kaak, en hing recht tegenover hem, bijna over hem heen. De klauwen zonken diep weg in het weke, vochtige zand langs de oever van de beek. De toegevouwen vleugels waren gedeeltelijk zichtbaar en leken op zeilen, maar de lengte van het donkere lijf ging in de mist verloren.

Het dier bewoog niet. Het kon daar uren hebben gezeten, of jaren of eeuwen. Het was uit ijzer gesmeed, uit rots gehouwen… maar de ogen, hij waagde het niet in die ogen te kijken, ogen als olievlekken op water, als gele rook achter glas, glanzende, diepe, gele ogen die Arren gadesloegen. Hij stond op. Als de draak van plan was hem te doden, kon hij er niets tegen doen; was hij het niet van plan, dan kon hij zelf maar het beste proberen Ged te helpen voor zover althans Ged nog te helpen was. Hij stond op en begon stroomopwaarts langs het beekje te lopen om hun reisgoed te zoeken. De draak deed niets. Hij zat daar roerloos neergehurkt en keek toe. Arren vond hun reisgoed, vulde de leren zakken met water uit het beekje en liep over het strand terug naar Ged. Toen hij zich nog maar enkele passen van het beekje had verwijderd was de draak reeds opgegaan in de dikke mist. Hij gaf Ged wat water te drinken, maar slaagde er niet in hem rechtop te doen zitten. Hij lag daar slap en koud, zijn hoofd leunde zwaar op Arrens arm. Zijn donker gelaat was asgrauw; neus, jukbeen en het oude litteken traden scherp naar voren. Ook zijn lichaam leek mager en geschroeid, als half door het vuur verteerd.

Arren zat daar op het vochtige strand, het hoofd van zijn metgezel op zijn knieen. De mist omgaf hen met een dof, fluwelen floers dat boven hun hoofd lichter werd. Ergens in die mist lag het lijf van de dode draak Orm Embar en bij het beekje wachtte de levende draak. En ergens ver weg op een ander strand van Selidor lag de boot Uitkijk zonder proviand. En dan de zee, zich strekkend naar het oosten. Wel driehonderd mijlen ver naar enig ander land in het Westruim; en duizend mijlen naar de Middenzee. Een lange weg. ‘Zo ver als Selidor placht men op Enlad te zeggen. De mythen, de oude verhalen die men er de kinderen vertelde, begonnen steeds met ‘Er was eens heel de eeuwigheid geleden, in een land ver als Selidor, een vorst…’ En die vorst was hij. Maar in die oude verhalen was dat het begin en dit hier was blijkbaar het einde. Hij was niet neerslachtig. Hij was doodmoe en bedroefd om zijn metgezel, maar hij voelde niet de minste bitterheid of spijt. Er viel enkel niets meer voor hem te doen. Alles was reeds gedaan.

Toen zijn kracht weer in hem was teruggekeerd, bedacht hij dat hij met het koord uit zijn knapzak best eens kon proberen wat vis te vangen; nu zijn dorst immers gelest was, voelde hij de honger knagen, en behalve een stuk hard brood was al hun voedsel verbruikt. En dat brood wilde hij bewaren, omdat hij er in water geweekt misschien iets van aan Ged te eten kon geven.

En dat was alles wat hij nog kon doen. Verder reikte zijn blik niet want overal rond hem hing de nevel. Terwijl hij daar ineengedoken met Ged in de mist zat, voelde hij in zijn zakken of hij misschien iets had wat hem van nut kon zijn. In de zak van zijn tuniek vond hij iets hards met scherpe randen. Hij haalde het eruit en bekeek het, niet wetend hoe hij eraan kwam: een steentje, hard, poreus, zwart. Bijna had hij het weggegooid. Maar toen voelde hij de randen ruw en schroeiend op zijn huid en voelde de zwaarte ervan en hij wist toen wat het was: een stukje rots uit de Bergen van Leed. Het was in zijn zak terecht gekomen tijdens het klimmen of toen hij met Ged naar de rand van de pas was gekropen. Hij hield het in zijn hand, het onveranderlijke ding, de steen van leed. Hij sloot zijn vingers eromheen en kneep ze samen. En toen glimlachte hij, een trieste en tegelijk vreugdevolle glimlach, want voor het eerst in zijn leven wist hij zich overwinnaar, hier aan het eind van de wereld, eenzaam en door niemand toegejuicht.

De nevel werd dunner en trok in flarden weg. Erdoorheen zag hij ver weg het zonlicht neerschijnen op de open zee. Duinen en heuvels doemden op en verdwenen, kleurloos en gezwollen in hun sluiers van nevel. Zonlicht sloeg stralend neer op het lijf van Orm Embar en schonk luister aan zijn dood.

Aan de overzijde van de beek zat roerloos de ijzerzwarte draak. Na het middaguur werd de zon helder en warm, en brandde de laatste vegen uit de hemel weg. Arren trok zijn natte kleren uit om ze te laten drogen, en droeg nu enkel nog zijn gordel en zijn zwaard. Hij liet ook Geds kleren in de zon drogen, maar zelfs overgoten door die grootse, milde en weldadige stroom van warmte en licht bleef Ged doodstil liggen. Er klonk een geluid als van metaal dat langs metaal schampte, het schurend gefluister van gekruiste zwaarden. De ijzerkleurige draak was overeind gekomen op zijn gekromde poten. Hij zette zich in beweging en stak het beekje over; onder zacht gesis sleepte hij zijn lange lijf door het zand. Arren zag de plooien bij zijn schouder, het pantser van zijn flanken, vol striemen en schrammen als de wapenrusting van Erreth-Akbe, en de lange tanden, afgesleten en vergeeld. In dit alles, en in de machtige zekerheid van zijn bewegingen en in de grootse, vreeswekkende kalmte die van hem uitging, herkende Arren het kenmerk van ouderdom, van hoge ouderdom, van jaren die ieders herinnering te boven gingen. Toen de draak stilhield op korte afstand van waar Ged lag, ging Arren tussen hen beiden in staan en zei in het Hardisch, want de Oude Spraak kende hij niet: ‘Zijt gij Kalessin?’

De draak antwoordde niet, maar het leek of hij glimlachte. Toen neeg hij de ontzaglijke kop, strekte zijn nek, keek Ged aan en noemde hem bij zijn naam.

Het geluid van zijn stem was machtig en mild en ging gepaard met een geur als van het vuur in een smidse. Weer sprak hij en nog eens; en bij de derde maal opende Ged de ogen. Even later poogde hij rechtop te gaan zitten, maar hij slaagde er niet in. Arren knielde bij hem neer en ondersteunde hem. Toen sprak Ged en zei: ‘Kalessin, senvannissai’n ar Roke.’ Met deze woorden waren zijn krachten uitgeput; hij liet zijn hoofd op Arrens schouder rusten en sloot de ogen. De draak gaf geen antwoord. Hij hurkte neer als tevoren zonder te bewegen. De nevel kwam weer opzetten en legde een sluier over de zon die neerzonk in de zee. Arren trok Ged zijn kleren weer aan en wikkelde hem in zijn mantel. Het getij had zich ver teruggetrokken, maar waste nu weer aan; Arren overwoog zijn metgezel naar de droge grond van de duinen te dragen, want hij voelde zijn krachten terugkeren. Maar toen hij zich vooroverboog en Ged op zijn schouder wilde nemen, stak de draak zijn grote, gepantserde poot uit en raakte hem bijna aan. Er zaten vier klauwen aan die poot en aan de achterkant was een spoor als van een haan, maar dit spoor was van staal en lang als het blad van een zeis. ‘Sobriost,’ zei de draak en zijn stem klonk als de wind van januari door bevroren rietstengels.

‘Laat mijn heer met vrede. Hij heeft ons allen gered en al zijn kracht daaraan gegeven, en wellicht ook zijn leven. Laat hem met vrede.’

Zo sprak Arren woedend en op bevelende toon. Hij had te veel angst en verschrikking gekend, hij was met vrees overvoerd en had er nu genoeg van, voor eens en altijd genoeg. Hij was woedend op de draak om zijn brute kracht en zijn grootte, zijn ongerechtvaardigde overmacht. Hij had de dood gezien, hij had de dood geproefd en geen bedreiging had nu nog macht over hem.

De oude draak Kalessin keek hem aan met een lange blik van zijn afschuwelijk gouden oog. Eeuw na eeuw was afgedaald in de afgrond van die ogen en diep binnenin lag er de morgen van de wereld. Arren keek niet in dat oog, maar hij wist dat het op hem neerkeek met een peinzende milde glimlach. ‘Arw sobriost,’ zei de draak en sperde zijn roestkleurige neusgaten zodat de gloed zichtbaar werd van het diep binnenin gekluisterde en verstarde vuur.

Toen de klauw van Kalessin hem stoorde, had Arren zijn arm reeds onder Geds oksels en was hij al bezig hem op te tillen, maar nu voelde hij hoe Ged het hoofd een weinig bewoog en hoorde hij zijn stem: ‘Dat betekent: klim op mijn rug.’ Een ogenblik stond Arren verstijfd. Dat was toch pure waanzin. Maar daar was die geklauwde poot, recht voor hem als een trede en erboven de kromming van de elleboog en daar weer boven de vooruitstekende schouder en de spieren waar de vlerken uit het schouderblad groeiden; vier treden, een trap. En daar, vlak voor de vlerken en de voorste grote ijzeren doren van het stekelige pantser, daar in de holte van de nek kon schrijlings een man zitten, of twee mannen. Als zij tenminste geheel van hun zinnen waren beroofd, alle hoop hadden laten varen en zich hadden overgeleverd aan de waanzin. ‘Klim,’ zei Kalessin in de taal der Schepping. Arren stond op en hielp ook zijn metgezel op te staan. Met opgeheven hoofd klom Ged geholpen door Arrens armen langs die vreemde treden omhoog. Beiden zetten zij zich schrijlings op het ruige pantser van de drakenek, Arren achteraan, klaar om Ged zo nodig te ondersteunen. Waar zij de huid van de draak beroerden, voelden zij beiden een warmte in zich opstijgen, weldadig als de zonnehitte; het vuur van het leven dat brandde onder dat ijzeren pantser.

Arren merkte dat zij Geds taxushouten staf daar beneden hadden laten liggen half verborgen onder het zand; de zee kroop naderbij en zou hem weldra met zich meenemen. Hij maakte aanstalten om hem op te halen, maar Ged weerhield hem. ‘Laat maar, Lebannen. Ik heb al mijn tovermacht bij de dorre bron verbruikt. Ik ben niet langer een wijze.’ Kalessin wendde de kop en keek hen van opzij aan; en weer was er die oeroude glimlach in zijn oog. En hoe oud Kalessin was, viel niet te zeggen en wat Kalessin dacht, zal niemand ooit weten. Traag ontplooide hij zijn vlerken. Het waren geen gouden vlerken als die van Orm Embar, maar zij waren rood, dieprood, donker als roest of bloed of de karmozijnen zijde van Lorbanery. Behoedzaam strekte de draak zijn vlerken om zijn nietige berijders niet van zijn rug te werpen; behoedzaam spande hij de veerkracht van zijn machtige dijen. Toen sprong

Вы читаете Koning van Aardzee
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ОБРАНЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату