lichaam en geest gesponnen. Er welde geen moed in hem op om zijn vrees te bevechten, enkel een soort doffe wrok tegen zijn lot. Hij moest de boot hier niet zomaar laten drijven, vlakbij de rotsige kusten van een land waar de inwoners vreemdelingen aanvielen; dit was hem volkomen duidelijk, maar zei hem weinig. Wat moest hij ertegen doen? De boot naar Roke terugroeien? Hij was verloren, hopeloos verloren in de uitgestrektheid van het Ruim. Nooit zou hij in staat zijn de boot door al die weken van hun tocht terug te brengen naar vriendelijker oorden. Alleen met hulp van de tovenaar was hij hiertoe in staat en Sperwer was gewond en hulpeloos, even plotseling en zinloos als de dood van Sopli. Zijn gezicht zag er zo heel anders uit, bleekgeel en afgetobd; misschien zou hij wel sterven. Arren bedacht dat hij er goed aan zou doen hem onder de luifel te leggen om hem tegen het zonlicht te beschermen, en hem wat te laten drinken; iemand die veel bloed verloren had, moest drinken. Maar ze hadden al dagenlang gebrek aan water; het vat was bijna leeg. Wat maakte het ook uit? Niets kon nog helpen, alles was nutteloos. Het geluk had hen verlaten. Uren gingen voorbij, de zon blaakte neer en Arren zat daar roerloos, omzwachteld van grauwige hitte.

Er streek een koel briesje langs zijn voorhoofd. Hij sloeg de ogen op. Het was avond; de zon was ondergegaan en in het westen kleurde de hemel zich vaalrood. Op een zoele wind uit het oosten dreef Uitkijk traag verder, vlak onder de steile, beboste kust van Obehol.

Arren ging achter in de boot kijken hoe het met zijn metgezel was; hij schikte hem onder de luifel een stromatras en gaf hem wat water te drinken. Hij deed dit alles haastig en dwong zich niet naar het verband te kijken dat nodig vernieuwd moest worden, want het bloeden was nog niet geheel opgehouden. Door afmatting versuft sprak Sperwer niet; zelfs toen hij begerig van het water dronk, hield hij de ogen gesloten en gleed terstond weer terug in de slaap waarnaar zijn begeerte nog groter was. Stil lag hij daar en toen de wind in de duisternis wegstierf, kwam er geen toverwind in zijn plaats en liet de boot zich weer doelloos wiegen door de trage deining der golven. Maar nu stonden de bergen die rechts van de boot omhoog rezen, zwart afgetekend tegen een met sterren bezaaide hemel en Arren bleef er lange tijd naar kijken. Hun omtrekken kwamen hem vertrouwd voor als had hij ze heel zijn leven al gekend. Vlak voor hij zich te slapen legde, wendde hij zijn blik naar het zuiden en daar, hoog aan de hemel boven de verlaten zee, stond stralend de ster Gobardon. Eronder het tweetal dat met haar een driehoek vormde, en onder deze waren nu drie andere opgekomen, in een rechte lijn naast elkaar, die de driehoek groter maakten. Terwijl de nacht voortschreed, verhieven er zich nog twee uit de deinende vlakte van zwart en zilver; zij waren geel als Gobardon, maar minder fel en neigden zich vanaf de rechter benedenhoek van de driehoek schuin naar links omlaag. Zo stonden daar nu acht van de negen sterren waarvan men zei dat zij tezamen de gestalte vormden van een man of van de Hardische rune Agnen. Arrens ogen konden in dit patroon geen man ontdekken, tenzij onherkenbaar misvormd als bij vele sterrenbeelden. Maar de rune zag hij duidelijk: de omgeknik-te arm en de dwarsstreep; alleen de voet ontbrak, de voor voleinding laatste streek, de ster die nog niet was opgekomen. Naar haar uitziend viel Arren in slaap. Toen hij in de ochtendschemer ontwaakte, was Uitkijk verder van Obehol weggedreven. Behalve de toppen der bergen ging heel de kust nu schuil achter nevels die zich boven de zachtpaarse wateren in het zuiden waar de laatste sterren verbleekten, tot een ijle sluier verdunden.

Hij keek naar zijn metgezel. Sperwers adem ging onregelmatig alsof de pijn voortsmeulde vlak onder de spiegel van de slaap, maar er net niet doorheen brak. In het kille, schaduwloze licht zag hij er oud en afgemat uit. Naar hem kijkend zag Arren een man wie geen macht meer restte, geen tover, geen kracht, zelfs geen wil tot leven, niets. Sopli had hij niet kunnen redden en evenmin had hij de speer van zich af kunnen wenden. Hij had hen in gevaar gebracht en hen niet kunnen redden. Nu was Sopli dood, lag hij zelf op sterven en zou Arren weldra ook sterven. Door de schuld van deze man; en voor niets, tevergeefs. Zo zat Arren naar hem te kijken met ogen helder van wanhoop die niets zagen. Er kwamen geen herinnering in hem boven aan de fontein onder de lijsterbesboom of aan het witte toverlicht op het slavenschip in de mist of aan de trieste boomgaarden rond het huis van de Verver. En ook ontwaakte in hem geen trots of koppige verbetenheid. Hij zag de dageraad gloren boven de kalme zee waar laag en breed de deining voortgolfde met de kleur van flets amethyst, en het leek alles een droom, bleek, ongrijpbaar en onwerkelijk. En in de diepten van de droom en van de zee was niets… een gapende leegte. Er waren geen diepten.

De boot dreef verder, traag en naar willekeur, gehoorzamend aan de grillen van de wind. Zwart zich aftekenend tegen de opgaande zon schrompelden achter hen de bergen van Obehol ineen waar de wind vandaan kwam en de boot wegdroeg van het land, weg van de wereld, naar buiten de open zee op.

De Kinderen van de Open Zee

Tegen het middaguur bewoog Sperwer zich en vroeg om water.

Na het drinken vroeg hij: ‘Op welke koers liggen we?’ Boven zijn hoofd bolde zich het zeil en de boot dook als een zwaluw op en neer over de lange golven.

‘West of westnoordwest.’

‘Ik heb het koud,’ zei Sperwer. De zon stond brandend aan de hemel en vulde de boot met hitte.

Arren zei niets.

‘Probeer westelijk aan te houden. Wellogy, ten westen van Obehol. Ga daar aan land. We hebben water nodig.’

De jongen keek voor zich uit over de lege zee.

‘Wat is er met je, Arren?’

De jongen antwoordde niet.

Sperwer probeerde rechtop te gaan zitten en toen hem dat niet lukte, reikte hij naar zijn staf die vlakbij de voorraadkist lag; maar hij kon er niet bij en toen hij weer poogde te spreken, bleven de woorden hem op zijn droge lippen steken. Onder het bloeddoorweekte en hard geworden verband scheurde de wond weer open en er liep een dunne donkerrode spinnedraad over de donkere huid van zijn borst. Hij hapte naar adem en sloot de ogen.

Arren sloeg hem gade, gevoelloos en zonder angst nu. Toen liep hij naar voren en ging weer ineengedoken op de voorplecht zitten, star voor zich uit kijkend. Zijn mond was kurkdroog.

De oostenwind die nu gestaag over de open zee blies, was droog als een woestijnwind. Er waren in het vat nog slechts twee of drie pinten water en deze had Arren Sperwer toegedacht, niet zichzelf; het kwam niet in hem op zelf van dat water te drinken.

Hij had vislijnen uitgezet omdat hij sinds hun vertrek uit Lorbanery geleerd had dat rauwe vis zowel de honger als de dorst verdrijft; maar er kwam nooit iets aan de lijnen. Het kon hem weinig schelen. De boot dreef voort over de verlatenheid van water. Traag, maar de wedloop uiteindelijk toch met een volle hemellengte winnend, dreef boven de boot de zon van oost naar west.

Eenmaal meende Arren in het zuiden een blauwe hoogte te zien die land kon zijn of een wolk. De boot voer reeds urenlang naar het westnoordwesten, maar Arren deed geen poging haar over een andere boeg te wenden; hij liet haar gaan zo ze ging. Het land kon schijn of werkelijkheid zijn; het liet hem onverschillig. Voor hem was alles vaag en onwerkelijk, heel de wijdse, woeste pracht van wind, licht en oceaan. Het duister kwam, toen weer het licht, duister, licht, als slagen op het strakgespannen trommelvel van de hemel. Hij liet zijn hand langs de kant van de boot door het water glijden. En heel even zag hij toen dit, messcherp: zijn hand bleek-groenig onder het levende water. Hij boog zich voorover en zoog het vocht van zijn vingers. Het was bitter, brandde in zijn lippen, maar hij deed het nog eens. Toen voelde hij zich misselijk en stuipte kokhalzend ineen, maar er kwam enkel wat brandende gal omhoog in zijn keel. Er was geen water meer dat hij Sperwer kon geven en hij schuwde zich bij hem in de buurt te komen. Hij ging liggen, huiverend ondanks de hitte. Alles was stil, dor en schel, angstaanjagend schel. Hij beschutte zijn ogen tegen het licht.

Zij stonden in de boot, drie in getal, broodmager en hoekig als vreemde donkere reigers of kraanvogels. Hun stemmen klonken ijl als vogelstemmen. Hij kon hen niet verstaan. Een ervan knielde over hem heen met een donkere blaas op de arm en sprietste er iets uit in Arrens mond; het was water. Arren dronk begerig, verslikte zich, dronk weer tot de hele waterzak leeg was. Toen keek hij om zich heen, krabbelde overeind en zei: ‘Waar is… waar is hij?’ Want in Uitkijk waren alleen nog hij zelf en de drie tengere, tanige vreemdelingen. Zij keken hem onbegrijpend aan.

‘De andere man,’ kraste hij, met rauwe keel en tot korsten gedroogde lippen niet in staat de woorden

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату