hem werd verboden. Deze hoop was even onterecht, even kinderlijk. Er school geen tovermacht in hem. Nu niet en nooit niet. Wellicht zou er ooit tijd komen waarop hij de kroon van zijn vader zou kunnen, zou moeten dragen en zou heersen als Vorst van Enland. Maar dat leek hem nu zo onbelangrijk, zijn vaderland zo’n onbelangrijk en veraf gebied. Het was geen ontrouw van hem; zijn trouw was enkel inniger geworden en gericht op een grootser voorbeeld, een wijdsere verwachting. Ook had hij eigen zwakheid leren kennen en daarmee tevens de maat voor zijn kracht; en hij wist dat hij sterk was. Maar wat voor zin had die kracht als hij geen gave bezat, als hij zijn meester nog altijd niets kon aanbieden dan zijn dienstvaardigheid en zijn bestendige genegenheid? Zou dat daar waar zij heengingen, voldoende blijken?

Sperwer zei enkel: ‘Om het schijnsel van een kaars te zien, moet men haar meenemen naar een donker hoekje.’ En daarmee probeerde Arren zich te troosten, al kon hij er weinig troost in vinden.

Toen zij de volgende ochtend ontwaakten was het onder een grauwe hemel en op een grauwe zee. Maar de nevel hing laag en hoog boven de mast klaarde de hemel op tot blauw opaal. Voor lieden uit het noorden als Arren van Enland en Sperwer van Gont kwam de mist als een welkome gast, een oude vriend. Zachtjes sloot zij zich rond de boot zodat zij niet ver konden zien, en het leek hen of zij weer in een vertrouwd vertrek zaten na vele weken van klare, kale ruimte en waaiende wind. Zij waren weer terug in hun eigen klimaat en bevonden zich nu misschien op dezelfde breedte als Roke.

Een zevenhonderd mijl ten oosten van de mistomhulde wateren waar Uitkijk zeilde, scheen helder zonlicht neer op de bladeren van de bomen in de Besloten Hout, op de groene top van de Bult van Roke en op de hoge leien daken van het Hoge Huis. In een vertrek in de zuidelijke toren, de werkkamer van een tovenaar stampvol retorten en kolven en dikbuikige flessen met kronkelig verwrongen halzen, stevig gemetselde ovens en kleine verhittingsbranders, tangen, blaasbalgen, staanders, pincetten, pipetten, duizenden doosjes en flesjes en gekurkte potjes beschreven met Hardische of nog geheimere runen, en al die andere parafernalia van alchimie, glasblazen, louteren en heelkunde, in dat vertrek stonden tussen de warboel van bankjes en tafels de Magister der Veranderingen en de Magister der Oproepingen van Roke.

De grauwharige Veranderaar hield in zijn handen een grote steen als een ongeslepen diamant. Het was een rotskristal, diep binnenin een waas van amethyst en roze, maar klaar als water. Als echter het oog in die klaarheid neerkeek, vond het er onklaarheid en geen weerspiegeling of beeld van de werkelijkheid die het omringde: enkel vlakken en diepten, steeds verder, steeds dieper totdat het wegzonk in droom en geen uitweg meer vond. Het was de Steen van Shelieth. Hij was lang in het bezit geweest van de vorsten van Waay, nu eens enkel als een der vele snuisterijen uit hun schatkamer, dan weer als tover van slaap en soms ook als werktuig des verderfs: want zij die te lang en zonder kennis neerkeken in die eindeloze diepten van kristal, liepen gevaar door waanzin te worden aangegrepen. De Archimagus Gensher van Waay had bij zijn komst naar Roke de Steen van Shelieth meegebracht want in de handen van een wijze toonde hij waarheid. Maar waarheid wisselt met de mensen. Nu hield de Veranderaar de Steen in zijn handen en keek door het grove, oneffen oppervlak neer in de eindeloze, bleekgekleurde, schemerige diepten, en hij meldde met luide stem wat hij er zag: ‘Ik zie de aarde als stond ik op de berg Onn in het midden van de wereld en lag alles onder mijn voeten, zelfs het verste eiland in de verste Ruimen, en nog verder. En alles is klaar. Ik zie schepen in de engten van Uien en de haardvuren van Torheven en het dak van de toren waar wij ons thans bevinden. Maar aan Roke voorbij zie ik niets. Geen land in het zuiden; geen land in het westen. Ik zie Wathort niet waar ik het zou moeten zien, noch enig ander eiland van het Westruim, zelfs Pendor niet dat toch zo vlakbij ligt. En Osskil, en Eboskill, waar zijn zij? Er hangen nevels over Enlad, grauw als het web van een spin. En iedere keer dat ik kijk, zijn er meer eilanden verdwenen en waar zij lagen, golft ongehinderd een lege zee, zoals het was voor de Schepping…’ en zijn stem haperde bij het laatste woord als kwam het slechts met moeite van zijn lippen.

Hij plaatste de steen weer op zijn ivoren standaard en wendde zich af. Er stond zorg te lezen op zijn vriendelijk gelaat. Hij zei: ‘Zeg me wat gij ziet.’

De Magister der Oproepingen nam het kristal in zijn handen en draaide het langzaam als zocht hij op het ruwe, glazige oppervlak naar een toegang voor zijn blik. Lang bleef hij hiermee bezig in gespannen aandacht. Tenslotte zette hij de steen weer terug en zei: ‘Veranderaar, ik zie vrijwel niets. Brokstukken, flarden die zich niet aaneenvoegen.’

De grauwharige magister wrong de handen. ‘Is dat op zich al niet vreemd?’

‘Hoe zo?’

‘Zijn uw ogen vaak blind?’ riep de Veranderaar als in een vlaag van woede. ‘Ziet gij niet dat er...’ Hij stotterde en het duurde even voor hij weer spreken kon. ‘Ziet gij niet dat er een hand op uw ogen ligt, zoals er ook een hand ligt over mijn mond?’ De Magister der Oproepingen zei: ‘Gij zijt overspannen, heer.’

‘Roep het wezen op van de Steen,’ zei de Veranderaar, nu weer beheerst maar met licht gesmoorde stem. ‘Waarom?’

‘Omdat ik het u vraag.’

‘Kom, Veranderaar, wilt gij me uitdagen… als jongens bij een berekuil. Zijn wij soms kinderen?’

‘Ja. Tegenover dat wat ik in de Steen van Shelieth gezien heb, ben ik een kind, een kind in doodsangst. Roep het wezen op van de Steen. Moet ik u erom smeken, heer?’

‘Nee,’ zei de rijzige magister, maar hij fronste de wenkbrauwen en keerde de oudere man de rug toe. Dan strekte hij de armen uit in het wijdse en grootse gebaar waarmee de spreuken van zijn kunst aanvangen, hief het hoofd op en sprak de silben van oproeping. Terwijl hij sprak, gloorde er een licht op in de Steen van Shelieth. Het vertrek rondom werd donker en vulde zich met schaduwen. Toen de schaduwen diep en de Steen een stralende ster was geworden, bracht hij de handen samen, hief de steen op voor zijn gezicht en keek in zijn lichtende luister. Even zweeg hij en begon toen te spreken. ‘Ik zie de Fonteinen van Shelieth,’ zei hij met zachte stem. ‘De poelen en vijvers en watervallen, de grotten met omlaagdruipende voorhangen van zilver waar varens tussen het mos groeien, het gerimpelde zand, het opspringen der wateren en hun neerdalen, het opwellen der bronnen van diep onder de aarde, het geheim en de zoetheid van het levende krachtige water...’ Weer zweeg hij en bleef lange tijd zo staan, zijn gezicht bleek als zilver in het schijnsel van de steen. Dan uitte hij een zinloze kreet, liet het kristal met een klap op de vloer vallen, zonk op de knieen neer en verborg zijn gezicht in zijn handen.

De schaduwen waren verdwenen. Zomers zonlicht vulde de rommelige kamer. De grote steen lag onder een tafel in het stof, zonder letsel.

De Oproeper tastte als een blinde om zich heen en greep zich als een kind vast aan de hand van de ander. Hij haalde diep adem. Tenslotte stond hij op, half leunend op de Veranderaar en zei met bevende lippen en een poging tot glimlachen: ‘Een volgende maal zal ik uw uitdaging niet aanvaarden, heer.’

‘Wat hebt gij gezien, Thorion?’

‘Ik zag de fonteinen. Ik zag ze wegzinken en de waterstroom droogvallen en de boorden der bronnen zich terugtrekken. En daaronder was alles zwart en droog. Gij hebt de zee van voor de Schepping gezien, maar ik zag… wat daarna komt... Ik zag de Ontschepping.’Hij bevochtigde zijn lippen. ‘Ik wilde dat de Archimagus hier was,’ zei hij. ‘Ik wilde dat wij daarginds bij hem waren.’

‘Waar? Er is niemand die hem nu kan vinden.’ De Oproeper keek omhoog naar de vensters die uitzagen op een blauwe, wolkenloze hemel. Geen boodschap kan tot hem komen, geen oproeping hem bereiken. Hij is daar waar gij een lege zee hebt gezien. Hij is op weg naar de plek waar de bron droogvalt. Hij is daar waar onze kennis geen baat meer biedt... Toch zijn er wellicht zelfs nu nog spreuken die hem kunnen bereiken, de spreuken uit de Leer van Pain.’

‘Maar dat zijn spreuken die doden doen terugkeren onder de levenden.’

‘Soms ook levenden onder de doden doen verkeren.’

‘Meent gij dat hij dood is?’

‘Ik denk dat hij op weg is naar de dood en ernaartoe getrokken wordt. Net als wij allemaal. Onze macht en onze kracht, onze hoop en ons geluk, alles vloeit uit ons weg. De bronnen vallen droog.’

De Veranderaar keek hem aan met bezorgde blik. ‘Poog niet hem een boodschap te zenden, Thorion,’ zei hij tenslotte. ‘Wat hij zocht, wist hij reeds lang voor wij het wisten. Voor hem is de wereld even klaar als deze Steen van Shelieth: hij kijkt en ziet wat er gebeurt en wat er moet gebeuren… Wij kunnen hem niet helpen. De grote spreuken bergen thans vele gevaren in zich en het grootste onheil van alles schuilt in de Leer die gij zojuist genoemd hebt. Wij moeten standhouden zoals hij ons gevraagd heeft, en waken over de wallen van Roke en over de kennis der Namen.’

‘Ja,’ zei de Oproeper. ‘Maar ik moet nu gaan en dit alles overdenken.’ En hij verliet het vertrek in de toren met ietwat stramme schreden en opgeheven edel, donker hoofd. De volgende morgen wilde de Veranderaar hem

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату