hevige toorn, maar zijn stem was kalm. ‘Wij moeten nu gaan, jongen. Neem afscheid en ga mee.’ Hij wendde zich tot de hoofdman van het vlottenvolk, dankte hem, zei hem vaarwel en ging van het grote vlot over drie andere — want nog steeds lagen zij in een kring dicht opeen voor de dans — naar de plaats waar Uitkijk lag vastgemeerd. Daar had de boot de vlottenstad gevolgd, leeg erachteraan deinend tijdens de lange trage drijftocht naar het zuiden. Maar de Kinderen van de Open Zee hadden het lege vat met opgespaard regenwater gevuld en een voorraad voedsel aan boord gebracht; op die wijze wilden zij hun gasten eer bewijzen want velen onder hen meenden dat Sperwer een der Geweldigen was die in plaats van de gedaante van een walvis die van een mens had aangenomen. Toen Arren zich bij hem voegde, had hij het zeil reeds gehesen. Arren maakte het touw los en sprong in de boot, en ogenblikkelijk schoot zij weg van het vlot en bolde zich haar zeil als bij een straffe wind, hoewel er enkel de flauwe bries woei van zonsopgang. Zij hielde bij haar zwenking en spoedde zich noordwaarts op het spoor van de draak, licht als een blad dat wordt voortgeblazen door de wind.
Toen Arren achteromkeek, zag hij de vlottenstad nog slechts als verstrooide dunne stokjes en drijvende schilfers hout; de hutten en de toortsen. Al spoedig gingen ook deze verloren in de glinstering van het vroege zonlicht op de golven. Uitkijk vloog voorwaarts. Waar haar boeg door het water sneed, spatte een regen op van fijn kristal en de wind van haar vaart blies Arrens haar achterover en dwong hem de ogen dicht te knijpen. Geen wind van de aarde zou die nietige boot zo snel hebben voortgestuwd, tenzij een storm en dan zou zij in de machtige golven zijn ondergegaan. Het was echter geen wind van de aarde die haar zo over het water deed voortijlen, maar het woord en de macht van de tovenaar.
Lang stond de tovenaar bij de mast met spiedende ogen. Tenslotte ging hij op zijn gewone plekje zitten bij de hemstok, legde er zijn hand op en keek Arren aan. ‘Dat was Orm Embar,’ zei hij, ‘de Draak van Selidor uit het geslacht van de grote Orm die Erreth-Akbe versloeg en door hem verslagen werd.’
‘Was hij op jacht, heer?’ vroeg Arren, want hij was er niet zeker van of de tovenaar met de draak in vriendschap had gesproken dan wel in dreigende woede.
‘Op jacht naar mij. Waarop draken jacht maken, dat vinden zij ook. Hij kwam mijn hulp inroepen.’ Hij lachte kort. ‘En dat is iets wat ik niet zou geloven als het mij verteld werd: een draak die zich tot een mens om hulp wendt. En dan van de draken ook nog deze. Hij is niet de oudste onder hen, hoewel hij zeer oud is, maar hij is wel de machtigste. Hij hoeft zijn naam niet te verbergen zoals de overige draken en de mensen dat moeten doen. Hij is niet bang dat iemand macht over hem zal krijgen. Ook is hij niet trouweloos zoals de overige van zijn soort. Lang geleden spaarde hij op Selidor mijn leven en vertelde mij een grote waarheid: hij zei mij hoe ik de Rune der Koningen kon terugvinden. Hem dank ik de Ring van Erreth-Akbe, maar ik heb nooit vermoed een zo grote schuld te kunnen terugbetalen aan een zo groot schuldheer.’
‘Wat vraagt hij van u?’
‘Me de weg te mogen wijzen die ik zoek,’ zei de tovenaar grimmig. En even later: ‘Hij zei: “Er is in het westen een Drakendwinger die ons met vernietiging bedreigt en zijn macht is groter dan de onze.” Ik zei: “Zelfs dan de uwe, Orm Embar?’’ en hij antwoordde: “Zelfs dan de mijne. Ik heb u nodig; kom mij ijlings te hulp.” En aan die roep gehoorzaam ik.’
‘Is dat alles wat u weet?’
‘Ik zal spoedig meer weten.’
Arren rolde het meertouw op, borg het weg en deed nog wat andere kleinigheden in de boot. Maar terwijl hij hiermee bezig was, zong in hem een vreugdevolle opwinding als een gespannen boogpees en zij zong ook in zijn stem toen hij tenslotte tot Sperwer zei: ‘Dit is een beter leidsman dan de anderen.’ Sperwer keek hem aan en lachte. ‘Zeker,’ zei hij, ‘dit keer zullen we, denk ik, niet uit de koers raken.’ En zo begon het tweetal zijn lage ijltocht over de oceaan. Meer dan duizend mijlen liggen er tussen de op geen kaart bekende zeeen van het vlottenvolk en het eiland Selidor dat van alle landen van Aardzee het verst naar het westen ligt. Dag na dag rees stralend op van een heldere horizon en verzonk in het rode westen; en onder de gouden boog van de zon en de zilveren wenteling der sterren ijlde de boot naar het noorden, geheel alleen op de wijdse zee.
Soms pakten zich in de verte de donderwolken van hoogzomer samen en wierpen hun purperen schaduwen langs de horizon; dan keek Arren toe hoe de tovenaar opstond en met stem en hand de wolken gebood naar hen toe te drijven en hun regen uit te storten boven de boot. Dan sprong de bliksem van wolk tot wolk en grolde de donder. Maar de tovenaar stond rechtop met hooggeheven hand totdat de regen op hem en Arren neergutste, en in de vaten die zij hadden klaargezet en in de boot en over de zee wier golven onder dit geweld geeffend werden.
Hij en Arren grijnsden dan van blijdschap, want voedsel hadden zij genoeg, zij het niet in overvloed, maar water hadden zij hard nodig. En het schonk hen vreugde te zien hoe de grootste woede van de storm zich voegde naar het woord van de tovenaar.
Arren stond verbaasd dat zijn metgezel die macht nu zonder bedenken gebruikte en zei: ‘In het begin van onze tocht wilde u geen tover weven.’
‘De eerste les op Roke, en tevens de laatste, is deze: Doe wat nodig is. Meer niet.’
‘De lessen daar tussen bestaan dus in het leren weten wat nodig is.’
‘Inderdaad. Men moet het Evenwicht in acht nemen. Maar als het Evenwicht zelf verbroken is, dan dient men aan andere zaken aandacht te schenken. In de eerste plaats aan haast.’
‘Maar hoe is het dan mogelijk dat alle wijzen van het zuiden — en onderhand ook elders, zelfs de zangers van het vlottenvolk — dat zij allen hun kennis verloren hebben, maar gij de uwe hebt behouden?!
‘Omdat mijn kennis alles is wat ik begeer,’ zei Sperwer. En even later voegde hij er opgewekter aan toe: ‘En als ik mijn kennis dan moet verliezen, zal ik er, zolang het duurt, zo goed mogelijk gebruik van maken.’
Er was nu inderdaad iets onbekommerds in zijn handelen, een puur plezier in zijn vaardigheid, iets dat Arren die hem enkel in zijn bezorgdheid kende, nooit in hem had vermoed. Het talent van een tovenaar vermeit zich in goocheltoeren; een tovenaar is een goochelaar. Voor Sperwer was de vermomming in Hort die Arren zo in de war had gebracht, een spel; en dan nog kinderspel voor iemand die niet alleen zijn gezicht en stem naar believen kon veranderen, maar ook zijn lichaam en zijn wezen, die naar hij wilde een vis kon worden, een dolfijn of een havik. Op een dag zei hij: ‘Kijk, Arren, ik zal je Gont laten zien,’ en liet hem in het watervat kijken dat hij geopend had en dat tot de rand gevuld was. Er zijn veel tovenaars die een beeld kunnen doen verschijnen op de waterspiegel en hij had het nu ook gedaan: een hoge berg met een kroon van wolken die oprees uit een grauwe zee. Toen wisselde het beeld en Arren zag nu duidelijk een klip van dat bergeiland. Het leek of hij een vogel was, een zeemeeuw of een valk die buiten de kust op de wind hing en door de wind neerkeek op die klip die tweeduizend voet hoog uittorende boven de brekers. Bovenop de klip stond een hut. ‘Dat is Re Albi,’ zei Sperwer, ‘en daar woont mijn leermeester Ogion die lang geleden de aardbeving tot bedaren bracht. Hij verzorgt er zijn geiten en verzamelt kruiden en bewaart zijn stilzwijgen. Ik vraag me af of hij nog steeds ronddwaalt over de berg; hij is nu al zeer oud. Maar als Ogion stierf, zou ik het weten, beslist, ik zou het weten, zelfs nu...’
Er klonk geen zekerheid in zijn stem, want voor een ogenblik werd het beeld verstoord en leek het of de klip omlaagstortte. Maar het beeld werd helder en zo ook zijn stem. ‘In de nazomer en in de herfst placht hij geheel alleen de wouden in te gaan. En zo kwam hij ook naar mij, die eerste keer toen ik nog een kwajongen was uit een bergdorp, en hij gaf mij mijn naam. En daarmee ook mijn leven.’ Nu gaf het beeld op de waterspiegel de kijker de indruk dat hij een vogel was tussen de takken van het woud en uitkeek op steile zonbeschenen weiden onder de besneeuwde rotsen van de bergtop, en neerkeek op een steil pad dat omlaagvoerde een groene, gouddoorschoten duisternis in.
‘Er is geen zwijgen als het zwijgen van die wouden,’ zei Sperwer mijmerend.
Het beeld vervaagde en er was niets meer te zien dan de verblindende schijf van de middagzon die zich spiegelde in het water van het vat. ‘Daarheen,’ zei Sperwer en hij keek Arren aan met een vreemde, spottende blik, ‘daarheen, als ik ooit daarheen zou mogen terugkeren, zou zelfs jij me niet kunnen volgen.’ Er kwam land in zicht, laag en blauw in de middag als nevelbanken. ‘Is dat Selidor?’ vroeg Arren en zijn hart begon sneller te kloppen, maar de tovenaar antwoordde: ‘Obb, denk ik, of Jessage. We zijn nog niet eens halverwege, jongen.’ Die nacht voeren zij door de straat tussen die twee eilanden. Zij zagen geen lichten, maar er hing een geur van brand in de lucht, zo zwaar dat hun longen van het ademen rauw werden. Toen de dag aanbrak en zij achter zich keken, was, zover zij vanaf de kust konden uitzien over het binnenland, het oostelijke eiland, Jessage, geheel verzengd en verschroeid, en gehuld in een dichte blauwe walm.
‘Ze hebben de velden in brand gestoken,’ zei Arren. ‘Ja, en ook de dorpen. Ik heb die brandlucht al eerder geroken.’
‘Zijn het hier dan wilden in het westen?’ Sperwer schudde het hoofd. ‘Boeren; stadsmensen.’ Arren staarde
