uit de tuit een druppel van de kleverige inhoud naar buiten vloeide.

Sperwer wendde zich zonder te spreken van hem af en liep met Arren verder. Al gauw werd het minder druk en stonden er alleen nog wat wrakkige winkels, armzalige hokjes waar als enige koopwaar een handvol kromme nagels, een gebroken stamper en een oude wolkaarde lagen uitgestald. Deze armoede stond Arren minder tegen; tevoren in het rijke deel van de straat had hij zich beklemd, verstikt gevoeld door de veelheid van waren die er verkocht werden, en van stemmen die hem toeriepen: ‘Koop, koop.’ En hij was geschokt door het verachtelijk gedrag van de venter. Hij dacht aan de koele, statige straten van zijn vaderstad in het noorden. Niemand in Berila, dacht hij, zou zich tegen een vreemde zo kruiperig hebben gedragen. ‘Een verachtelijk volk hier,’ zei hij.

‘Deze kant op, neef,’ was alles wat zijn metgezel antwoordde. Ze sloegen een zijstraat in, een sleuf tussen hoge, rode muren zonder vensters die langs de heuvelhelling liep; dan kwamen zij door een poortje, versierd met half-verteerde vaandels, weer buiten in het zonlicht op een omhoog hellend plein, ook weer een markt vol kraampjes en stalletjes omzwermd van mensen en vliegen.

Langs de randen van het plein zaten een aantal mannen en vrouwen op de grond of lagen roerloos op de rug. Hun lippen hadden een vreemde zwartige kleur als waren ze gekneusd, en rond hun mond hing een zwerm vliegen of was er opeengepakt neergestreken als een zwarte tros gedroogde bessen. ‘Zo veel al,’ zei de stem van Sperwer zacht en gespannen als was ook hij nu geschokt; maar toen Arren hem aankeek, zag hij enkel het grove, goedmoedige gezicht van de rondborstige zeeman Havik waar niets op te lezen stond. ‘Wat is er met die mensen aan de hand?’

‘Hazia. Je wordt erdoor bedwelmd en afgestompt, omdat de band tussen lichaam en geest wordt verbroken en de geest daardoor vrij kan rondzwerven. Maar als hij dan naar het lichaam terugkeert, verlangt hij weer naar hazia… De behoefte neemt steeds toe en het leven wordt korter, want het spul is giftig. Eerst rillingen, dan verlamming en tenslotte de dood.’ Arren keek naar een vrouw die met de rug tegen de zongewarmde muur zat; zij had de hand opgeheven als wilde zij de vliegen wegjagen van haar gezicht, maar de hand beschreef in de lucht een verkrampte draaiende beweging als had de bezitster haar volkomen vergeten en was de beweging niet meer dan een niet aflatend trillen of beven van de spieren. Het gebaar leek een bezwering ontdaan van haar betekenis, een tover zonder zin. Havik bleef onbewogen naar haar staan kijken. ‘Kom mee,’ zei hij toen.

Hij liep over het marktplein naar een kraam met een gestreepte luifel. Banen van groen, oranje, geel, rood en azuur gekleurd zonlicht vielen over de stoffen, omslagdoeken en geweven gordels die er lagen uitgestald, en dansten in veelvoud rond door de talloze kleine spiegeltjes waarmee de hoge bevederde hoofdtooi van de verkoopster was uitgedost. Het was een forse vrouw en ze zong met forse stem: ‘Zijde, satijn, linnen, bont, vilt, wol, geitehaar van Gont, tule van Sowl, zijde van Lorbanery. He daar, noordelingen, wat doen jullie in die dikke duffels; zie je niet dat de zon schijnt? Hoe vind je dit om voor je meisje mee te nemen naar het verre Havnor? Kijk toch eens aan, zijde uit het zuiden, fijn als de vleugel van een libelle.’ Met rappe hand spreidde ze een rol gazige zijde uit, roze doorschoten met zilverdraad.

‘Nee, moeder, we zijn niet met een prinses getrouwd,’ zei Havik en de stem van de vrouw ging over in een spottend gekrijs: ‘Wat laten jullie je vrouw dan aantrekken, lomperik? Zeildoek? Armoedzaaiers die niet eens een lapje zijde willen kopen voor een arme vrouw die voortdurend loopt te rillen in die eeuwige sneeuw van het noorden. Wat denk je dan hiervan, geitehaar van Gont waarmee je haar warm kunt houden in de winterse nachten?’ Ze smeet een groot stuk geelbruine stof over de toonbank, geweven uit het zijige haar van de geiten op de eilanden in het noordoosten. De veronderstelde zeeman stak de hand uit en betastte de stof; toen lachte hij. ‘Oh, kom je soms van Gont,’ krijste de vrouw en een knik van haar hoofdtooi deed duizenden kleurige vlekjes rondschieten over luifel en koopwaar.

‘Dit komt van de Andraden, zie je wel? Er gaan maar vier scheerdraden op de breedte van een vinger. Op Gont zijn dat er zes of meer. Maar zeg eens, waarom ben je van toverkunst overgegaan op het venten met deze rommel? Toen ik hier jaren geleden was, zag ik hoe je vuur uit de oren van de mensen liet komen, en het vuur veranderde in vogels en gouden bellen; en dat was een betere handel dan dit hier.’

‘Het was helemaal geen handel,’ zei de forse vrouw en even zag Arren haar ogen, hard en scherp als agaat, die hem en Havik aankeken vanonder de rusteloze twinkeling van knikkende veren en flitsende spiegeltjes.

‘Het was een leuk gezicht, hoe dat vuur uit die oren spoot,’ zei Havik op een toon van argeloze teleurstelling. ‘Ik had het mijn neefje willen laten zien.’

‘Nou moet je eens goed luisteren,’ zei de vrouw; haar stem klonk minder ruw en ze leunde met haar brede, bruine armen en zware borsten over de toonbank. ‘Die kunstjes doen we hier niet meer. De mensen willen ze niet; ze trappen er niet meer in. Neem nou die spiegeltjes; ik merk dat je me aan die spiegeltjes herkent,’ en zij schudde het hoofd zodat er een kleurige wirwar van kaatsende lichtvlekjes over heen schoot. ‘Met flitsende spiegeltjes, met woorden en andere kunstjes die ik je niet zal verklappen, kun je iemands hersens in de war brengen zodat hij iets denkt te zien wat hij niet ziet, wat er helemaal niet is. Vlammen bijvoorbeeld en gouden belletjes of de kledij waarin ik de zeelieden stak, goudbrokaat met diamanten zo groot als abrikozen, en weg paradeerden ze als de Koning van Alle Eilanden... Maar het waren kunstjes, bedriegerij. Je kunt mensen bedriegen. Ze zijn net kuikens die onder de ban raken van een slang, van een vinger die je ze voor hun kop houdt. Mensen zijn net kuikens. Maar na een tijdje krijgen ze door dat ze bedrogen en begoocheld worden; dan worden ze nijdig en hebben geen plezier meer in dergelijke zaken. Daarom ben ik naar deze handel overgestapt, en al is dan alle zij misschien geen zijde, en komt niet alle geitewol van Gont, dragen kunnen ze het in ieder geval, en dat doen ze ook. Het is werkelijkheid en niet alleen maar lucht en leugens als die kleren van goudbrokaat.’

‘Zo zo,’ zei Havik, ‘is er dan in heel Hort niemand meer die vuur uit je oren laat spuiten, of andere toverkunst verricht zoals vroeger?’

Bij deze woorden fronste de vrouw de wenkbrauwen; ze richtte zich op en begon de geitewollen lap met zorg samen te vouwen. ‘Wie er nu leugens en waan wenst, kauwt hazia,’ zei ze. ‘Vraag die er maar naar als je zo nodig moet.’ Ze wees met het hoofd naar de roerloze gestalten aan de rand van het plein. ‘Maar er waren toch tovenaars die voor zeelui de winden bezwoeren en geluksspreuken legden op hun lading. Hebben ze allemaal een ander beroep gekozen?’

In plotselinge woede viel zij kijvend over zijn woorden heen: ‘Als je er een nodig hebt, daar heb je een tovenaar, een echte, een wijze met staf en de hele rest... zie je hem? Hij is uitgezeild met Egre zelf, hij zou weer maken en zwaar beladen galeien opsporen, beweerde hij; maar hij bleek een leugenaar en ten slotte gaf kapitein Egre hem wat hij verdiende: hij hakte hem de rechterhand af. En moet je hem daar nu zien zitten met een mond vol hazia en een buik vol lucht. Lucht en leugens. Dat is nu je hele toverkunst, kapitein Geit.’

‘Kalm maar, mevrouwtje,’ zei Havik met onverstoorbare gemoedelijkheid, ‘ik vroeg alleen maar iets.’ In een bonte mengeling van flitsende spiegelvlekjes keerde ze hen haar brede rug toe en Havik kuierde weg, Arren naast zich. Dat kuieren had echter wel een doel. Het bracht hen vlak bij de man die zij had aangewezen. Hij zat tegen de muur geleund en staarde in de leegte; het donkere gebaarde gezicht moest ooit erg knap geweest zijn. Op de stenen van het plaveisel lag de verschrompelde armstomp in het blakerende zonlicht, teken van zijn schande.

Er was blijkbaar iets te doen bij de kraampjes achter hen, maar Arren kon zijn ogen niet van de man losrukken; walging nagelde hem aan zijn plaats. ‘Was dat echt ooit een wijze?’ vroeg hij bijna fluisterend.

‘Het zou best de man kunnen zijn die Haas genoemd werd en weermaker was bij de zeerover Egre. Dat waren beruchte dieven… Snel, ga opzij, Arren.’ Van ergens tussen de kraampjes kwam in volle vaart een man aanrennen die hen bijna ondersteboven liep. Er kwam een ander voorbijdraven die bijna bezweek onder het gewicht van een leurmand vol bandjes, linten en kantwerk. Met luid geraas zakte er een kraampje in elkaar; luifels werden omvergegooid of ijlings binnengehaald; plukjes mensen  rolden  vechtend  over  het  marktplein;  iedereen schreeuwde moord en brand. Boven alles uit klonk de gillende kijf stem van de vrouw met de hoofdtooi van spiegeltjes. Arren zag in een flits hoe zij te midden van een troepje mannen met een eind hout stond te zwaaien en zich hen als een in de hoek gedreven zwaardvechter met brede slagen van het lijf hield. Het was niet uit te maken of het om een ruzie ging die zich verspreid had en was uitgegroeid tot een relletje, dan wel om een overval van een dievenbende of een vechtpartij tussen twee rivaliserende groepen venters. Er renden mensen voorbij beladen met koopwaar die net zo goed geroofd kon zijn als wel hun eigen bezit dat zij voor de rovers poogden te redden. Er werd gevochten met messen en vuisten, en het hele plein was een worstelende massa. ‘Die kant op,’ zei Arren en wees naar een zijstraat die vlakbij hen op het plein uitkwam. Hij wilde erheen lopen, want het was duidelijk dat ze er goed aan deden zich meteen uit de voeten te maken; zijn metgezel hield hem echter bij de arm terug. Arren keek achterom en zag dat de man die Haas heette, pogingen deed om op te staan. Toen hij zich overeind geworsteld had, bleef hij even wankelend staan en liep toen zonder verder om zich heen te kijken langs

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату