mededinger was.

En dit herstel van een dodelijke slag, dat onvermogen te sterven was gruwelijker om aan te zien dan enige doodsstrijd, zo gruwelijk dat er in Arren een woedende walging opvlamde, een dolzinnige razernij, en hij hief het zwaard op en sloeg nogmaals toe, met volle vernietigende kracht. Kobbe viel neer met open-gespleten schedel en het bloed gutste over zijn gelaat, maar toch ging Arren hem meteen weer te lijf, om toe te slaan voor de wond zich zou sluiten, zolang toe te slaan tot hij hem had gedood...

Naast hem worstelde Ged zich op de knieen en sprak een enkel woord.

Op het geluid van zijn stem verstarde Arren alsof een hand zijn arm die het zwaard hief, had- vastgegrepen. De blinde die aanstalten maakte overeind te komen, verstarde eveneens. Ged stond op, licht wankelend. Toen hij zich weer geheel in zijn macht had, wendde hij zich de klip toe. ‘Wees nu geheeld,’ zei hij met heldere stem en met zijn staf schreef hij in lijnen van vuur een teken op de poort van rotsen: de rune Agnen, de Rune van Einding die wegen doet eindigen en geschreven staat op de deksels van lijkkisten. En er was geen gat of leegte meer tussen de rotsblokken. De poort was gesloten.

De aarde van het Dorre Land beefde onder hun voeten en langs de onveranderlijke, barre hemel rolde een donderslag. ‘Met het woord dat niet gesproken zal worden tot het einde der tijden, heb ik u geroepen. Met het woord dat gesproken werd bij de schepping van de wereld, geef ik u nu de vrijheid. Ga.’ En Ged boog zich over de blinde die nog op de knieen lag, en fluisterde hem iets in het oor, onder het witte, slierterige haar. Kobbe stond op. Langzaam keek hij om zich heen met ziende ogen. Hij keek naar Arren en toen naar Ged. Hij zei geen woord, maar staarde hen aan met donkere blik. Er lag geen woede over zijn gelaat, geen haat, geen droefheid. Langzaam wendde hij zich om, en liep weg door de bedding van de Dorre Stroom. Spoedig was hij uit het gezicht verdwenen. Er straalde geen licht meer van Geds taxushouten staf, noch van zijn gezicht. Hij stond daar in duisternis. Toen Arren naar hem toekwam greep hij de jongen bij de arm en hield zich aan hem overeind. Even doorvoer hem een rilling, een tranenloze snik. ‘Het is volbracht,’ zei hij. ‘Alles is ten einde.’

‘Het is volbracht, heer. Wij moeten gaan.’

‘Ja. Wij moeten naar huis gaan.’

Ged leek verdwaasd of uitgeput. Hij volgde Arren door de bedding van de stroom, traag en moeizaam voortstrompelend tussen de rotsen en steenblokken. Arren bleef vlakbij hem. Toen de oevers van de Dorre Stroom lager werden en de weg minder steil, keerde hij zich naar de weg waarlangs zij gekomen waren, de lange vormeloze helling die omhoogvoerde de duisternis in. Toen keerde hij zich af.

Ged zei niets. Zodra zij stilstonden, was hij neergezonken op een lavablok en zat daar nu uitgeput en met het hoofd tussen de knieen.

Arren wist dat de weg waarlangs zij gekomen waren, nu voor hen was afgesloten. Zij konden enkel verder gaan. Zij moesten de weg tot het einde afleggen. ‘Zelfs te ver is nog niet ver genoeg,’ dacht hij. Hij keek omhoog naar de donkere dreigende pieken, kil en zwijgend oprijzend tegen de roerloze sterren. En weer begon in hem de ironische, spottende stem van zijn wil te spreken, zonder erbarmen: ‘Wil je het dan halverwege opgeven, Lebannen?’

Hij ging op Ged toe en zei vriendelijk: ‘Wij moeten verder gaan heer.’

Ged antwoordde niet, maar hij stond op. ‘Ik denk dat we door de bergen moeten.’

‘Wijs jij de weg, jongen,’ zei Ged met schorre fluisterstem. ‘Help me.’

Zo trokken zij de bergen in langs de helling van stof en slakken en onderweg hielp Arren zijn metgezel zo goed hij kon. Er heerste een diepe duisternis in de kloven en ravijnen, zodat hij tastend de weg moest zoeken en het hem uiterst zwaar viel daarbij ook nog Ged steun te bieden. Het gaan was moeilijk, was meer struikelen; maar toen de helling steiler werd en zij gedwongen waren te klimmen en te klauteren, werd het nog moeilijker. De rots was ruw en schroeide hun handen als gesmolten ijzer. Toch was het koud en werd het naarmate zij hoger kwamen nog kouder. De aanraking van deze aarde was een kwelling. Zij zengde het lichaam als gloeiende kolen: er brandde een vuur diep binnen in de bergen. Maar erboven was het altijd koud en altijd donker. Er was geen geluid te horen; er stond geen wind. De scherpe rots brokkelde af onder hun handen en gleed weg onder hun voeten. Zwart en kaal glooiden voor hen uit de kammen en kloven omhoog en zonken naast hen in zwartheid weg. Achter, onder hen was het rijk der doden in duisternis opgegaan; voor, boven hen tekenden de toppen en rotsen zich af tegen de sterren. En over heel de lengte en breedte van die zwarte bergen bewoog zich niets dan de zielen van twee stervelingen.

Vermoeid als hij was struikelde Ged vaak of maakte een misstap. Zijn adem ging moeizamer en moeizamer en wanneer zijn handen tegen de rotsen stootten, uitte hij hijgend een kreet van pijn die Arren door merg en been ging. Hij probeerde Ged te ondersteunen zodat hij niet zou vallen. Maar het pad was dikwijls zo nauw dat zij niet naast elkaar konden blijven, en ook moest Arren vaak voorop gaan om hun een weg te zoeken. En tenslotte, op een hoge helling die omhoogliep naar de sterren, gleed Ged uit, viel voorover en stond niet meer op. ‘Heer,’ zei Arren en knielde bij hem neer; toen noemde hij hem bij zijn naam: ‘Ged.’ Maar hij verroerde zich niet en gaf geen antwoord.

Arren nam hem op in zijn armen en droeg hem de hoge helling op. Aan het einde ervan zag hij voor zich een vlak stuk. Arren legde zijn last op de grond en viel naast hem neer, doodop van uitputting, smart en wanhoop. Dit was het hoogste punt van de pas tussen de twee zwarte pieken. Dit was het doel geweest van zijn worsteling; dit was de pas en het einde. De weg ging niet verder. Het eind van de vlakke grond was de rand van een rotswand; erachter heerste een eindeloze duisternis en stonden de kleine sterren roerloos aan het zwarte gewelf van de hemel. Soms wint volharding het zelfs van de wanhoop. Zodra hij zich ertoe in staat voelde, kroop hij voorwaarts met koppige verbetenheid. Hij keek over de rand van duisternis. En onder hem, vlak onder hem zag hij toen het strand van ivoor bespoeld door witte en geelbruine golven die er schuimend braken, en ver weg over de zee ging de zon onder in gouden nevels. Arren keerde zich om naar de duisternis en ging terug. Met alles wat hem aan kracht nog restte, tilde hij Ged op en strompelde met hem voorwaarts tot hij niet verder meer kon. Toen verzonk alles voor hem in het niets: dorst en smart en duisternis en zonlicht en het geluid van de brekende golven.

De steen van leed

Toen Arren ontwaakte gingen de zee en de duinen en de heuvels van Selidor schuil achter een grauwe nevel. De brekers kwamen grommend als een verre donder uit de mist aanzetten en trokken zich er grommend weer in terug. Het was vloed en het strand was smaller dan toen zij er de eerste keer gekomen waren; de laatste dunne schuimranden der golven kwamen, likten reeds aan Geds uitgestrekte linkerhand. Hij lag languit op het zand met het gezicht naar beneden; zijn kleren en zijn haar waren vochtig en ook Arrens kleren kleefden ijskoud aan zijn lichaam alsof de zee er tenminste eenmaal overheen was gespoeld. Van Kobbes dode lichaam geen spoor. Wellicht hadden de golven het met zich mee de zee in getrokken. Maar toen Arren het hoofd omdraaide zag hij achter zich het grijze lijf van Orm Embar, hoog en vaag oprijzend in de mist als een vervallen toren.

Arren kwam overeind, huiverend van kou; hij kon nauwelijks staan want hij was verkleumd, stijf en duizelig als steeds bij iemand die lange tijd roerloos heeft gelegen. Hij wankelde als een dronken man. Zodra hij de beheersing over zijn lichaam herkregen had, ging hij naar Ged en slaagde erin hem een weinig het zand op te trekken, buiten het bereik van de golven; maar dat was alles wat hij kon doen. Ged leek hem door en door koud en loodzwaar; hij had hem over de grens gedragen, van de dood weer terug in het leven, maar misschien was het tevergeefs geweest. Hij legde zijn oor op Geds borst, maar kon het huiveren van zijn lichaam en het klapperen van zijn tanden niet onderdrukken om naar het kloppen van diens hart te luisteren. Hij stond weer op en poogde trappelend wat warmte terug te brengen in zijn benen; tenslotte ging hij rillend en zich voortslepend als een oude man op weg om hun reisgoed op te zoeken. Lang geleden, toen zij bij het huis van beenderen kwamen, hadden zij het neergelegd aan de oever van een beekje dat van de heuvelrug omlaag stroomde. En eigenlijk was het dat beekje waarnaar hij op zoek ging, want het enige waaraan hij nog denken kon, was water, fris water.

Hij bereikte het stroompje eerder dan hij had verwacht, want bij de afdaling naar het strand waaierde het als een boom van zilver uit in een wirwar van takken. Hij liet zich er op de grond vallen en dronk met zijn gezicht in het water en zijn handen in het water, zoog het water naar binnen in zijn mond en in zijn geest.

Tenslotte kwam hij weer overeind en terwijl hij dit deed, zag hij aan de overzijde van de beek de machtige gestalte van een draak. De kop had de kleur van ijzer, als door roest rood gevlekt bij neusgaten, oogholten en

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату