werd. Maar als hij hier naar de Tomben gekomen was, waren die draken helemaal niet nodig geweest.’
‘Best mogelijk,’ zei haar gevangene.
Zij wilde niet verder over Erreth-Akbe horen omdat ze voelde dat het een gevaarlijk onderwerp was. ‘Men zegt dat hij een drakendwinger was. En jij beweert er ook een te zijn. Vertel me eens, wat is een drakendwinger?’
Haar stem klonk altijd spottend, zijn antwoord altijd eerlijk en oprecht alsof hij haar vragen volkomen ernstig nam. ‘Een drakendwinger,’ zei hij, ‘is iemand met wie de draken zullen spreken; dat is althans de kern van de zaak. Het heeft niets te maken met het bedwingen van een draak, zoals de meeste mensen menen. Draken laten zich niet bedwingen. Bij een draak gaat het steeds om dezelfde vraag: praat hij met je of eet hij je op. Als je erop kunt rekenen dat hij het eerste doet en niet het laatste, nou, dan ben je een drakendwinger.’
‘Kunnen draken dan spreken?’
‘Nou en of. Zij spreken in de Oude Spraak, de taal die wij mensen ons zo moeilijk aanleren en zo gebrekkig gebruiken om ons web van toverspreuken te weven. Er is niemand die die taal helemaal kent, of ook maar voor een tiende deel. Je krijgt de tijd niet om haar te leren. Maar draken worden wel duizend jaar oud. U zult begrijpen dat het de moeite waard is met ze te praten.’
‘Zijn er hier op Atuan draken?’
‘Al vele eeuwen niet meer, denk ik, en evenmin op Karego-At. Maar naar men beweert, zijn er op uw meest noordelijke eiland, Hur-At-Hur, in het gebergte nog steeds grote draken. In de Binnenste Landen hebben zij zich thans helemaal teruggetrokken naar de uiterste westrand, naar de eenzaamheid van het Westruim en naar eilanden die door geen mensen bewoond en door weinigen bezocht worden. Als zij honger krijgen, gaan ze op strooptocht naar de landen ten oosten daarvan; maar dat komt nog slechts zelden voor. Ik ben op het eiland geweest waar zij voor hun dansen tezamen komen. Op hun machtige vlerken vliegen zij dan in spiralen omhoog, wijder en wijder, hoger en hoger boven de westelijke zee, als wervelende gele blaren in de herfstwind.’ Meegesleept door het visioen boorden zijn ogen zich door de zwarte schilderingen op de wand en door muren, aarde en duisternis heen, en zagen het water van de Open Zee eindeloos voortgolven naar de ondergaande zon en erboven de gouden draken op de gouden wind.
‘Je liegt,’ zei het meisje fel, ‘je maakt het mooier dan het is.’ Hij keek haar ontsteld aan. ‘Waarom zou ik liegen, Arha?’
‘Om me het gevoel te geven dat ik dom ben, dwaas en bang. Om jezelf omhoog te steken als een wijs, dapper en machtig man, als een drakendwinger en nog zo het een en ander. Jij hebt draken zien dansen en kent de torens van Havnor en jij weet alles overal van af. En ik weet helemaal niets en ben nooit ergens geweest. Maar alles wat jij weet, zijn leugens. Je bent alleen maar een dief en een gevangene, je hebt niet eens een ziel en je zult hier nooit meer wegkomen. Wat maakt het uit dat er oceanen zijn, en draken en witte torens en nog veel meer, als je ze nooit meer terug zult zien, nooit meer zelfs het zonlicht terug zult zien. Ik ken alleen maar de nacht, de duisternis onder de grond. En alleen dat bestaat werkelijk. Uiteindelijk is dat alles wat je hoeft te weten: de stilte en de duisternis. Jij weet alles, tovenaar, maar ik weet een ding, het ene ding dat waar is.’
Hij boog het hoofd. Zijn lange, koperbruine handen lagen rustig op zijn knieen. Zij zag het viervoudig litteken op zijn wang. Hij was dieper in het duister doorgedrongen dan zij; hij kende de dood beter dan zij, zelfs de dood... Een golf van haat jegens hem welde in haar omhoog en kneep haar een ogenblik de keel dicht. Waarom zat hij daar zo weerloos en zo sterk? Waarom kon zij hem niet klein krijgen?
‘En dit is waarom ik je in leven laat,’ zei ze plotseling en zonder er bij na te denken. ‘Ik wil dat je me laat zien hoe de tovenaars hun kunstgrepen uitvoeren. Zolang je me toverkunst kunt laten zien, blijf je in leven. Kun je dat niet en blijkt het allemaal bedrog en leugens, dan is het met je gedaan. Begrijp je dat?’
‘Ja.’
‘Goed. Ga je gang.’
Hij liet het hoofd een minuut lang in zijn handen rusten en nam een andere houding aan. De ijzeren gordel belette hem het zich echt gemakkelijk te maken, tenzij hij plat op de grond ging liggen.
Tenslotte hief hij het hoofd op en sprak met diepe ernst: ‘Luister, Arha. Ik ben een Wijze, wat men hier een tovenaar noemt. Ik beschik over zekere machten en kunstgrepen, dat is waar. Het is ook waar dat hier op de
