de rand van het plein waarbij zijn ene hand langs de muur sleepte om hem de weg te wijzen of steun te bieden. ‘Hou hem in het oog,’ zei Sperwer en zij gingen hem achterna.

Niemand viel hen of de man die zij volgden lastig en even naderhand verlieten zij het marktplein en kwamen in de rust van een nauwe kronkelige straat die hen heuvelafwaarts voerde.

Boven hun hoofd leunden de gevels der huizen aan weerszijden van de straat zover naar elkaar over dat vrijwel alle licht werd afgesneden; onder hun voeten waren de stenen glibberig van afval en vochtigheid. Haas zette er flink de pas in, maar bleef als een blinde met zijn hand de muren aftasten. Om hem bij een dwarsstraat niet kwijt te raken moesten zij vrij dicht achter hem blijven. Plotseling beving Arren de opwinding van de jacht; zijn zintuigen waren tot het uiterste gespannen als gold het een hertenjacht in de wouden van Enlad; scherp nam hij ieder gezicht op dat hen voorbijging, en zijn neus proefde de zoetige stank van de stad: een geur van afval, reukwerk, kadavers en bloemen. Terwijl zij zich een weg wrongen door een brede drukke straat hoorde hij een trommel slaan en ving hij een glimp op van een rij naakte mannen en vrouwen; bij pols en middel waren zij met ketenen aan elkaar vastgebonden en het haar hing in slierten over hun gezicht. Een glimp slechts, toen waren zij verdwenen en dook hij Haas achterna weg in een enge steeg met treden en kwam op een pleintje dat op een paar vrouwen na die bij de put stonden te kletsen, volkomen leeg was. Daar haalde Sperwer Haas in en legde een hand op zijn schouder; Haas kromp ineen als was het een gloeiend ijzer, deinsde achteruit en kroop weg in de beschutting van een portiek. Daar bleef hij huiverend staan en staarde hen aan met de nietsziende ogen van een gejaagde.

‘Ben jij degene die Haas wordt genoemd?’ vroeg Sperwer en hij sprak met zijn eigen stem die ruw was van klank, maar vriendelijk van buiging. De man zei niets, scheen niets te zien of niets te horen. Ik heb iets van je nodig,’ zei Sperwer. Weer geen antwoord. ‘Ik wil ervoor betalen.’ Traag kwam er nu een antwoord: ‘Goud of ivoor?’

‘Goud.’

‘Hoeveel?’

‘De wijze kent de waarde van de spreuk.’ Het gezicht van de man vertrok en veranderde van uitdrukking; even kwam er iets van leven in, een kortstondig opflakkeren; dan betrok het weer tot uitdrukkingsloosheid. ‘Dat is allemaal voorbij,’ zei hij, ‘allemaal voorbij.’ Hij boog dubbel onder een hoestbui en spuwde een klodder zwart slijm uit. Toen hij zich weer had opgericht, was hij even indolent als tevoren; hij rilde en scheen vergeten waarover ze stonden te praten. Weer keek Arren hem gefascineerd aan. Hij stond in een hoek gevormd door twee reusachtige figuren die een deur flankeerden, twee beelden die hun nek bogen onder het gewicht van de puibalk en wier fors-gespierde lichamen slechts ten dele uit de muur naar voren kwamen als hadden zij zich uit de steen een weg naar het leven willen vechten en waren daarbij halfweg blijven steken. De deur die zij bewaakten, was in de hengsels weggerot; het huis, eens een paleis, was nu verlaten. De dreigende, gezwollen gezichten der giganten waren afgebrokkeld en met mos begroeid. Tussen deze massale gestalten stond nu de man die Haas werd genoemd, krachteloos en kwetsbaar, zijn ogen even duister als de ramen van het lege huis. Hij hief zijn verminkte arm op naar het gelaat van Sperwer en teemde: ‘Een kleine gave voor een arme sloeber, meester…’ Op het gezicht van de magus lag een grimmige uitdrukking als van smart of schaamte en Arren meende achter zijn vermomming heel even zijn ware gezicht te zien. Weer legde hij de hand op Haas’ schouder en fluisterde hem zachtjes een paar woorden toe in de taal der wijzen die Arren niet verstond. Maar Haas verstond ze wel. Hij klemde zich met zijn enig overgebleven hand aan Sperwer vast en stamelde: ‘U kunt nog spreken… spreken… Kom met me mee, kom…’ De magus keek Arren even aan en knikte toen. Zij daalden langs steile straten af naar een der valleien tussen de drie heuvels waarop Hort gebouwd was. Naarmate zij lager kwamen werd hun weg enger, donkerder en stiller. De hemel was slechts een bleke streep tussen de vooruitstekende dakgoten en de muren der huizen aan weerszijden waren klam en vochtig.

Beneden in de vallei stroomde een beek, stinkend als een open riool; tussen de boogbruggen stonden de huizen dicht opeengepakt langs de oevers. Haas dook weg in het donkere portaal van een dezer huizen en verdween als een kaars die wordt uitgeblazen. Zij gingen achter hem aan.

De onverlichte trap kraakte en deinde onder hun voeten. Boven gekomen duwde Haas een deur open en konden zij zien waar ze aangeland waren: een lege kamer met in een hoek een strozak en een enkel raam met luiken, maar zonder glas, waardoor wat nevelig licht naar binnen drong. Haas draaide zich om, keek Sperwer aan en greep hem weer bij de arm. Hij bewoog zijn lippen. Tenslotte zei hij stamelend: ‘Draak… draak…’

Sperwer keek hem strak in de ogen en zei niets. ‘Ik kan niet spreken,’ zei Haas, liet Sperwers arm los en zakte grienend in elkaar op de lege vloer.

De magus knielde naast hem neer en sprak hem zacht toe in de Oude Spraak. Arren bleef bij de gesloten deur staan, de hand aan zijn mes. Het grauwe licht en de stoffige kamer, de beide knielende gestalten, het zachte, vreemde geluid van de stem van de magus die de woorden sprak van de taal der draken; dat alles kwam op hem over als een droom, als iets dat niets van doen heeft met wat buiten gebeurt of met de tijd die voorbijgaat.

Langzaam stond Haas op. Met zijn onverlet gebleven hand wreef hij het stof van zijn knieen en de verminkte verborg hij achter zijn rug. Hij keek om zich heen. keek naar Arren; nu zag hij ook waarnaar hij keek. Hij wendde zich af en ging op zijn strozak zitten. Arren bleef waakzaam bij de deur staan. Met de eenvoud van hen die het in hun jeugd zonder enig gemak hebben moeten stellen, ging Sperwer met gekruiste benen op de kale vloer zitten. ‘Zeg me hoe je je kunst en de taal van je kunst hebt verloren,’ zei hij.

Het duurde geruime tijd voor Haas antwoord gaf. Hij wreef met zijn verminkte arm langs zijn bovenbeen, rusteloos en krampachtig; toen hij begon te spreken, wrong hij de woorden schoksgewijs naar buiten: ‘Zij hebben mijn hand afgehakt. Ik kan geen spreuken meer weven. Ze hebben mijn hand afgehakt. Het bloed stroomde eruit, stroomde weg.’

‘Maar je macht was je al eerder kwijtgeraakt, Haas, anders zouden ze niet in staat geweest zijn dat te doen.’

‘Macht...’

‘Macht over winden en golven en mensen, je noemde ze bij hun naam en ze waren je onderdanig.’

‘Ja, ik herinner me dat ik ooit geleefd heb,’ zei de man met zachte, schorre stem. ‘Toen kende ik de woorden en de namen…’

‘Ben je nu dood?’

‘Nee. Levend. Levend. Maar eens was ik een draak… Ik ben niet dood. Soms slaap ik. Slaap komt de dood zeer nabij, iedereen weet dat. In dromen waren de doden rond, iedereen weet dat. Levend komen ze naar je toe en spreken met je. Zij gaan van de dood over naar de dromen. Er is een weg. En als je ver genoeg doorgaat, is er ook een weg terug, helemaal terug, terug naar het begin. Je kunt hem vinden als je weet waar je hem moet zoeken. En als je bereid bent de prijs te betalen.’

‘Wat is die prijs?’ De stem van Sperwer dreef op de schemer als de schaduw van een vallend blad.

‘Het leven… wat anders? Waarmee kun je leven anders kopen dan met leven?’

Haas wiegde op en neer op zijn strozak en er lag een sluwe, onheilspellende schittering in zijn ogen. ‘Weet je’, zei hij, ‘ze kunnen mijn hand afhakken. Ze kunnen mijn hoofd afhakken.

Dat geeft niet. Ik ben in staat de weg terug te vinden. Ik weet waar ik moet zoeken. Alleen mannen van macht kunnen erheen gaan.’

‘Wijzen, bedoel je.’

‘Ja,’ Haas stokte en leek verwoede pogingen te doen om het woord uit te spreken, maar het lukte hem niet. ‘Mannen van macht,’ herhaalde hij. ‘En zij moeten… zij moeten het prijsgeven. Betalen.’

Toen verviel hij in een koppig zwijgen als het woord ‘betalen’ zijn hersens wakker had geschud en hij besefte dat hij inlichtingen zat weg te geven in plaats van te verkopen. Er was niets meer uit hem te krijgen, zelfs geen gestamelde vaagheden over ‘een weg terug’ die Sperwer belangrijk scheen te vinden. Al spoedig stond de magus op. ‘Een half antwoord is beter dan helemaal geen,’ zei hij, ‘en voor betalingen geldt hetzelfde.’ En met de behendigheid van een goochelaar mikte hij vlak voor Haas een goudstuk op de strozak.

Haas raapte het op. Met krampachtige schokken van zijn hoofd keek hij eerst naar het geld, toen naar Sperwer en Arren. ‘Wacht,’ stamelde hij. Nu de situatie zich wijzigde en hem uit de hand dreigde te lopen, graaide hij wanhopig naar woorden voor wat hij zeggen wilde. ‘Vanavond,’ bracht hij eindelijk uit. ‘Wacht. Vanavond. Ik heb hazia.’

‘Daar heb ik geen behoefte aan.’

‘Ik zal je laten zien… je de weg laten zien. Vanavond. Ik zal je meenemen. Ik zal je laten zien. Jij kunt er ook komen, want jij… jij bent...’ Hij tastte naar het woord, maar Sperwer was hem voor: ‘Ik ben een wijze.’

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату