‘Denkt u dat hij vlakbij ons is?’

‘Een zendschim wordt door water tegengehouden. Hij is dus op Selidor. Maar Selidor is een groot eiland, breder dan Roke of Gont en bijria even lang als Enlad. Misschien moeten we nog lang naar hem zoeken.’

Toen sprak de draak. Ged luisterde en wendde zich tot Arren. ‘Zo spreekt de Heer van Selidor: ‘Ik ben teruggekeerd in mijn eigen rijk en zal het niet verlaten. Ik zal de Ontschepper vinden en hem naar u toe brengen zodat wij hem samen kunnen verslaan.’ En heb ik niet gezegd dat als een draak ergens jacht op maakt, hij het altijd vindt?’

Daarop knielde Ged op een knie neer voor het monster als een leenman neerknielt voor zijn koning, en hij dankte hem in zijn eigen taal. En van zo nabij woei de adem van de draak gloeiend over zijn gebogen hoofd.

Orm Embar sleepte zijn gepantserd lijf het duin omhoog, sloeg de vlerken uit en steeg op in de lucht.

Ged veegde het zand van zijn kleren en zei tegen Arren: ‘Je hebt me nu zien knielen. Wellicht zul je me voor het eind van onze queeste nogmaals zien knielen.’ Arren vroeg niet wat hij daarmee bedoelde; in de lange tijd dat zij nu samen waren had hij geleerd dat de tovenaar altijd een reden had voor zijn terughoudendheid. Toch leken hem deze woorden een boos voorteken.

Zij klommen over het duin weer terug naar de boot om te zien of zij ver genoeg buiten bereik van tij of storm lag en om er voor de nacht hun mantels te halen en het nog overgebleven voedsel. Ged bleef even staan bij de slanke boeg die hem zo lang en zo ver over vreemde zeeen had gedragen; hij legde er zijn hand op, maar weefde geen tover en sprak geen woord. Toen gingen zij opnieuw het binnenland in, naar het noorden in de richting van de heuvels. Heel de dag waren zij op weg en tegen de avond sloegen zij hun kamp op aan de oever van een beek die zich omlaag wond naar de rietverstikte meren en moerassen. Hoewel het hartje zomer was, stond er een kille wind uit het westen, uit de eindeloze, landloze ruimten van de open zee. De hemel ging schuil achter nevels en er stonden geen sterren boven de heuvels waarop nog nooit het licht van een haardvuur of venster was opgegloeid. Arren werd in het donker wakker. Hun vuur was uitgedoofd, maar de maan wierp uit het westen een grijzig nevelig licht over het landschap. In het dal van de stroom en op de hellingen rondom stond een grote menigte mensen, allen roerloos, allen zwijgend, allen met het gelaat naar Ged en Arren. Het schijnsel van de maan werd in hun ogen niet weerkaatst. Arren durfde niet te spreken, maar legde zijn hand op Geds arm. De tovenaar ontwaakte en ging rechtop zitten. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij. Hij volgde Arrens blik en zag de zwijgende gestalten.

Zij waren allen gehuld in een donker gewaad, zowel mannen als vrouwen. Hun gezichten waren in het zwakke licht niet duidelijk te onderscheiden, maar Arren leek het of er onder hen die vlakbij hem stonden, aan de overzijde van de stroom, een aantal waren die hij kende, maar van wie hij zich de namen niet kon herinneren. Ged stond op en zijn mantel gleed van hem omlaag. Zijn gezicht, haar en hemd lichtten bleek-zilverig op alsof het maanlicht zich er had samengetrokken. Hij strekte de arm uit in een breed gebaar en zei met luide stem: ‘Ga vrij van hier, gij die eens levenden waart. Ik breek de band waarmee gij gebonden zijt: Anvassa mane harw pennodathe.’ Een ogenblik bleven zij roerloos staan, heel de menigte van zwijgende gestalten. Dan wendden zij zich traag om, leken weg te dwalen in de grauwe duisternis en waren verdwenen. Ged ging zitten en haalde diep adem. Hij keek Arren aan en legde de jongen de hand op de schouder, en zijn greep was warm en vast. ‘Niets om bang voor te zijn, Lebannen,’ zei hij met vriendelijke spot. ‘Het waren enkel de doden.’ Arren knikte, maar hij klappertandde en een kou voer hem door merg en been. ‘Hoe…,’ begon hij, maar zijn tong en lippen wilden hem niet gehoorzamen.

Ged begreep wat hij bedoelde. ‘Zij gaven gevolg aan zijn roep. En dit is het wat hij hen beloofde: het eeuwig leven. Zijn woord stond hen toe terug te keren. Zijn bevel dwingt hen rond te waren over de heuvels van het leven, maar zonder dat zij er een blad of grasspriet doen trillen.’

‘Is hij... is hij dan eveneens een dode?’ Peinzend schudde Ged het hoofd. ‘Doden kunnen geen doden terugroepen in de wereld. Nee, hij heeft de macht van een levende mens; en meer dan dat... Maar allen die het besluit namen hem te volgen, heeft hij bedrogen. Hij houdt zijn macht aan zichzelf. Hij speelt de Vorst der Doden; en niet alleen der doden… Maar dit waren enkel schimmen.’ Ik weet niet waarom ik bang voor hen ben,’ zei Arren. ‘Je bent bang voor hen, omdat je bang bent voor de dood, en terecht, want de dood is iets angstwekkends dat men dient te vrezen,’ zei de tovenaar. Hij legde nieuw hout op het vuur en blies over de kleine kooltjes onder de as. Een kleine, stralende vlam bloeide op aan de twijgen van het rijshout en Arren was dankbaar voor dit licht. ‘En ook het leven is iets angstwekkends,’ zei Ged, ‘dat men dient te vrezen en te prijzen.’ Zij leunden beiden achterover en wikkelden hun mantels dicht om zich heen.

Een tijdlang zwegen zij. Toen begon Ged te spreken en in zijn stem klonk diepe ernst. ‘Lebannen, ik weet niet hoe lang hij ons nog zal verontrusten met schimmen en schijngestalten. Maar je weet waar hij uiteindelijk heen zal gaan.’

‘Naar het land van duisternis.’

‘Ja, naar hen.’

‘Ik heb hen nu gezien. Ik ga met u mee.’

‘Is het je geloof in mij dat je hiertoe aanzet? Je kunt vertrouwen op mijn genegenheid, maar je kunt niet vertrouwen op mijn kracht. Want ik vermoed dat ik mijn gelijke gevonden heb.’

‘Ik ga met u mee.’

‘Maar als ik verslagen word, als ik mijn macht of mijn leven erbij inschiet, kan ik je de terugweg niet wijzen en alleen zul je die niet vinden.’

‘Ik zal met u terugkeren.’

Toen zei Ged: ‘Aan de poorten des doods heb je de drempel naar de volwassenheid overschreden.’ En daarna zei hij dat woord of die naam waarmee ook de draak Arren reeds had aangesproken, en hij sprak het uit met zachte stem: ‘Agni... Agni Lebannen.’

Daarna sprak geen van beiden meer en overviel hen weer langzaam de slaap, en zij legden zich ter ruste naast hun klein en kortstondig brandend vuur.

De volgende morgen gingen zij verder in noordoostelijke richting en dit was Arrens keuze, niet van Ged die gezegd had: ‘Kies jij onze weg, jongen, want voor mij zijn alle wegen gelijk.’ Zij haastten zich niet, want zij hadden geen doel, maar wachtten op een teken van Orm Embar. Zij volgden de laagste en buitenste heuvelrij en bleven zo meestal in zicht van de zee. Het gras was dor en kort, voor eeuwig wuivend en wuivend in de wind. Rechts van hen verhieven zich de gouden, verlaten heuvels en links van hen lagen de moerassen en de westelijke zee. Eenmaal zagen zij, ver weg in het zuiden, een vlucht zwanen, maar verder zagen zij heel die dag geen ademend wezen. En heel die dag groeide in Arren een gevoel van onvrede aan, onvrede tegen de vrees, tegen dit wachten op het ergste. Ongeduld en doffe woede welden in hem op en na uren van zwijgen zei hij: ‘Dit land is even doods als het land der doden zelf.’

‘Zeg dat niet,’ zei de tovenaar scherp. Hij liep nog even door en ging toen verder op heel andere toon: ‘Kijk naar dit land; kijk om je heen. Het is jouw koninkrijk, het koninkrijk des levens. Dit is jouw onsterfelijkheid. Kijk naar de heuvels, de sterfelijke heuvels. Zij duren niet eeuwig. De heuvels begroeid met levend gras en omspoeld met stromen van levend water… In heel de wereld, in alle werelden, in heel de onpeilbaarheid der tijden is er geen stroom die gelijk is aan een van deze hier die koud opwellen uit de aarde waar geen oog hen ziet, en zich door zonlicht en duisternis voortspoeden naar de zee. Diep zijn de bronnen van het zijn, dieper dan leven, dan dood...’ Hij hield in, maar terwijl hij naar Arren keek en naar de zonovergoten heuvels, lag er in zijn ogen een grote, droeve, woordeloze liefde. En Arren zag dit en zag door dit te zien ook hem, zag hem zoals hij was, zijn ganse wezen. ‘Ik kan niet onder woorden brengen wat ik bedoel,’ zei Ged triest.

Maar Arren dacht terug aan dat eerste uur in de Hof van de Fontein, aan de man die er neerknielde bij het levende water van de fontein, en er welde een vreugde in hem op, even klaar als dat water in zijn herinnering. Hij keek zijn metgezel aan en zei: ‘Ik heb mijn liefde geschonken aan iets dat het waard is lief te hebben. Is dat niet het koninkrijk en de onvergankelijke bron?’

‘Ja, jongen,’ zei Ged met stille smart.

Zij gingen beiden zwijgend verder. Maar Arren zag nu de wereld door de ogen van zijn metgezel en hij zag om hen heen de luister van het leven verscholen liggen in het zwijgende, verlaten landschap, in iedere halm van het gras dat er wuifde in de wind, in iedere schaduw, iedere steen, als een tovermacht groter dan alle andere. Het was hem als iemand die aan het begin van een tocht zonder terugkeer voor het laatst de plek die hem dierbaar is bezoekt, en haar dan ziet in haar ganse wezen, werkelijk en dierbaar zoals hij haar tevoren nooit gezien had en haar later nooit meer zien zal.

Toen de avond viel kwamen de wolken in gesloten gelederen opzetten uit het westen, voortgedreven door

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату