een deur vanuit de woonkamer. Zoals hij al verwachtte trof hij daar evenmin een levend wezen aan. Hij had nu overal in het huis gekeken — tenzij degene die het vuur had aangestoken en de bloemen had klaargezet in de stal was. Maar dat zou wel niet.
Er was ook pas geleden nog een grote schoonmaak gehouden in het huis, zag hij. Bartell was al een maand of zo weg, maar toen Will met zijn vinger over de schoorsteenmantel veegde, bleef er geen stofje aan hangen. De tegels voor de haard waren net nog geveegd. Er lag geen as, geen stukje houtskool was uit de haard gerold.
‘Blijkbaar is er een goede fee in de buurt,’ mompelde Will tegen zichzelf. Maar toen dacht hij aan de dieren die stonden te wachten en dus liep hij weer naar buiten. Hij keek naar de stand van de zon en schatte dat het nog ongeveer een uur licht zou zijn. Tijd genoeg om uit te pakken, voordat hij zich zou melden bij het kasteel.
De hond bleek inmiddels wakker geworden en keek hem met haar intelligente ogen — blauw en bruin — belangstellend aan. Dat was een goed teken, dacht Will. In elk geval bewees het dat de hond een sterke overlevingsdrang had, en dat zou haar goed van pas komen nu ze zo verzwakt was door de wond en het bloedverlies. Voorzichtig tilde hij haar uit haar nestje boven op de zadeltassen en droeg haar naar binnen. Ze bleef rustig liggen op de warme natuurstenen tegels voor de haard en genoot zichtbaar van de warmte. Will liep weer naar het pakpaard en trok een oude paardendeken tevoorschijn om een wat zachter bed voor de hond te maken. Zodra hij daarmee klaar was kwam het beestje moeizaam overeind en strompelde ernaartoe. Met een diepe zucht liet ze zich weer zakken. Will vulde een bakje met water uit de pomp naast het aanrecht — hier hoefde je tenminste geen water uit een put buiten te halen, dacht hij tevreden — en zette dat naast het dier op de grond. De volle staart sloeg een, twee keer op de grond, om duidelijk te maken dat ze zijn goede zorgen waardeerde.
Daarna ging Will naar zijn paarden. Hij maakte eerst de singel van Treks zadel wat los. Afzadelen had weinig zin — hij moest immers nog naar het kasteel. Daarna begon hij de weinige persoonlijke spullen af te laden die hij meegenomen had naar het noorden. Toen dat klaar was zadelde hij het pakpaard af en bracht het naar de stal. Hij wreef het beest droog met een pluk stro en zette haar in een van de twee boxen. Hij zag dat de voederbakken gevuld waren met fris hooi, en ook de emmer was vol water. Hij bestudeerde die emmer — geen stofje op te zien, geen groene alg te bekennen.
Hij pakte de andere emmer uit de tweede box en nam die mee naar buiten om Trek te laten drinken. Trek schudde dankbaar met zijn lange manen.
Vervolgens ruimde Will zijn bagage op. Hij gooide zijn slaapspullen op het bed in de grootste slaapkamer — hoewel ‘grootst’ betrekkelijk was; ze waren allebei erg klein. Hij haalde zijn kleren uit de plunjezak en hing ze in de kast achter het gordijntje, dat als deur diende.
In de woonkamer stond ook een open kast, en daarin legde hij zolang de geoliede rol waarin hij zijn boeken verpakt had. Die zou hij later wel uitpakken. Naast de deur waren een paar haken in de muur geslagen waaraan hij zijn wapens kon ophangen; voorlopig hing hij daar maar de boog en de pijlenkoker. Zijn twee messen in hun dubbele schede hield hij bij zich. Die deed een Jager alleen af als hij naar bed ging, en dan nog bleven ze binnen handbereik.
Will keek om zich heen. Hij had maar weinig spullen meegebracht, maar toch zag het er nu al iets minder onpersoonlijk uit — in elk geval alsof er iemand woonde. Zijn overpeinzingen werden ruw onderbroken door een waarschuwend gehinnik van Trek. Ook de hond had zijn kop opgetild en keek met moeizaam verdraaide nek in de richting van de openstaande voordeur. Will maakte wat geruststellende geluiden. De waarschuwing van Trek betekende niet dat er gevaar dreigde, alleen dat er iemand aankwam. Een paar tellen later hoorde Will lichte voetstappen op de veranda en stond er ineens een vrouw in de deuropening. Ze klopte op de deurpost.
‘Kom binnen,’ zei Will. Met een aarzelend glimlachje stapte de vrouw over de drempel, alsof ze niet zeker wist of ze wel welkom zou zijn. Toen ze vanuit het tegenlicht naar binnen gekomen was kon Will haar beter zien. De vrouw was een jaar of veertig, schatte hij, en aan haar kleding te zien iemand uit het dorp. Ze droeg een eenvoudige wollen jurk, zonder de versierselen die een rijkere kasteelbewoonster noodzakelijk geacht zou hebben, met daaroverheen een simpel wit schort. Ze was lang en had een moederlijk figuur. Haar donkere haar was kortgeknipt, de eerste grijze haren waren al zichtbaar. Maar ze zag er gezond en welvarend uit en haar glimlach was vriendelijk. Ergens kwam ze hem bekend voor, dacht Will, maar hij wist werkelijk niet hoe of waar hij haar ooit eerder ontmoet zou hebben.
‘Kan ik iets voor u doen?’ vroeg hij.
De vrouw maakte een kniks. ‘Ik ben Edwina, mijnheer. Ik kom dit brengen.’
En ‘dit’ was een pannetje waaruit, toen ze het deksel oplichtte, een heerlijke geur opsteeg. Het was een smakelijke stamppot van vlees en groenten. Het water liep Will in de mond, maar denkend aan Halts waarschuwing bleef hij koel en liet niets merken. ‘Juist,’ zei hij alleen maar.
Edwina zette de pan op tafel en haalde toen een envelop uit de zak van haar schort, die ze hem toestak.
‘Dat kunt u later lekker opwarmen voor uw avondmaal, mijnheer,’ zei ze. ‘Ik neem aan dat u eerst naar baron Ergell wilt gaan?’
‘Misschien,’ antwoordde Will, die niet wist of hij zijn plannen moest delen met de eerste de beste dame die zich bij hem meldde. Daarna besefte hij dat ze nog steeds met die envelop stond en nam hem van haar aan. Verbaasd zag hij het zegel — een eikenblad met daarin de tekens in code die stonden voor nummer zesentwintig — het nummer van Bartell, wist hij.
‘Jager Bartell heeft dit bij mij achtergelaten voor zijn opvolger,’ zei ze, en gebaarde dat hij de envelop moest openen. ‘Ik was zijn huishoudster en zijn kokkin, als hij hier was.’
Terwijl Will de envelop openscheurde begreep hij hoe het gegaan was. Toen Bartell hier wegging, wist hij nog niet wie hem zou opvolgen. Hij had zijn brief dus gewoon gericht aan ‘De nieuwe Jager’. Snel las Will de boodschap.
Will keek op van de brief en glimlachte naar de vrouw. Het idee dat er iemand voor hem zou koken en het huis op orde zou houden stond hem eigenlijk wel aan. Maar hij aarzelde wel even — hij had geen idee hoeveel hij haar zou moeten betalen.
‘Nou, Edwina,’ begon hij, ‘Bartell steekt wel de loftrompet over jou!’
De vrouw maakte weer een kniksje. ‘We konden het altijd goed vinden. Jager Bartell was een echte heer. Ik heb acht jaar voor hem gewerkt!’
‘Tsja… eh… wat ik wilde vragen…’
Edwina zag hoe jong de man tegenover haar was. Waarschijnlijk was dit zijn eerste post. Ze kreeg medelijden met hem: ‘Wat de betaling betreft, mijnheer, daar hoeft u zich niet druk over te maken. Daar zorgt het kasteel voor!’
Will fronste zijn wenkbrauwen. Hij wist niet zeker of dat wel in de haak was, dat het kasteel voor hem betaalde. Hij kreeg per slot een salaris van de Jagers. Edwina voelde aan dat iets hem dwars zat en zei snel: ‘Alles is geregeld, hoor. Jager Bartell heeft altijd gezegd dat het de verantwoordelijkheid van het kasteel is om te zorgen voor kost en inwoning voor de Jager die hier gestationeerd is. En daar vallen mijn diensten dus ook onder.’
Natuurlijk, besefte Will. Voor het leen waren de diensten van de plaatselijke Jager gewoon een kostenpost, die afgetrokken werd van de jaarlijkse belastingaanslag uit Araluen. Hij glimlachte en kwam tot een besluit.
‘Nou, in dat geval maak ik graag gebruik van je vriendelijk aanbod, Edwina. Ik neem aan dat jij het ook was die hier schoongemaakt heeft en het vuur aangestoken?’
Ze knikte. ‘We verwachtten u al een week of zo, mijnheer. Ik ben elke dag even langsgekomen om de boel netjes te houden. En dat vuur, dat houdt het vocht uit het huis, deze tijd van het jaar.’
‘Nou, dank je wel. En ik heet Will.’
‘Welkom in Zeeklif, Jager Will,’ antwoordde ze met een glimlach. ‘Mijn dochter Delia had je al gezien toen je door het dorp reed. “Hij kijkt heel streng,” zei ze. “Echt een Grijze Jager.” ’
