het zich plotseling te verheffen en met grote snelheid weg te vluchten. Toen was het verdwenen.
‘Kom, Leoannen,’ zei Ged en legde zijn rechterhand op de arm van de jongen. Zo gingen zij samen binnen in het Dorre Land.
Het dorre land
In de sombere, dreigende duisternis gloeide de taxushouten staf in de hand van de tovenaar op met een zilveren glans. Maar daarnaast ontwaarde Arrens oog een tweede schijnsel, zwak en huiverend: er speelde een licht rond het blad van zijn zwaard dat hij ontbloot in de hand hield. Toen door daad en dood van de draak de bindingstover was verbroken, had hij ginds op het strand van Selidor zijn zwaard getrokken. En ofschoon hij hier niet meer was dan een schim, was hij een levende schim die de schim van zijn zwaard met zich voerde. Verder was nergens een lichtschijn te zien. Het was als een late avondschemer in november onder grauwe wolken: een trieste, kille, sombere lucht waarbij men weliswaar zien kon, maar niet duidelijk en niet over grote afstand. Arren herkende het gebied: de moeren en kale vlakten van zijn uitzichtsloze dromen; maar het leek hem of hij er nu verder in was doorgedrongen, veel verder dan hij in zijn droom ooit geweest was. Hij kon niets scherp onderscheiden, maar zag alleen dat hij en zijn metgezel op een heuvel stonden en dat er voor hen een lage stenen muur was die een volwassen man niet hoger kwam dan de knie. Nog steeds rustte Geds rechterhand op Arrens arm. Nu ging de tovenaar voorwaarts en Arren volgde hem; zij stapten over de stenen muur.
Vormeloos glooide de lange helling voor hen uit omlaag en daalde af in de duisternis. Boven hun hoofd, waar Arren een zwaar wolkendek had vermoed, was de hemel pikzwart en er stonden sterren. Hij keek ernaar en het leek of zijn hart kil en klein in hem samenkromp. Het waren sterren als hij nooit tevoren gezien had. Zij stonden onbeweeglijk en flikkerden niet. Het waren sterren die niet op- of ondergaan, die nooit schuilgaan achter wolken, die nooit verbleken bij de komst van een zon. Als starre stippen werpen zij hun licht over het dorre land. Ged begon de helling aan gene zijde van het leven af te dalen en Arren ging stap voor stap met hem mee. Er was angst in zijn hart, maar hij was zo vastbesloten en zijn wilskracht was zo sterk dat de vrees hem niet in haar macht kreeg en dat hij haar zich zelfs nauwelijks bewust was. Er was enkel een vage triestheid diep in zijn binnenste, als een dier dat geketend zit opgesloten in een kooi.
Het leek of zij lange tijd die helling afdaalden, maar wellicht was het ook maar korte tijd, want tijd ging er niet voorbij in dit gebied waar geen winden waaiden en de sterren zich niet bewogen. Zij kwamen in de straten van een der steden die er daar liggen, en Arren zag de huizen met vensters waarin nooit een licht brandt, en hij zag op de drempels de doden staan met starre gezichten en lege handen.
De marktpleinen waren alle verlaten. Er werd daar niet gekocht of verkocht, niets verdiend en niets uitgegeven. Niets werd er gebruikt en niets werd er vervaardigd. Ged en Arren liepen door de nauwe, verlaten straten waar zij slechts een paar keer een gestalte zagen, op de hoek van een straat ver voor hen uit die in de deemstering maar nauwelijks te zien was. Toen hij dit de eerste keer zag, schrok Arren en hief zijn zwaard op ten afweer, maar Ged schudde het hoofd en liep door. En Arren zag toen dat die gestalte een vrouw was die traag voortging en niet van hen wegvluchtte.
Allen die zij zagen — weinig in getal, want het getal der doden is wel groot, maar dat is ook hun land — stonden stil of bewogen zich traag en doelloos. Bij geen van hen waren bloedende wonden zichtbaar, evenmin als bij de schim van Erreth-Akbe toen zij op de plaats van zijn dood in het daglicht werd teruggeroepen. Geen van hen droeg tekenen van een ziekte. Zij waren gans en gaaf, geheeld van hun smarten en van het leven. Zij wekten geen weerzin zoals Arren gevreesd had, en joegen hem geen angst aan zoals hij zich had voorgesteld. Hun gezichten waren uitdrukkingsloos, vrij van woede en begeerte, en er stond geen hoop te lezen in hun omfloerste ogen. In plaats van vrees welde er nu een groot mededogen in Arren op en als hier toch vrees achter schuil ging, gold die niet zijn eigen welzijn, maar dat van alle mensen. Want hij zag hier de moeder en het kind die samen gestorven waren, en nu samen woonden in het land der duisternis; maar het kind kroop niet rond en huilde niet, en de moeder hield het niet op de arm en keek er nooit naar om. En zij die om hun liefde gestorven waren, liepen elkaar achteloos in de straten voorbij. Het wiel van de pottebakker draaide niet, het weefgetouw stond onbespannen en de oven was koud. Geen stem verhief zich in een lied. Verder en verder liepen zij door de donkere straten tussen de donkere huizen. Er was geen geluid te horen dan enkel dat van hun eigen voeten. Het was koud. Die koude had Arren eerst niet gevoeld, maar kroop nu binnen in zijn geest die hier, in dit gebied, ook zijn vlees was. Hij voelde zich uitgeput. Zij moesten een lange weg hebben afgelegd. Waarom nog verder gaan, dacht hij en vertraagde een weinig zijn schreden. Plotseling stond Ged stil en wendde zich een man toe die op een kruising van twee straten stond. Het was een slanke, rijzige man wiens gezicht Arren wel ooit gezien meende te hebben, al kon hij zich niet herinneren waar. Ged sprak hem aan en tot dan had sinds zij de stenen muur hadden overschreden, nog geen stem de stilte verbroken. ‘O Thorion, mijn vriend, hoe zijt gij hier gekomen?’ En hij strekte zijn handen uit naar de Magister der Oproepingen van Roke.
Thorion beantwoordde het gebaar niet. Hij stond daar onbeweeglijk met onbewogen gezicht; maar het zilverig licht aan Geds staf drong diep door in zijn omfloerste ogen en wekte er een kleine vonk op of ontmoette haar. Ged nam de hand die hem niet was aangeboden, en zei opnieuw: ‘Wat doet gij hier, Thorion? Gij behoort nog niet tot dit koninkrijk. Ga terug.’
‘Ik ben hem gevolgd die niet kan sterven. Ik ben verloren gelopen.’ De stem van de Oproeper klonk zacht en mat als van een man die spreekt in zijn slaap.
‘Omhoog, naar de muur,’ zei Ged en wees hem de weg waarlangs hij en Arren gekomen waren, de lange, duistere, stijgende straat. En toen voer er een rilling door Thorions gezicht alsof er hoop in hem binnendrong, scherp en onverbiddelijk als een zwaard.
‘Ik kan de weg niet vinden,’ zei hij. ‘Heer, ik kan de weg niet vinden.’
‘Misschien toch,’ zei Ged en omarmde hem en zij gingen weer verder. Achter hen bij de kruising stond Thorion onbeweeglijk. Terwijl zij verder liepen kreeg Arren de indruk dat er in deze tijdloze schemer eigenlijk geen voorwaarts of achterwaarts bestond, geen oost of west, geen weg die je moest gaan. Bestond er wel een weg naar buiten? Hij bedacht hoe zij de heuvel waren afgedaald, altijd omlaag welke kant zij ook uitgingen; en ook hier in de duistere stad liepen de straten omlaag zodat ze om terug te keren alleen maar hoefden te klimmen tot ze op de top van de heuvel weer zouden komen bij de stenen muur. Maar zij keerden niet terug. Naast elkaar liepen zij verder. Volgde hij Ged of wees hij hem de weg? Zij verlieten nu de stad. Het landschap der talloze doden was leeg. Er groeide geen boom of struik, geen blad of grasspriet in de steenharde aarde onder de nooit verblekende sterren. Er was geen horizon want zover reikte het oog niet in deze deemstering. Maar voor hen uit stonden er vlak boven de grond geen starre sterren aan een groot deel van de hemel en er waren pieken in die sterloze ruimte en hellingen als van een bergketen. Terwijl zij verder gingen, werden de vormen scherper: hoge toppen door wind noch regen verweerd. Zij droegen geen sneeuw die het licht der sterren kon weerkaatsen. Zij waren zwart. Hun aanblik sloeg Arrens hart met wanhoop en hij wendde zijn ogen van hen af. Maar hij kende ze, hij herkende ze en zijn ogen werden er weer naartoe getrokken. Iedere keer dat hij naar die pieken opkeek, voelde hij een loodzware kilte neerdrukken op zijn borst zodat hij bijna zijn zelfbeheersing verloor. Maar toch liep hij door, steeds naar beneden, want nog steeds glooide het land omlaag, afdalend naar de voet der bergen. Tenslotte zei hij: ‘Heer, wat zijn…’ Hij wees naar de bergen, niet in staat zijn vraag af te maken, want zijn keel was kurkdroog. ‘Zij vormen de grens met de wereld van het licht,’ antwoordde Ged, ‘net als de stenen muur. Zij hebben geen andere naam dan Leed. Er voert een weg doorheen die het de doden verboden is te betreden. Het is geen lange weg, maar het is een barre weg.’
‘Ik heb dorst,’ zei Arren en zijn metgezel antwoordde: ‘Hier drinkt men enkel stof.’ Zij liepen verder.
Het leek Arren of zijn metgezel langzamer was gaan lopen en nu en dan aarzelde. Hij zelf voelde geen aarzeling meer, ook al nam de vermoeidheid binnenin hem voortdurend toe. Zij moesten daarheen gaan; zij moesten verder gaan. Zij gingen verder. Nu en dan trokken zij door andere steden der doden waar donkere daken hoekig afstaken tegen de sterren die er roerloos boven stonden, voor eeuwig gebonden aan dezelfde plaats. Na de steden kwam steeds weer het lege land waar niets groeide en zodra zij een stad verlaten hadden, ging deze weer verloren in de duisternis. Niets was er zichtbaar, voor hen noch achter hen, behalve dan de bergen die voor hen oprezen in de verte en steeds dichterbij kwamen. Rechts van hen glooide de helling vormeloos omlaag als steeds sinds zij — hoe lang geleden al? — de stenen muur hadden overschreden. ‘Wat ligt er daarginds?’ mompelde Arren Ged toe, want hij hunkerde naar de klank van een stem, maar de tovenaar schudde het hoofd: ‘Ik weet het
