uit over de zwarte verwoesting van het land, waar de geblakerde bomen in boomgaarden zich aftekenden tegen de hemel; en er kwam een harde blik in zijn ogen. ‘Welk kwaad hebben de bomen hen gedaan?’ zei hij. ‘Moesten zij het gras doen boeten voor hun eigen wandaden? Alle mensen zijn wilden die een land in brand steken omdat zij met andere mensen in tweedracht leven.’

‘Zij hebben geen leider,’ zei Sperwer. ‘Geen koning; de mannen van macht en de mannen van wijsheid hebben hen allen in de steek gelaten en zich opgesloten in hun geest, op jacht naar de doorgang tot de dood. Zo was het in het zuiden en zo zal het, denk ik, ook hier zijn.’

‘En dat door toedoen van een man… degene over wie de draak ons sprak? Het lijkt onmogelijk.’

‘Waarom? De Koning der Eilanden zou toch ook een man zijn; en hij zou heersen. Voor een man is vernietigen even gemakkelijk als heersen: Koning of Tegenkoning.’ Weer lag in zijn stem die zweem van spot of uitdaging die Arrens wrevel wekte. ‘Een koning heeft dienaren, krijgers, boodschappers, stadhouders. Hij regeert door de hand van zijn dienaren. Waar zijn de dienaren van deze... Tegenkoning?’

‘In ons hart, jongen. In ons hart. De verrader, het eigen ik; het eigen ik dat roept: “Ik wil leven; laat heel de wereld branden zolang ik maar kan leven.” Die kleine verrader is de ziel binnen in ons, verscholen in het donker als een worm in een appel. Hij spreekt tot ons allen, maar slechts enkelen kunnen hem verstaan. De wijzen en de tovenaars. De zangers, de scheppers. En de helden, degenen die zichzelf pogen te worden. Zichzelf zijn is een zeldzame en grootse eigenschap. Voor eeuwig zichzelf zijn, is dat nog niet veel grootser?’

Arren keek Sperwer recht in de ogen. ‘U wilt me ingeven dat het niet grootser is. Maar zeg me waarom. Toen ik aan deze tocht begon, was ik een kind, een kind dat niet geloofde in de dood. U denkt dat ik nog steeds een kind ben, maar ik heb iets geleerd, niet veel misschien, maar toch iets; ik heb geleerd dat de dood bestaat en dat ik zal sterven. Maar ik heb niet geleerd me over die wetenschap te verheugen, mijn eigen dood of de uwe met vreugde te begroeten. Als ik van het leven houd, zal ik dan het einde ervan niet haten? Waarom zou ik niet naar onsterfelijkheid verlangen?’

Arrens schermmeester in Berila was een man geweest van rond de zestig, kort, kaal en koel. Arren had jarenlang een hekel aan hem gehad, ook al wist hij dat de man een voortreffelijk zwaardvechter was. Op een dag was hij tijdens het oefenen door de dekking van zijn leermeester heengebroken en had hem bijna het wapen uit de hand geslagen; en nooit zou hij vergeten hoe de koele trekken van zijn leermeester plotseling opklaarden met een ongelovige, ongerijmde gelukzaligheid, hoop, vreugde: een waardig tegenstander, eindelijk een waardig tegenstander. Vanaf die dag had zijn schermmeester hem keihard aangepakt en altijd lag er tijdens hun tweegevechten op het gelaat van de oude man diezelfde meedogenloze glimlach, die breder werd naarmate Arren hem feller belaagde. En nu lag die glimlach op Sperwers gelaat, flitsend als staal in het zonlicht.

‘Waarom zou je niet naar onsterfelijkheid verlangen? Denk je dat te kunnen? Iedere ziel verlangt ernaar en haar innerlijke rust ligt in de kracht van dat verlangen… Maar wees voorzichtig: jij behoort tot hen die dat verlangen wellicht kunnen bevredigen.’

‘En dan?’

‘Dan dit: een valse koning aan de macht, de kunsten der mensen in vergetelheid geraakt, de zanger zonder tong, het oog blind. Dit... deze plaag en pest over de landen; dit schrijnend leed waartegen wij een heelmiddel zoeken. Twee zijn er, Arren, en die twee zijn een: wereld en schaduw, licht en duisternis. De twee schalen van het Evenwicht. Het leven ontspruit aan de dood, de dood ontspruit aan het leven; tegendelen die smachtend naar elkander uitzien, elkander het aanzijn schenken en steeds weer herboren worden. En samen met hen wordt alles herboren, de bloesems aan de appelboom, de sterren aan de hemel. In leven is dood, in dood is herleven. Wat is immers leven zonder dood, een onveranderd, altijddurend, eeuwig leven? Wat is het anders dan dood… dood zonder herleven?’

‘Als het dan zoveel gewicht in de schaal legt, heer, als door het leven van een man het evenwicht van het geheel geschokt kan worden, dan is het toch zeker onmogelijk… zal toch nooit worden toegestaan…’ Hij zweeg in verwarring. ‘Wie staat toe? Wie verbiedt?’

‘Ik weet het niet.’

‘Ik evenmin. Maar ik weet hoeveel kwaad een mens, een leven in staat is aan te stichten. Ik weet het maar al te goed. Ik weet het omdat ik ook zelf kwaad heb gesticht, hetzelfde kwaad heb gesticht in een zelfde waanzinnige overmoed. Ik zette de deur tussen de twee werelden op een kier, alleen maar op een kier, alleen maar om te tonen dat ik sterker was dan de dood… Ik was nog jong en had de dood nog niet ontmoet, net als jij... Het sluiten van die deur kostte de Archimagus Nemmerle zijn kracht, het kostte hem zijn kennis en zijn leven. Hier zie je het merkteken dat die nacht op mij achterliet, op mijn gezicht; maar hem heeft het gedood. De deur tussen licht en duisternis kan geopend worden, Arren; het kost kracht, maar het kan. Haar te sluiten, dat is echter heel wat anders.’

‘Maar, heer, waar u het over hebt is toch zeker iets heel anders dan dit...’

‘Waarom? Omdat ik een goed mens ben?’ Weer lag in Sperwers ogen die kille, staalharde blik, de blik van de valk. ‘Wat is een goed mens, Arren? Is hij een goed mens die geen kwaad sticht, de deur naar duisternis niet opent, in wiens hart geen duisternis woont? Kijk goed, jongen. Kijk scherper; wat je opmerkt, zul je nodig hebben om daarheen te gaan waar je heen moet gaan. Kijk in je binnenste. Hoorde je niet een stem zeggen: “Kom”? Ben je haar niet gevolgd?’

‘Ik ben haar gevolgd. Ik… ik ben het niet vergeten. Maar ik dacht... Ik dacht dat die stem… van hem was.’

‘Ja, van hem. En ook van jou zelf. Hoe kon hij over de zeeen heen tot jou spreken anders dan met jouw eigen stem? Hoe komt het dat hij tot hen roept die weten hoe te luisteren, de tovenaars en de scheppers en de zoekers, zij die acht slaan op de stem in hun binnenste? Hoe komt het dat hij niet tot mij roept? Omdat ik niet wens te luisteren; ik wens die stem niet nog eens te horen. Jij bent voor macht geboren, Arren, net als ik; macht over mensen, over de zielen der mensen; en wat is dat anders dan macht over leven en dood? Jij bent jong, jij staat op de drempel der mogelijkheden, op de grens van het land der schaduwen, van het domein des doods en je hoort de stem je toeroepen: “Kom.” Maar ik ben oud, ik heb gedaan wat ik doen moest, ik sta in het licht van de dag voor het aangezicht van mijn eigen dood, het eind van alle mogelijkheden, en ik weet dat er slechts een macht is die werkelijk bestaat en de inspanning waard is haar zich te verwerven. En dat is de macht niet om te nemen, maar om te aanvaarden.’

Jessage lag nu ver achter hen, een blauwe smet op de zee, een vuile vlek.

‘Dan ben ik dus zijn dienaar,’ zei Arren.

‘Ja. En ik ben de jouwe.’

‘Maar wie is hij dan? Wat is hij?’

‘Een mens, denk ik… net als jij en ik.’

‘De man die je me eens noemde… die Wijze uit Havnor die de doden opriep? Is hij het?’

‘Misschien wel. Hij bezat grote macht en heel die macht was gericht op het loochenen van de dood. En hij kende de Grote Spreuken uit de Leer van Pain. Toen ik die gebruikte, was ik nog jong en dwaas en bracht ik vernietiging over mezelf. Maar als een oud en krachtig man haar gebruikt die aan de gevolgen zich niets gelegen laat liggen, dan zal hij vernietiging over ons allen brengen.’

‘Heeft men u niet verteld dat die man dood was?’

‘Ja,’ zei Sperwer, ‘dat vertelde men.’

En hier zwegen zij beiden.

Die avond was de zee een zee van vuur. De kammen der golven die door Uitkijks boeg werden teruggeworpen, en de baan van iedere vis die uit de zeespiegel omhoog sprong, stonden scherp tegen de hemel en sprankelden van licht. Arren leunde met zijn arm op het boord en met zijn hoofd op de arm en keek naar de welvingen en windingen van glinsterend zilver. Hij stak de hand in het water en toen hij haar weer ophief, stroomde het licht zachtjes van zijn vingers omlaag. ‘Kijk,! zei hij, ‘ik ben ook een wijze.’

‘Die gave bezit je niet,’ zei zijn metgezel. ‘Dan zult u veel aan me hebben,’ zei Arren en staarde uit over de rusteloos tintelende golven, ‘als we tegenover onze vijand staan.’

Hij had immers gehoopt, hij had van het begin af aan gehoopt dat de Archimagus hem en hem alleen voor deze tocht had uitgekozen omdat hij een ingeboren macht bezat, het erfgoed van zijn voorouder Morred, die in het zwartste uur onthuld zou worden, als de nood het hoogst was; en dan zou hij zichzelf en zijn meester en heel de wereld bevrijden uit de macht van de vijand. Maar in de laatste tijd had hij op die stille hoop een andere kijk gekregen en was het als zag hij haar van grote afstand; zij leek op een herinnering uit zijn kinderjaren toen hij er hevig naar verlangd had de kroon van zijn vader eens te mogen dragen en in tranen was uitgebarsten toen het

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату