“Ja. Dus kunnen we… kunnen we er komen. Op die weg. Als ik droom. In een droom. Begrijp je? Ik zal je meenemen. Je zult met me meegaan naar de… naar de weg.’ Statig stond Sperwer in het midden van de schemerige kamer en dacht na. ‘Misschien,’ zei hij tenslotte, ‘Als we komen, zullen we tegen donker hier zijn.’ Toen draaide hij zich om naar Arren die maar al te blij was dat ze weggingen en de deur terstond open maakte.
Na de woning van Haas leek de klamme, beschaduwde straat op een zonovergoten tuin. Zij staken dwars door naar de bovenstad langs de kortste weg, een steile stenen trap tussen met klimop begroeide muren. Arren snoof de lucht met volle teugen op als was hij een zeeleeuw. ‘Phhfff. Bent u van plan daarheen terug te gaan?’
‘Tja, dat zal wel moeten als ik dezelfde inlichtingen niet uit een minder riskante bron kan krijgen. Best mogelijk dat hij ons in een hinderlaag lokt.’
‘Maar bent u dan niet gevrijwaard voor dieven en dergelijk volk?’
Gevrijwaard?’ zei Sperwer. ‘Hoe bedoel je? Denk je dat ik hier dik ingepakt in spreuken rondloop als een oude vrouw die bang is voor reumatiek? Ik heb er de tijd niet voor. Ik verheimelijk mijn gezicht om onze queeste te verheimelijken, verder niets. Wij moeten maar op onszelf passen. Feit is dat het ons niet zal lukken alle gevaar te omzeilen.’
‘Natuurlijk niet,’ zei Arren stuurs, nijdig en in zijn eer gekrenkt. ‘Dat probeer ik ook helemaal niet.’
‘Goed zo,’ zei de tovenaar glashard en toch met een zweem van ironie die Arrens kwaadheid deed bedaren. Eigenlijk stond hij stomverbaasd over zijn kwaadheid; hij had nooit gedacht nog eens zo tot de Archimagus te zullen spreken. Maar deze man hier was de Archimagus en was hem ook weer niet, deze Havik met zijn stompneus en zijn vierkante slecht geschoren kin wiens stem nu eens zus en dan weer zo klonk: een vreemdeling waar je geen hoogte van kreeg.
‘Heeft hij u nu eigenlijk iets zinnigs verteld?’ vroeg Arren die er zich bepaald niet op verheugde nog eens te moeten terugkeren naar die schemerige kamer boven de stinkende rivier. ‘Al dat gezwam over leven en dood zijn en terugkomen wanneer je hoofd is afgehakt?’
‘Ik weet niet of er iets zinnigs in zit. Het leek me nuttig te gaan praten met een wijze die zijn macht verloren had. Hij beweert nu dat hij haar niet verloren heeft, maar heeft weggegeven… heeft verhandeld. Waarvoor? Leven voor leven, zei hij. Macht voor macht. Nee, begrijpen doe ik hem niet, maar naar hem luisteren is beslist de moeite waard.’
Door dit weloverwogen oordeel van Sperwer raakte Arren nog meer in verlegenheid. Hij werd er kribbig en ongedurig van, als een kleine jongen. Aanvankelijk was hij door Haas gefascineerd maar nu de ban gebroken was, voelde hij zich misselijk alsof hij iets walgelijks gegeten had. Hij besloot zijn mond maar te houden tot hij zijn zelfbeheersing had herkregen. Maar het volgende ogenblik stapte hij mis op de afgesleten, glibberige trap, gleed uit en schuurde om in evenwicht te blijven met zijn handen langs de muur. ‘Vervloekt zij deze rot stad,’ barstte hij in woede uit. En de tovenaar antwoordde droogweg: ‘Dat hoeft al niet meer, geloof ik.’
Inderdaad gaf Hort je een gevoel van onbehagen, er hing onbehagen in de lucht, zodat je werkelijk de indruk kreeg dat er een vloek op de stad rustte. En toch was dat niet de aanwezigheid van iets, maar eerder de afwezigheid, een algehele verlamming, als het ware een ziekte waardoor de geest van iedere bezoeker reeds spoedig werd aangetast. Zelfs de warmte van de middagzon had iets ziekmakends over zich: de hitte was voor maart veel te drukkend. De straten en stegen bruisten van leven en nering, maar nergens bleek iets van orde of welvaart. De koopwaar zag er armetierig uit, de prijzen waren hoog en zowel voor koper als verkoper was het op de markt niet veilig, omdat het er wemelde van dieven en rondstropende benden. Er lieten zich op straat maar weinig vrouwen zien, en als ze er waren, liepen ze meestal in groepjes. Het was een stad zonder wetten of gezag. Uit hun gesprekken met de inwoners bleek Arren en Sperwer al spoedig dat Hort als geheel geen stadraad, burgemeester of heer meer had. Van degenen die vroeger de stad bestuurd hadden, waren sommige gestorven, anderen afgetreden, en weer anderen aan een aanslag ten offer gevallen. De verschillende wijken van de stad stonden ieder onder een eigen heer, de havenwachters dreven de haven en spekten hun beurzen, en elders was het navenant.
Een centrum had de stad ook niet meer. Ondanks al die rusteloze activiteit leken de inwoners geen doel voor ogen te hebben. De ambachtslieden schenen er geen eer in te stellen goed werk af te leveren en zelfs de rovers roofden omdat het het enige was waartoe ze nu eenmaal in staat waren. Aan de oppervlakte alle lawaai en leven van een grote havenstad, maar overal aan de randen de roerloze hazia-kauwers. En onder de oppervlakte had alles iets onwerkelijks over zich, zelfs de gezichten, geluiden en geuren. Gedurende die lange, warme namiddag waarin Arren en Sperwer door de straten liepen en nu eens met deze, dan met gene een gesprek aanknoopten, vervaagde dat alles zo nu en dan. Het vloeide helemaal weg. De gestreepte luifels, de smerige straatkeien, de beschilderde muren, heel de levendigheid van het leven verdween en liet de stad achter als een stad van dromen, triest en verlaten in het heiige zonlicht. Alleen hoog boven de stad waar ze laat in de middag even zaten uit te rusten, werd deze landerige dagdroom een moment doorbroken. Een paar uur geleden had Sperwer gezegd: ‘Dit is geen stad van geluk,’ en nu, na vele uren van doelloos rondzwerven en vruchteloze gesprekken met vreemdelingen, stond zijn gezicht grimmig en vermoeid. Het vernis van zijn vermomming was dun aan het worden: achter het masker van de zeeman werd een glimp van hardheid en duisternis zichtbaar. Arren had zijn ergernis van die morgen niet van zich af kunnen schudden. Zij zaten op de ruwe humus van de heuveltop in de schaduw van een groepje pendickbomen, een weelde van donkere bladeren en rode knoppen waarvan sommige reeds waren opengegaan. Van daaruit zagen zij van de stad enkel nog de met pannen gedekte daken die trapsgewijs afdaalden naar de zee. De baai strekte haar armen uit in een wijds gebaar, leikleurig blauw onder de voorjaarsnevel, en reikte naar de rand van de hemel. Er waren geen lijnen, geen grenzen. Zij staarden in die immense blauwe verten en Arrens hart klaarde op, opende zich voor een blijde ontmoeting met de wereld. Toen zij hun dorst gingen lessen aan een beekje dat vlak bij hen helder over de rotsen wegvluchtte van zijn bron in een der vorstelijke tuinen op de heuvel achter hen, nam hij een diepe teug en dompelde zijn hoofd geheel onder in het koude water. Toen stond hij op en zong de regels uit de Geste van Morred:
Sperwer lachte hem toe en hij lachte terug. Hij schudde zijn hoofd als een hond en sprankelend sprongen de druppels omhoog in de laatste gouden schijn van het zonlicht. Zij verlieten het bosje pendickbomen en keerden terug naar de straten van de stad; en toen zij het avondmaal gegeten hadden aan een kraampje waar vettige viskoeken te koop waren, hing de nacht reeds zwaar over de stad. Het werd snel donker in de nauwe straten. ‘We moesten maar gaan, jongen,’zei Sperwer en Arren vroeg: ‘Naar de boot?’ ook al wist hij heel goed dat het niet de boot zou zijn, maar het huis boven de rivier en de lege, stoffige, onbehaaglijke kamer. Haas stond hen in de deuropening op te wachten. Hij stak een olielamp aan en ging hen voor de donkere trap op.
Het nietige vlammetje flakkerde gedurig door het trillen van zijn hand en wierp langgerekte, snelle schaduwen op de wand. Hij had als zitplaats voor zijn bezoekers een tweede strozak neergelegd, maar Arren nam ook nu plaats op de kale vloer, vlak bij de deur. De deur ging naar buiten open en buiten was dus ook de beste plaats voor een wachtpost. Die pikdonkere gang was echter meer dan hij kon verdragen en hij wilde tevens Haas in het oog houden. Sperwers aandacht, en wellicht ook zijn macht, zou wel geheel op Haas zijn gericht, op wat deze hem zou vertellen of laten zien; opletten voor een valstrik was dus zaak van Arren.
Haas maakte een flinkere indruk en hij beefde minder; hij had zijn mond en tanden schoongemaakt. Aanvankelijk klonk het echt wel verstandig wat hij zei en was hij alleen wat opgewonden. In het lamplicht waren zijn ogen zo donker dat het leek alsof, net als bij dieren, het oogwit geheel ontbrak. Hij praatte ernstig op Sperwer in en drong erop aan dat hij hazia zou kauwen. ‘Ik wil je meenemen, met mij meenemen. We moeten dezelfde weg gaan. Nog even en dan ben ik weg, of jij nu klaar bent of niet. Je moet hazia hebben om te kunnen volgen.’
‘Ik denk dat ik je ook zonder kan volgen.’
‘Niet daarheen waar ik naar toe ga. Dit is geen…spreuken weven.’ Hij scheen niet in staat de woorden
