Troon.’
‘Dan moeten we daarheen gaan.’
‘Maar zij is er,’ fluisterde het meisje. ‘Daar in de onderkrocht, In de spelonk. Rondwoelend in het lege graf. Ik kan niet langs haar, o, ik kan niet nog eens langs haar.’
‘Ze zal onderhand wel zijn weggegaan.’
‘Ik kan er niet binnengaan.’
‘Tenar, ik ben het die op dit moment het dak boven onze hoofden stut; ik belet de wanden zich op ons te storten; ik belet de grond onder onze voeten open te splijten. Ik doe dat al sinds we aan de valkuil zijn ontsnapt waar hun dienaar ons stond op te wachten. Als ik de aardbeving kan tegenhouden, ben jij dan bang om samen met mij een mens te trotseren? Heb vertrouwen in mij, zoals ik het in jou gehad heb. Kom met me mee.’ Zij gingen voorwaarts.
De eindeloze gang werd breder. De geur van vrijere lucht kwam hen tegemoet, van ruimere duisternis. Zij betraden de wijdse spelonk onder de Stenen.
Zij begonnen eromheen te lopen, dicht langs de wand rechts van hen. Tenar had nog maar een paar passen gezet, toen ze stil bleef staan. ‘Wat is dat?’ mompelde ze; de woorden kwamen haar nauwelijks over de lippen. In die doodse, wijdse zware luchtbel was een geluid te horen, een trilling of beving, een geluid slechts hoorbaar in het bloed en voelbaar in het gebeente. De tijddoorgroefde wanden onder haar vingers dreunden en dreunden.
‘Ga door,’ zei de stem van de man, strak en gespannen. ‘Haast je, Tenar.’
Terwijl zij voorwaarts strompelde, scheeuwde zij het uit in haar geest die even donker, even geschokt was als de onderaardse gewelven: ‘Vergeving. O mijn Meesters, ongenoemden, oudsten van allen, vergeving, vergeving.’
Er kwam geen antwoord. Er was nooit een antwoord gekomen. Zij bereikten de gang onder de Hal, klommen de trap omhoog en kwamen bij de laatste treden en het luik boven hun hoofd. Het was gesloten, zij liet het nooit openstaan. Zij drukte op de veer die het deed omhoog klappen. Het bleef dicht. ‘De veer is gebroken,’ zei ze. ‘Het is afgesloten.’ Hij klom langs haar heen en zette zijn schouders tegen het luik. Er kwam geen beweging in.
‘Het is niet afgesloten, maar wordt door iets zwaars omlaag gedrukt.’
‘Kun je het openen?’
‘Misschien. Ik vermoed dat zij daarboven staat te wachten. Heeft ze helpers bij zich?’
‘Duby en Uahto, wellicht nog een paar hoeders… mannen mogen hier niet komen.
‘Ik kan niet alles tegelijk,’ zei hij peinzend met vaste stem, ‘een spreuk van ontsluiting weven, ons de mensen die daar boven staan te wachten, van het lijf houden en ook nog de wil van de duisternis weerstaan. Dan moeten we de andere deur proberen, de deur in de rotsen waardoor ik ben binnengekomen. Weet zij dat hij van binnen niet opengaat?’
‘Dat weet ze. Ze heeft het me eens laten proberen.’
‘Dan zal ze er wel geen aandacht aan geschonken hebben. Kom, Tenar, kom.’
Zij was neergezonken op de stenen treden die zoemden en trilden alsof er in de diepten onder hen op een enorme boogpees werd getokkeld. ‘Wat is dat... dat beven?’
‘Kom mee,’ zei hij met zo vaste en zekere stem dat zij gewillig terugkroop langs de gangen en trappen, terug naar de huiveringwekkende spelonk.
Bij de ingang sloeg haar een golf van blinde, bittere haat tegemoet en drukte haar neer met een gewicht als dat van de aarde zelf, zodat zij ineenkromp en zonder het te beseffen een luide kreet slaakte: ‘Zij zijn er. Zij zijn er.’
‘Laat hen dan weten dat wij er zijn,’ zei de man en van zijn staf en handen schoot een witte lichtflits omhoog die uiteenspatte tegen de duizenden diamanten van het gewelf zoals op zee de golven uiteenspatten in het zonlicht; een luister van licht waarin zij beiden voortijlden, dwars door de wijdse spelonk, terwijl hun schaduwen van hen weg vloden tot in de witte arabesken, de glinsterende holten en het lege, open graf. Zij renden naar de lage uitgang, voorover gebukt de gang door, zij voorop, hij achter haar aan. In de tunnel dreunden de rotsen en bewogen onder hun voeten; maar nog steeds was het licht bij hen, wit en verblindend. Toen zij voor zich de blinde rotswand ontwaarde, hoorde zij boven het brullen van de aarde uit zijn stem een woord uitspreken, en toen zij op haar knieen neerviel sloeg over haar hoofd heen zijn staf tegen de rode rots van de gesloten deur. De rotsen laaiden wit op als stonden zij in brand en spleten uiteen. Daarbuiten was de hemel, wegblekend naar de dageraad. Er stonden nog maar enkele witte sterren, hoog en koel. Tenar zag de sterren en voelde een zoete wind langs haar gezicht strijken; maar zij stond niet op. Op handen en voeten kroop zij verder tussen de hemel en de aarde.
De man, een vreemde donkere gestalte in dat schemerige licht vlak voor de dageraad, keerde zich om en trok aan haar arm om haar te doen opstaan. Zijn gezicht was zwart en verwrongen als dat van een demon. Zij kroop van hem weg, krijsend met een rauwe stem die niet de hare was, alsof zich in haar mond de tong van een dode bewoog: ‘Nee. Nee. Raak me niet aan… laat me… Ga weg.’ En ineengekrampt schoof zij van hem weg, terug naar de wegbrokkelende, lippenloze muil der Tomben. Zijn vaste greep ontspande zich. Hij zei met kalme stem: ‘Bij de Ring die je draagt, bezweer ik je met mij mee te gaan, Tenar.’ In het zilver van de ring om haar arm zag zij het licht van de sterren. Zonder haar ogen ervan af te wenden stond zij wankelend op. Zij legde haar hand in de zijne en ging met hem mee. Snel voortgaan kon zij niet. Langzaam liepen zij de heuvel af. Uit de zwarte muil tussen de rotsen achter hen steeg een lang, luid jankend kreunen op, vol haat en zelfbeklag. Rondom hem vielen stenen neer. De grond beefde. Terwijl zij voortgingen, bleven haar ogen strak gericht op het glinsterende sterrelicht aan haar pols. Zij liepen door de schemerige vallei ten westen van de Plaats. Nu ging het heuvelopwaarts en plotseling zei hij haar zich om te draaien: ‘Kijk…’
Zij draaide zich om en keek. Zij stonden nu aan de overzijde van de vallei op gelijke hoogte als de Stenen, negen grote monolithen die stonden of lagen boven de grot van diamanten en graven. De stenen die stonden, bewogen zich. Zij zwiepten heen en weer en helden traag over als scheepsmasten. Een ervan leek zich in een kramp uit de grond te verheffen; toen voer er een rilling doorheen en hij stortte neer. Een tweede viel en smakte dwars over de eerste heen. Daarachter de lage koepel van de Hal van de Troon, zwart tegen de gele hemel in het oosten; de muren huiverden en spleten open. Heel de machtige bouwval van steen en metselwerk veranderde van vorm als leem in stromend water, stuikte ineen en stortte zijwaarts afglijdend neer met donderend geraas en een plotselinge hagelstorm van stof en steen brokken. De bodem van de vallei rimpelde en bokte; het leek of er een golf tegen de heuvel omhoog rende, en tussen de Stenen scheurde de aarde open tot een brede gaping van duisternis waaruit het stof als grijze rook omhoog walmde. De Stenen die nog rechtop stonden, stortten in de afgrond en werden erdoor verzwolgen. Toen sloten zich de rauwe, zwarte lippen van de kloof tezamen met een slag die door de hemel leek te worden weerkaatst; nog eenmaal voer een schok door de heuvels en alles was weer rustig. Uit de verwoesting van de aardbeving hief zij haar ogen op naar de man naast haar wiens gelaat zij bij daglicht nog nooit gezien had. ‘Jij was het die haar tegenhield,’ zei ze en na dat machtig razen en tieren van de aarde klonk haar stem als het fluiten van de wind in een rietstengel. ‘Jij hebt de aardbeving ingetoomd, de woede van het duister.’
‘We moeten verdergaan,’ zei hij en keerde zich af van de zonsopgang en de tot puin gevallen Tomben. ‘Ik ben moe, ik huiver van kou…’ Hij struikelde en zij nam hem bij de arm; geen van beiden was tot meer in staat dan zich moeizaam voortslepen. Als twee nietige spinnen op een hoge muur worstelden zij zich traag langs de onafzienbare helling omhoog tot zij de droge grond aan de top bereikten, geel door het licht van de opgaande zon met hier en daar een lange schaduwstreep van salie. Voor hen lagen de bergen van het westen, hun voeten in purper gehuld, hun hellingen met goud gekroond. Even bleven zij daar staan; toen daalden zij de heuvel af en verdwenen uit het gezicht van de Plaats der Tomben.
De bergen van het westen
Tenar ontwaakte en vocht zich vrij uit boze dromen, uit gebieden waar zij zolang had rondgedoold dat al haar vlees van haar was afgevallen en zij de dubbele witte beenderen van haar armen zwak zag oplichten in het duister. Zij opende haar ogen voor een gouden lichtschijn en rook de kruidige geur van de salie. Zoetheid welde in
