duidelijk vorm te geven, ‘mijn vriend.’

Een van hen verstond zijn bange zorg, zij het niet zijn woorden; hij legde zijn slanke hand op Arrens arm en wees met de andere. ‘Daar,’ zei hij geruststellend. Arren keek en zag recht-vooruit en aan stuurboord van de boot vlotten liggen, sommige dicht op elkaar en andere in rijen zich uitstrekkend tot ver op de open zee; zo vele vlotten dat zij wel bladeren leken op een vijver in de herfst. Zij hadden geen boorden en op ieder ervan stonden vlakbij het midden een tot twee kajuiten of hutten; ook hadden sommige een mast. Zij dreven daar als bladeren, statig wiegend op de brede deining van de westelijke oceaan die onder hen door golfde.

Tussen hen in de spiegeling van zilveren waterwegen en boven hen torenden machtige paarsgouden regenwolken omhoog die de westelijke hemel verduisterden. ‘Daar,’ zei de man en wees naar een groot vlot vlakbij Uitkijk. ‘Leef hij nog?’

Zij keken hem alle drie aan en tenslotte begreep er een wat hij bedoelde. ‘Hij leeft.’ Arren begon te huilen, een droog tranenloos snikken, en een van hen greep hem bij de pols met sterke, smalle hand en hielp hem van Uitkijk over te stappen op het vlot waaraan de boot was vastgemaakt. Het vlot was zo groot en lag zo vast op het water dat de rand onder hun gewicht zelfs niet even door het water overspoeld werd. Een der mannen liep er met Arren dwars overheen, terwijl een ander een zware gaffel met een gekromde punt van walvistand vasthaakte in het ernaast gelegen vlot en het dichterbij trok zodat ze erop over konden stappen. Toen bracht hij Arren naar een tent of kajuit die aan een kant open was en aan de andere drie was afgesloten met geweven voorhangen. ‘Ga liggen,’ zei hij en van toen af wist Arren niets meer.

Hij lag languit op zijn rug en staarde omhoog naar een ruw, groen dak bespikkeld met kleine lichtvlekjes. Hij meende in de boomgaarden van Sememine te zijn, in de heuvels achter Berila waar de vorsten van Enlad de zomer doorbrengen; hij meende er te liggen in het welige gras en door de takken van de appelbomen op te kijken naar het zonlicht. Even later hoorde hij het water klotsen en kabbelen in de holten aan de onderkant van het vlot, en de ijle stemmen van het vlottenvolk sprekend in een taal die eigenlijk het gewone Hardisch was van de Archipel, maar met heel andere klanken en melodie zodat hij er vrijwel niets van verstond; en zo wist hij weer waar hij zich bevond: ver buiten de Archipel, buiten het Ruim, buiten de krans van eilanden, verloren op de open zee. Maar dit alles deerde hem niet nu hij hier even gemakkelijk lag als in het gras van de boomgaarden in zijn vaderland. Nog later bedacht hij dat hij toch eigenlijk maar op moest staan en toen hij het deed, merkte hij hoe broodmager en verbrand zijn lichaam was en hoe wankel, maar willig zijn benen. Hij schoof de geweven voorhang opzij die de hut tot wanden diende, en trad naar buiten in het middaglicht. Terwijl hij sliep had het geregend. Het hout van het vlot — grote gladgeschaafde balken, met zorg gevoegd en gebreeuwd — was donker van vocht en het haar van de slanke, halfnaakte mensen hing donker en sluik omlaag van de regen. Maar in het westen waar de zon stond, was de hemel weer opgeklaard en de wolken trokken als bergen van zilver weg naar het noordoosten. Een der mannen kwam schuchter naar Arren toe en bleef op enige afstand van hem staan. Hij was tenger en klein, niet groter dan een knaap van twaalf en had grote, geduldige, donkere ogen. Hij droeg een speer met een getande punt van ivoor. ‘Ik heb u en uw volk mijn leven te danken,’ zei Arren tot hem. De man knikte.

‘Wilt u mij naar mijn metgezel brengen?’ De vlotter wendde zich om en uitte een hoge doordringende kreet als de roep van een zee vogel. Toen hurkte hij neer als wachtte hij ergens op en Arren volgde zijn voorbeeld. De vlotten hadden alle een mast, maar op dat waar zij zich bevonden, was deze niet opgericht. Aan de masten konden zeilen omhoog gehesen worden die echter klein waren in vergelijking met de breedte van het vlot. Zij waren vervaardigd uit een bruine stof, geen zeildoek of linnen, maar een vezelig materiaal dat eruit zag alsof het niet geweven was, maar samengeperst, ongeveer op de wijze als vilt vervaardigd wordt. Op een der vlotten een kwart mijl van hen vandaan werd het bruine zeil met touwen van de kruisra omlaag gelaten en het begon nu langzaam hun kant op te komen waarbij de andere vlotten die in de weg lagen met haken en stokken opzij geduwd werden. Tenslotte kwam het langszij het vlot waar Arren zich bevond, en toen zij nog slechts door drie voet water van elkaar gescheiden waren, stond de man naast Arren op en sprong achteloos op het andere vlot over. Arren volgde hem en kwam onhandig neer op handen en voeten want zijn benen misten alle sprongkracht. Hij krabbelde overeind en zag hoe de kleine man hem stond aan te kijken, niet spottend, maar met een blik van goedkeuring; Arrens onvervaardheid dwong hem kennelijk bewondering af. Dit vlot was groter en lag hoger op het water dan de overige; het was vervaardigd uit balken van veertig voet lang en vier of vijf voet breed, zwart en glad geworden door de werking van weer en wind. Rond de hutten of omheinde ruimten stonden vreemd gevormde houten beelden en op de vier hoeken waren lange staken opgericht die met bosjes veren van zeevogels waren versierd. Zijn gids bracht hem naar de kleinste hut en daar lag Sperwer in diepe slaap. Arren ging in de hut op de grond zitten. Zijn begeleider keerde terug naar het andere vlot en met Arren bemoeide zich verder niemand. Na ongeveer een uur kwam een vrouw hem wat voedsel brengen: iets met koude vis en reepjes van een doorschijnend groen spul, zout maar best lekker; verder een kommetje water, verschaald en licht smakend naar de pek waarmee het vat gedicht was. Aan de wijze waarop zij hem het water toereikte, zag hij dat zij hem iets kostbaars gaf, iets dat achting verdiende. Hij dronk het met de vereiste eerbied op en vroeg niet om meer, hoewel hij wel tien van die kommen had kunnen leegdrinken. Sperwers schouder was door een ervaren hand verbonden en zijn slaap was diep en rustig. Toen hij wakker werd, stonden zijn ogen helder. Hij keek Arren aan en glimlachte met de aangename, opgewekte glimlach die op dat harde gezicht steeds opnieuw een verrassing was. Plotseling voelde Arren de tranen weer naar zijn ogen opwellen. Hij legde zijn hand op die van Sperwer en zei niets.

Een van de vlotters kwam naderbij en hurkte neer in de schaduw van een grote hut vlak naast de hunne; een soort tempel blijkbaar met boven de deur een uiterst ingewikkeld motief in houtsnijwerk en met deurposten gemaakt uit balken waarin brullende grijze walvissen waren uitgesneden. De man was klein en mager als de overigen en van jongensachtige gestalte, maar zijn gezicht was van jaren doorgroefd en verweerd. Hij droeg enkel een lendendoek, maar dwong eerbied af door het kleed der waardigheid. ‘Hij moet slapen,’ zei hij en Arren liet Sperwer in de hut achter en ging op hem toe. ‘U bent de hoofdman van dit volk,’ zei Arren die in staat was een vorst te herkennen waar hij hem zag. ‘Ja,’ zei de man met een korte hoofdknik. Arren stond voor hem, roerloos en rechtop. Even ontmoetten de donkere ogen van de man die van Arren. ‘U bent ook een hoofdman,’ stelde hij vast.

‘Ja,’ antwoordde Arren. Hij had wat graag willen weten hoe de vlotter dit wist, maar liet het niet merken. ‘Maar ik dien gindse man, mijn meester.’

De hoofdman van de vlotters zei iets waar Arren totaal niets van verstond: woorden waarvan de klank onherkenbaar veranderd was, of namen die hij niet kende; toen zei hij: ‘Waarom u naar Balatran gekomen?’

‘Op zoek naar…’

Maar Arren wist niet hoeveel hij kon zeggen en eigenlijk ook niet wat. Alles wat er gebeurd was, het hele verhaal van hun queeste leek hem nu ver weg te liggen en speelde ordeloos door zijn hoofd. Tenslotte zei hij: ‘Wij kwamen naar Obehol. Zij vielen ons aan toen we aan land gingen. Mijn heer werd gewond.’

‘En u?’

‘Ik werd niet gewond,’ zei Arren en de koele zelfbeheersing die hij van kindsbeen af aan het hof geleerd had, kwam hem thans goed van pas. ‘Maar er was… er kwam iets als waanzin over ons. Er was een man hij ons die zich verdronken heeft. Toen kwam de vrees…’ Hij hield in en zweeg weer. De hoofdman keek hem aan met zwarte, glansloze ogen. Na enige tijd zei hij: ‘U bent hier dus bij toeval heen gekomen.’

‘Ja. Zijn we nog steeds in het Zuidruim?’

‘Ruim? Nee. De eilanden…’ De hoofdman beschreef met zijn slanke, zwarte hand een boog, niet meer dan een kwart van de kompasroos, van noord naar oost. ‘Daar zijn de eilanden,’ zei hij. ‘Alle eilanden.’ Toen wees hij naar het avondlicht over de zee voor hen van noord door west naar zuid en zei: ‘De zee.’

‘Uit welk land komt u, heer?’

‘Geen land. Wij zijn de Kinderen van de Open Zee.’ Arren keek naar zijn spitse gezicht. Hij keek om zich heen naar het grote vlot met de tempel en de rijzige afgodsbeelden, ieder gehouwen uit een enkele boorn, machtige godengestalten samengegroeid uit dolfijnen, vissen, mensen en zeevogels; naar de mensen die druk aan het werk waren: weven, hout bewerken, vissen, koken op een soort houten aanrecht, kinderen verzorgen; naar de andere vlotten, minstens zeventig in getal, die in een grote kring van misschien een mijl doorsnee over het water verspreid lagen. Het was een stad: rook steeg in dunne pluimen op van verafgelegen woningen en kinderstemmen dreven hoog voorbij op de wind. Het was een stad en onder haar grondvesten gaapte de afgrond.

‘Gaat u nooit aan land?’ vroeg de jongen met zachte stem. ‘Eenmaal per jaar. We gaan dan naar het Lange Zand. Daar kappen we hout en herstellen de vlotten. Dat is in de herfst en daarna volgen we de grijze walvissen naar het noorden. In de winter gaan we uiteen en ieder vlot zorgt dan voor zichzelf. In het voorjaar komen we tezamen bij Balatran. Dan is er een komen en gaan van vlot tot vlot; dan worden er huwelijken gesloten en dansen

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату