Toen Arren de volgende ochtend ontwaakte, zag hij voor de boot uit de kusten van Selidor, wazig en laag in het blauwe westen.
Er waren in het Paleis van Berila oude kaarten die getekend waren in de dagen der Koningen, toen er nog kooplieden en ontdekkingsreizigers uitzeilden van de Binnenste Landen en de Ruimen beter bekend waren. Op twee der wanden van de troonzaal van de Vorst was in mozaiek een grote kaart van het noorden en westen aangebracht met vlak boven de troon in goud en grauw het eiland Enlad. Deze kaart kwam Arren nu voor de geest zoals hij haar talloze malen in zijn jeugd gezien had. Ten noorden van Enlad lag Osskil en ten westen Ebosskil met meer naar het zuiden de eilanden Semel en Pain. Daar liep de grens van de Binnenste Landen en erachter was enkel nog het bleek blauwgroene mozaiek van de lege zee met hier en daar een kleine dolfijn of een walvis. Eindelijk kwam dan — na de hoek waar noord- en westwand elkaar ontmoetten — het eiland Narveduin met nog drie andere. Dan weer de lege zee, verder en verder, tot dan aan het eind van de wand en de einder van de kaart nog Selidor lag en daarna niets meer. Hij kon het zich levendig herinneren: de gebogen vorm met in het hart een brede baai die door een enge toegang uitzag naar het oosten. Zo ver naar het noorden waren ze nu nog niet; ze koersten naar een diepe inham in de zuidelijke kaap van het eiland en gingen er aan land, terwijl de zon nog laag in de morgennevels boven de horizon stond. Zo kwam er een einde aan hun lange tocht van de Paden van Balatran naar het meest westelijke eiland. Toen zij Uitkijk op het strand getrokken hadden en na zo lange tijd weer rondliepen op vaste grond, was de rust van de aarde voor hen een vreemde gewaarwording.
Ged beklom een laag, met gras gekroond duin waarvan de kam een weinig naar voren stak boven de steile helling en door de taaie wortels van het gras was samengesnoerd tot een kroonlijst. Toen hij de top had bereikt, bleef hij staan en keek naar het noorden en westen. Arren was bij de boot gebleven om zijn schoenen aan te trekken die hij al vele dagen niet meer had gedragen; ook haalde hij zijn zwaard tevoorschijn en gordde het aan, dit keer zonder te overleggen of hij het al dan niet zou doen. Toen klom ook hij op het duin en keek aan Geds zijde uit over het land.
Laag en met gras begroeid liepen de duinen een halve mijl landinwaarts, dan kwamen lagunen, dicht omzoomd met zegge en zoutriet en daarachter lagen zover het oog reikte, lage, lege geelbruine heuvels. Selidor was schoon en verlaten. Nergens was er een teken te bekennen van de mens, zijn werken en wonen. Geen dier was er te zien en geen vlucht van meeuwen, wilde ganzen of andere vogels steeg op van de met riet omzoomde meren.
Zij klommen aan de landzijde van het duin omlaag en het razen der brekers en het suizen van de wind vielen weg achter het zand van de helling zodat het volkomen stil werd. Tussen dit eerste duin en het volgende lag een dal met zuiver zand, beschut tegen wind, terwijl de morgenzon haar warme stralen wierp op de westelijke helling. ‘Lebannen,’ zei de tovenaar die Arren nu aansprak met zijn ware naam, ‘Ik heb deze nacht niet kunnen slapen en nu moet ik het. Blijf bij me en hou de wacht.’ Hij ging in de zon liggen, want in de schaduw was het koud, legde zijn arm over de ogen, zuchtte en sliep in. Arren ging naast hem zitten. Hij zag enkel de witte hellingen van het duin en het gras aan de top, wuivend tegen de nevelig-blauwe hemel en de helgele zon. Er was geen geluid te horen dan het gedempte geraas van de branding en een enkele maal een zacht gefluister als een windvlaag de zandkorrels deed opstuiven. Hoog boven in de lucht zag Arren iets vliegen dat een arend had kunnen zijn, maar een arend was het niet. Het maakte een bocht en stootte omlaag, kwam neer onder zoeven en schril gefluit van gestrekte gouden vlerken. Het streek neer op de top van het duin met vreeswekkende klauwen. De ontzaglijke kop stond zwart met vurige spranken afgetekend tegen de zon.
De draak kroop een eindje de helling af en begon te spreken. ‘Agni Lebannen,’ zei hij.
Arren stond tussen Ged en de draak en antwoordde: ‘Orm Embar.’ En hij hield zijn zwaard ontbloot in de hand. Het was nu niet zwaar. Het gladde, afgesleten gevest lag hem prettig in de hand; het voegde zich naar zijn greep. Het blad was licht en gretig uit de schede gegleden. De macht van het zwaard, zijn ouderdom stonden aan zijn kant, nu hij wist hoe hij ze moest gebruiken. Het was zijn zwaard. Weer sprak de draak, maar Arren begreep niet wat hij zei. Hij keek achter zich naar zijn slapende metgezel die door het razen en zoeven der vlerken niet was ontwaakt, en zei tot de draak: ‘Mijn meester is vermoeid; hij slaapt.’
Daarop kroop en kronkelde Orm Embar verder omlaag tot op de bodem van het dal. Op de grond bewoog hij zich log, niet licht en soepel als tijdens zijn vlucht, maar er lag een beklemmende gratie in de trage tred van zijn grote geklauwde poten en de boog van zijn gedoomde staart. Op de bodem trok hij de poten onder zich, hief zijn ontzaglijke kop omhoog en lag doodstil: als een drakefiguur op de helm van een krijger. Arren voelde de blik van zijn gele ogen op nog geen tien voet van hem vandaan en rook de vage brandlucht die rond het monster hing. Het was geen lijkengeur, maar een dorre lucht als van metaal die verwant was aan de vage geuren van de zee en het zilte zand, zuiver en ontembaar.
De zon rees hoger en wierp haar stralen op de flanken van Orm Embar, deed hem opvlammen als een draak van ijzer en goud. Ged sliep nog steeds, volkomen ontspannen, en schonk evenmin aandacht aan de draak als een slapende boer aan zijn hond. Zo ging er een uur voorbij tot Arren met een schok merkte dat de tovenaar rechtop naast hem zat.
‘Ben je zo aan draken gewend geraakt dat je tussen hun voorpoten in slaap valt?’ zei Ged lachend en geeuwend. Toen stond hij op en begon in de taal der draken te spreken met Orm Embar.
Voordat Orm Embar antwoord gaf, gaapte ook hij — uit slaperigheid of naijver — en dat was een aanblik als zich maar weinigen levend kunnen herinneren: die rijen geel-witte tanden, scherp als zwaarden, de gevorkte, rode, vurige tong die twee maal zo lang was als het lichaam van een man, de rokende krocht van zijn keel.
Orm Embar sprak en Ged was op het punt hem te antwoorden, toen zij zich beiden omdraaiden en in Arrens richting keken. Klaar had door de stilte het holle fluisteren geklonken van staal langs schede. Arren keek omhoog naar de kam van het duin achter de tovenaar en het zwaard lag strijdklaar in zijn hand. Op de top stond een man; de zon scheen fel op hem neer en de zwakke wind speelde zachtjes met zijn gewaad. Behalve dat wuiven van de zoom en de kap van zijn lichte mantel stond hij daar roerloos als in steen gehouwen. Zijn haar was lang en zwart en viel omlaag in een weelde van glanzende krullen. Hij was rijzig en breedgeschouderd, een krachtige, knappe man. Zijn ogen leken over hen heen naar de zee te kijken. Hij glimlachte.
‘Orm Embar ken ik,’ zei hij. ‘En jou, Sperwer, ken ik ook hoewel je ouder geworden bent sinds ik je de laatste keer gezien heb. Men heeft me verteld dat je nu Archimagus bent. Je bent dus behalve een oud, ook een groot man geworden. En je hebt een jonge dienaar bij je: zonder twijfel een leerling-tovenaar, een van hen die wijsheid leren op het Eiland der Wijzen. Wat zoeken jullie hier eigenlijk, zo ver van Roke en de onkwetsbare muren die de Magisters tegen alle kwaad behoeden?’
‘Er is wel in machtiger muren een bres geslagen,’ zei Ged met beide handen om zijn staf geklemd naar de man opkijkend. ‘Maar zou je niet liever in het vlees tot ons komen zodat wij hem kunnen begroeten naar wie wij zo lang gezocht hebben?’
‘In het vlees?’ zei de man en weer glimlachte hij. ‘Is tussen twee wijzen het pure vlees, het lichaam, de handel van slagers, van zo groot belang? Nee, laten wij elkaar van geest tot geest ontmoeten, Archimagus.’
‘Daar zullen we, denk ik, weinig mee opschieten. Jongen, steek dat zwaard maar weer op. Het is maar een waanbeeld, een verschijning, geen echte mens. Je kunt even goed de wind te lijf gaan. In Havnor was je haar wit en werd je Kobbe genoemd. Maar dat was enkel een roepnaam. Hoe moeten we je noemen als we elkaar ontmoeten?’
‘Jullie moeten me Heer noemen,’ zei de rijzige gestalte op de kam van het duin. ‘Goed, en wat nog meer?’
‘Koning en Meester.’
Bij deze woorden begon Orm Embar te sissen, een snijdend, afschuwelijk geluid en zijn grote ogen schoten vuur; toch keerde hij de kop af van de man en zonk hij ineen op de achterpoten als was hij niet in staat zich te bewegen. ‘En waar zullen we je ontmoeten, en wanneer?’
‘In mijn machtsgebied, wanneer het mij goeddunkt.’
‘Uitstekend,’ zei Ged; hij hief zijn staf op en bewoog haar in de richting van de rijzige man… en de man was verdwenen als een kaarsvlam die wordt uitgeblazen. Arren stond aan de grond genageld en de draak verhief zich in volle lengte op zijn vier gebogen poten, zijn pantser kletterde en zijn verkrampte lippen legden zijn tanden bloot. Maar de tovenaar leunde weer op zijn staf.
‘Het was enkel een zendschim. Een verschijning of beeld van de man. Het kan spreken en horen, maar bezit geen macht, tenzij wat onze vrees hem toedicht. En zelfs die schijn is niet waarachtig behalve als het de wens is van wie hem gezonden heeft. Ik denk niet dat we hem gezien hebben zoals hij er thans uitziet.’
