Plaats der Oude Machten, mijn kracht slechts zeer gering is en mijn kunst mij weinig baat biedt. Ik kan een waanspreuk voor u weven en allerhand wonderlijke zaken laten zien. Dat is het minst moeilijke deel van de toverkunst. Ik kon het al toen ik nog een kind was en ik kan het zelfs hier. Maar als u erin gelooft, zullen ze u angst aanjagen, en als die vrees overgaat in woede, zult u me misschien willen doden. En als u er niet in gelooft, en ze beschouwt als louter leugens en bedrog, dan verspeel ik, zoals u gezegd hebt, ook mijn leven. En op dit moment is het behoud van mijn leven mijn enig doel en verlangen.’ Ze moest erom lachen en zei: ‘O, in leven blijven zul je nog wel even, begrijp je dat niet? Wat stom van je. Vooruit, laat me die illusies zien. Ik weet dat het bedrog is en zal er niet bang voor zijn. Ik zou er trouwens ook niet bang voor zijn als ze echt waren. Voor de dag ermee. Voor vannacht is je kostbare huid in ieder geval veilig.’
Nu lachte hij zoals zij daarnet gedaan had. Zij kaatsten elkaar zijn leven toe als speelden zij met een bal. ‘Wat wilt u dat ik u laat zien.’
‘Wat kun je me laten zien?’
‘Wat u wilt.’
‘Bluf, niets dan bluf.’
‘Nee,’ zei hij, kennelijk wat geprikkeld. ‘Ik bluf niet. In ieder geval was dat niet mijn bedoeling.’
‘Laat me iets zien waarvan je denkt dat het de moeite loont. Wat je maar wilt.’
Hij boog het hoofd en keek naar zijn handen. Er gebeurde niets. De vetkaars in haar lantaren brandde met zwakke, gestage vlam. Vanaf de wanden blikten de zwarte gestalten, de vluchtloos gevleugelde gedaanten met hun matte, rood en wit geschilderde ogen, dreigend en somber op hen neer. Er was geen geluid te horen. Ze zuchtte, teleurgesteld en toch ook wat verdrietig. Hij was zwak; hij sprak van grote daden, maar deed niets. Hij was alleen maar een handige leugenaar en niet eens een handige dief. ‘Goed,’ zei ze tenslotte en nam haar kleed bijeen om op te staan. Het ritselen van de wol bij die beweging klonk haar vreemd inde oren. Zij keek omlaag en sprong ontsteld overeind. Het zware zwart dat zij jarenlang gedragen had, was verdwenen: haar gewaad was nu van turkoois gekleurde zijde, stralend en zacht als de avondhemel. Het klokte in wijde plooien van haar heupen omlaag en het lijfje was van onder tot boven bestikt met dun zilverdraad en parelmoer en kleine kristallen kraaltjes als het tere glinsteren van de regen in april.
Zij keek de tovenaar sprakeloos aan. ‘Bevalt het u?’
‘Hoe…’
‘Het is het gewaad dat ik ooit een prinses zag dragen op het Feest van Zonnewende in het paleis van Havnor,’ zei hij en er lag een blik van voldoening in zijn ogen. ‘Ik moest u iets laten zien dat de moeite waard was. Ik laat u uzelf zien.’
‘Laat... laat het verdwijnen.’
‘U hebt me uw mantel gegeven,’ zei hij met een licht verwijt in zijn stem. ‘Mag ik u niets teruggeven? Maar wees niet bezorgd. Het is enkel waan; kijk maar.’
Het was niet te zien of hij de vingers bewoog en in ieder geval sprak hij geen woord; maar de blauwe heerlijkheid van zijde was verdwenen en zij droeg weer het vertrouwde norse zwart. Een tijdlang bleef zij zo roerloos staan.
‘Hoe weet ik,’ zei ze uiteindelijk, ‘dat je degene bent die je de indruk wekt te zijn?’
‘Dat kunt u niet weten,’ zei hij. ‘Ik weet niet welke indruk ik op u maak.’
Zij dacht diep na. ‘Je zou door toverlist me ertoe kunnen brengen je te zien als…’ Zij brak af, want hij had de hand opgeheven en omhoog gewezen in een snelle schets van een gebaar. Zij dacht dat hij een tover legde en deinsde achteruit naar de deur; maar haar ogen volgden zijn gebaar en vonden hoog in de donkere welving van het dak een klein vierkant, het kijkgat in de schatkamer van de Tempel der Broedergoden.
Er viel geen licht door het kijkgat; zij zag niets, hoorde daarboven niemand. Maar hij had gewezen en zijn blik bleef vragend op haar rusten.
Beiden bleven geruime tijd volkomen roerloos. ‘Je toverij is niets dan klatergoud voor kinderogen,’ zei ze met heldere stem.
‘Bedriegerij en leugens. Ik heb er genoeg van gezien. Je zult de Naamlozen tot voedsel dienen. Ik zal niet meer terugkomen.’ Ze nam haar lantaren op, ging de zaal uit en schoof met een ferme, schallende ruk de ijzeren grendels voorde deur. Daarbuiten bleef ze staan in opperste verslagenheid.
Hoeveel had Kossil gezien of gehoord? Wat hadden ze tegen elkaar gezegd? Zij kon het zich niet herinneren. Het scheen er nooit van te komen dat ze de gevangene zei wat ze van plan was te gaan zeggen. Hij bracht haar steeds in de war met zijn verhalen over draken en torens, over de namen der Naamlozen, over zijn verlangen in leven te blijven en over zijn dankbaarheid jegens haar voor de mantel waar hij op kon liggen. Hij zei nooit datgene waar je op rekende dat hij het zou zeggen. Zij had hem zelfs niet naar de talisman gevraagd die zij nog steeds bij zich droeg, verborgen aan haar borst.
Dat was eigenlijk maar goed ook, nu Kossil had staan luisteren. Ach, wat maakte dat nu uit, welk kwaad had ze van Kossil te duchten? Meteen toen ze zich die vraag stelde, wist ze het antwoord. Niets is eenvoudiger dan het doden van een gekooide havik. De man was weerloos, lag vastgeketend in een stenen kooi. De Priesteres van de Godkoning hoefde vannacht alleen maar haar slaaf Duby naar beneden te sturen om hem te worgen; en als zij noch Duby zo diep in het Labyrint de weg wist, hoefde ze alleen maar giftig stof door het kijkgat in de Zaal der Schilderingen omlaag te blazen. Ze had vele doosjes en flesjes met boze vergiften, sommige om voedsel of water te vergiftigen, andere om de lucht te bederven zodat ieder stierf die haar lang moest inademen. En morgenvroeg zou hij dood zijn en dan was het allemaal voorbij. Nooit zou er weer licht schijnen onder de Tomben. Arha liep haastig door de nauwe stenen gangen naar de toegang vanuit de Onderkrocht waar Manan, geduldig neergehurkt als een oude pad, in het donker op haar wachtte. Hij was niet erg gelukkig met haar bezoeken aan de gevangene en zij wilde hem niet tot vlakbij de Zaal met zich meenemen; tenslotte hadden zij dan deze tussenweg gevonden. Nu was ze blij dat hij in de buurt was. Hem kon ze tenminste vertrouwen.
‘Luister, Manan. Je moet naar de Zaal der Schilderingen gaan, nu meteen. Zeg tegen de man dat je hem komt halen om hem onder de Tomben levend te begraven.’
Manans kleine oogjes lichtten op. ‘Zeg hem dat hardop. Maak de keten los en breng hem naar…” Ze hield in, want ze had nog niet uitgemaakt waar ze de gevangene het best kon verbergen. ‘Naar de Onderkrocht,’ zei Manan gretig. ‘Nee, idioot. Ik zei wat je moest zeggen, niet wat je moest doen. Wacht…” Welke plek was veilig voor Kossil en Kossils spionnen? Alleen maar de ruimten het diepst onder de grond, de heiligste en meest verborgen ruimten in het rijk der Naamlozen waar zij niet dorsten te komen. Maar was Kossil niet iemand die nagenoeg alles durfde? Zij mocht dan wel bang zijn voor de duistere ruimten, maar zij was ook iemand die om haar doel te bereiken zich over haar angst heen zou zetten. Het was niet te zeggen een hoe groot deel van het Labyrint haar in feite bekend was uit de mond van Thar of van Arha in haar vroeger leven, of zelfs door eigen onderzoek dat zij in de afgelopen jaren heimelijk kon hebben verricht. Arha vermoedde dat zij meer wist dan zij voorgaf te weten. Maar er was een weg die haar in geen geval bekend kon zijn: het diepst gekoesterde geheim.
‘Je moet de man daarheen brengen waarheen ik je voorga, en het moet in het donker gebeuren. En als ik je daarna hierheen terugbreng, moetje een graf uitgraven in de Onderkrocht en een lijkkist maken die je leeg moet neerlaten in het graf; en dan moet je hem met aarde afdekken, maar zo dat iemand die ernaar zoekt, hem kan voelen en vinden. Een diep graf. Heb je het begrepen?’
‘Nee,’ zei Manan nors en kribbig. ‘Dat listige gedoe is niet verstandig, kleintje. Het deugt niet. Een man hoort hier niet. Er zal straf volgen.
‘Ze zullen een oude gek zijn tong uitrukken, ja. Ben jij het die me zult vertellen wat verstandig is of wat niet? Ik volg de bevelen op van de Machten der Duisternis. Volg me’
‘Het spijt me, kleine gebiedster, het spijt me…’ Ze gingen terug naar de Zaal der Schilderingen. Arha bleef buiten in de gang wachten, terwijl Manan naar binnen gingen de keten losmaakte van de klamp in de muur. Zij hoorde hoe zijn diepe stem vroeg: ‘Waar nu heen, Manan?’ en hoe de schorre altstem gemelijk antwoordde: ‘Mijn gebiedster heeft me bevolen je levend te begraven. Onder de Stenen. Sta op.’ Zij hoorde de zware keten kraken als een zweep.
De armen met Manans leren gordel samengebonden kwam de gevangene naar buiten. Manan liep achter hem en hield hem als een hond aan een korte lijn, maar de halsband lag om zijn middel en de lijn was van ijzer. Zijn ogen zochten de hare, maar zij blies haar kandelaar uit en ging hen zonder te spreken vooruit het donker in. Zij verviel meteen in de trage, maar regelmatige tred waarmee ze altijd door het Labyrint liep wanneer ze geen licht bij zich had, en streek bijna voortdurend met haar vingertoppen aan beide kanten lichtjes langs de wanden. Schuifelend en struikelend kwamen Manan en de gevangene achter haar aan, door de keten in hun bewegingen
