Orm Embar

In de kortste nacht van het jaar brandden er op de vlotten die in een grote kring bijeen lagen onder de met sterren bezaaide hemel, heel de nacht toortsen zodat er van de zee een krans van vuur oplaaide. Het vlottenvolk danste zonder trommel of fluit of enige muziek dan de klop van naakte voeten op de grote, deinende vlotten en de ijle stemmen van hun zangers die klaaglijk verklonken in de wijdsheid van hun woongebied, de zee. Die nacht scheen er geen maan en de lichamen der dansers waren in het licht van sterren en toortsen slechts vage schimmen. Nu en dan sprong in een flits als van een vliegende vis een jongeman van het ene vlot naar het volgende over: verre en hoge sprongen waarin zij met elkaar wedijverden en poogden heel de krans van vlotten rond te gaan en overal te dansen totdat zij bij het aanbreken van de dag de ring hadden gesloten. Arren danste met hen mee, want de Lange Dans wordt gedanst op alle eilanden van de Archipel, ook al zijn passen en zangen soms verschillend. Terwijl de nacht voortschreed en vele dansers het opgaven en zich neerzetten om toe te kijken of in te dutten, en terwijl de stemmen der zangers hees werden, bereikte hij met een groep springlustige lieden het vlot van de hoofdman; daar hield hij er mee op en liet de anderen verder gaan.

Sperwer zat met de hoofdman en de drie vrouwen van de hoofdman naast de tempel. Tussen de in hout gesneden walvissen die er de deurposten van vormden, zat een zanger wiens hoge stem de ganse nacht nog geen ogenblik gehaperd had. Onvermoeibaar zong hij voort, met de hand het ritme kloppend op het houten dek.

‘Waarover zingt hij?’ vroeg Arren de tovenaar, want de woorden werden lang aangehouden met trillers en vreemde accenten op de noten, zodat hij er geen wijs uit kon worden. ‘Van grijze walvissen en de albatros en de storm… De zangen der helden en koningen zijn bij hen onbekend. De naam van Erreth-Akbe is hen onbekend. Daarstraks zong hij van Segoy, hoe hij de landen ordende in zee. Dat is het enige wat zij zich herinneren van het oerweten der mensen; al het overige is van de zee.’ Arren luisterde; hij hoorde hoe de zanger het fluiten der dolfijnen nabootste en er zijn lied omheen weefde. Hij keek naar Sperwers profiel in het schijnsel der toortsen, donker en stoer als een rots; hij zag de ogen der vrouwen van de hoofdman vochtig glanzen terwijl zij zacht met elkaar spraken; hij voelde het vlot loom en langzaam meedeinen met de kalme zee en gleed traag weg in sluimer.

Plotseling schoot hij wakker: de zanger was stilgevallen. En niet alleen degene die hier bij hen zat, maar ook al de overigen op de vlotten veraf en nabij. De ijle stemmen waren weggestorven als in de verte het krijsen van zeevogels, en het was doodstil. Arren keek over zijn schouder naar het oosten waar hij de dageraad verwachtte. Maar daar was enkel, goud tussen de sterren van de zomer, de oude maan net opgekomen en reed laag over de golven.

Toen keek hij naar het zuiden en zag hoog aan de hemel de gele Gobardon, en onder hem de acht gezellen, tot de laatste toe: de Rune van Einding stond helder en stralend boven de zee. En toen hij zich naar Sperwer omwendde zag hij diens donkere gezicht diezelfde sterren toegewend. ‘Waarom zwijg je?’ hoorde hij de hoofdman de zanger vragen. ‘De dag is nog niet aangebroken, zelfs niet de dageraad.’ En stamelend antwoordde de man: ‘Ik weet het niet.’

‘Zing door. De Lange Dans is nog niet ten einde.’

‘Ik weet de woorden niet,’ zei de zanger en zijn stem schoot uit als in een schelle angstkreet. ‘Ik kan niet zingen. Ik ben het lied vergeten.! ‘Zing dan een ander.’

‘Er zijn geen zangen meer. Het is ten einde.’ De zanger schreeuwde het uit en kromp ineen tot een vormeloze hoop op het dek; en de hoofdman keek naar hem, star van verbijstering. De vlotten wiegden zwijgend op en neer onder hun knetterende toortsen. Het zwijgen van de oceaan omsloot de nietige sprank van leven en licht op haar golven en verslond haar. De dansers stonden roerloos.

Toen leek het Arren alsof de schittering der sterren verflauwde terwijl er toch geen daglicht gloorde in het oosten. Een huivering voer door hem heen en hij dacht: de zon zal nooit meer opgaan; de dag zal nooit meer aanbreken. De tovenaar stond op. En terwijl hij dit deed, liep er wit en snel een zwak licht omhoog langs zijn staf dat helder opgloeide in de rune die met zilver in het hout stond gegrift. ‘De dans is niet ten einde,’ zei hij, ‘en evenmin de nacht. Zing, Arren.’ Arren stond op het punt te zeggen: ‘Ik kan niet, heer,’ maar in plaats daarvan keek hij naar de negen sterren in het zuiden, haalde diep adem en zong. Eerst was zijn stem zwak en hees, maar zij werd tijdens het zingen sterker, en zijn zang was de oudste zang, de zang van de Schepping van Ea en van het evenwicht van licht en duister en van de schepping der groene landen door hem die het eerste woord uitsprak, Segoy, de oudste der Vorsten.

Nog voor het einde van zijn lied was de hemel verbleekt tot grijzig blauw waarin enkel nog de maan en Gobardon zwak oplichtten. De toortsen sisten in de wind van de dageraad. Toen was het lied uit en Arren zweeg; en de dansers die om hem heen hadden staan luisteren, keerden, nu het licht in het oosten aangroeide, zwijgend terug naar hun vlotten. ‘Dat is een goed lied,’ zei de hoofdman. Zijn stem klonk onzeker, hoewel hij alle moeite deed zijn gevoelens te beheersen. ‘Het is niet goed de Lange Dans te beeindigen voor zij is voltooid. Ik zal de zangers om hun luiheid met nilgu-zwepen laten geselen.’

‘Troost hen liever,’ zei Sperwer. ‘Geen zanger zwijgt uit eigen verkiezing. Kom mee, Arren.’

Gevolgd door Arren wendde hij zich om en wilde naar de hut gaan. Maar het vreemde gebeuren van die morgen was nog niet voorbij, want op dat ogenblik, terwijl aan de oostelijke einder van de zee een witte lichtschijn gloorde, kwam uit het noorden een grote vogel aanvliegen, zo hoog dat zijn wieken het zonlicht vingen waarvan de wereld nog verstoken bleef, en met gouden slagen de lucht doorkliefden. Arren slaakte een kreet en wees. Verrast keek de tovenaar omhoog. Toen kwam er in zijn ogen een woeste vreugde en hij schreeuwde met luide stem: ‘Nam hietha arw Ged arkvaissa,’ en dat betekent in de Spraak der Schepping: ‘Als gij Ged zoekt, hier is hij.’ En omlaag flitsend als een gouden schietlood, met machtig zoevende vlerken hoog boven zich, met klauwen in wier greep een stier niet groter zou lijken dan een muis, en met opengesperde neusgaten waaruit rokerige vlammen krullend oplaaiden, streek de draak als een valk neer op het wiegende vlot. Het vlottenvolk schreeuwde luid; sommigen wierpen zich op de grond, anderen sprongen in zee, weer anderen keken roerloos toe omdat hun vrees door verbijstering was verlamd.

De draak torende hoog boven hen uit. Hij mat misschien negentig voet van spits tot spits van zijn machtige vliezige vlerken die in het jonge zonlicht sprankelden als met goud doorschoten rook; en wel even lang was zijn lijf, met de slanke welving van een hazewind, met klauwen als een hagedis en schubben als een slang. Over de hele lengte van zijn smalle rug liep een rij spitse tanden die eruit zagen als dorens van een roos, maar op de kromming van zijn rug drie voet hoog waren en dan in grootte afnamen waar aan de punt van zijn staart de laatste niet langer was dan het lemmet van een kleine dolk. Deze dorens waren grijs en ook de schubben van de draak waren grijs als ijzer, maar dan doorflonkerd met goud. Zijn ogen waren groene spleten.

Uit angst om zijn volk, de angst om zichzelf vergetend, kwam de hoofdman van het vlottenvolk uit zijn hut met in de hand een harpoen zoals zij die bij de walvisjacht plachten te gebruiken: het wapen was langer dan hijzelf en de punt was voorzien van weerhaken en vervaardigd van ivoor. Hij balanceerde het op zijn magere gespierde arm en nam een machtige aanloop om het weg te slingeren en de draak te treffen in het dunne pantser van de buik die vlak boven het vlot hing. Opschrikkend uit zijn verbijstering zag Arren hem aankomen; hij sprong vooruit, greep hem bij de arm en kwam samen met hem en de harpoen in een kluwen neer op het dek. ‘Moet hij kwaad worden om uw stomme speldeprikken?’ hijgde hij. ‘Laat eerst de Drakendwinger spreken.’

Naar adem happend en volkomen verdwaasd keek de hoofdman Arren aan, daarna de tovenaar en de draak, maar hij zei niets. En toen begon de draak te spreken. Niemand behalve Ged tot wie hij sprak, kon hem verstaan, want draken spreken enkel de Oude Spraak die nog steeds hun taal is. Zijn stem was zacht en sissend, bijna als van een kat die zacht zijn woede uitschreeuwt, en toch geweldig en klankvol in vreeswekkende welluidendheid. Wie die stem hoorde, stond stil en luisterde.

De tovenaar gaf kort antwoord en weer sprak de draak, boven hem zwevend op zacht zoevende vlerken: stilhangend, dacht Arren, als een water juffer in de lucht. Toen antwoordde de tovenaar met slechts een enkel woord: ‘Memeas — Ik kom,’ en hij hief zijn staf van taxushout omhoog. De draak opende zijn muil en er ontsnapte een rookpluim als een langgerekte arabesk. Zijn gouden vlerken roffelden als donderslagen en veroorzaakten een luchtstroom die naar brand riekte. Hij verhief zich en vloog met machtige slagen naar het noorden.

Het was stil op de vlotten behalve de dunne stemmen van huilende kinderen en van de vrouwen die hen troostten. Beschaamd hesen de mannen zich uit zee weer aan boord en de vergeten toortsen gloeiden op in de eerste zonnestralen. De tovenaar wendde zich tot Arren. In zijn ogen lag een vuur dat vreugde kon zijn of ook

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату