Nu begreep Will waarom hij dacht dat hij haar kende. Ze had dezelfde groene ogen als haar dochter, en net zo’n brede lach. ‘Ik geloof dat ik haar ook gezien heb,’ zei hij.

Nu de kwestie van haar dienstverband geregeld was keek Edwina belangstellend naar Wills spullen. Haar ogen bleven rusten op het muziekinstrument, dat tegen de kast geleund stond.

‘Dus u speelt op de luit?’

Will schudde zijn hoofd.

‘Nee, een luit heeft tien snaren. Dit is een mandola, met acht snaren, een soort grote mandoline. De snaren zijn per paar ge stemd.’ Hij zag dat ze hem niet begreep. Dat gebeurde meestal als hij het verschil wilde uitleggen. ‘Ik kan er wel een beetje op spelen,’ zei hij dus maar.

De hond, die nog steeds lag te slapen, koos dit moment uit om flink te geeuwen. Nu pas zag Edwina het dier en ze liep erheen om het beter te bekijken. ‘En u heeft een hond meegebracht.’

‘Nou, nee, niet direct. Het beest is gewond, ik vond haar aan de kant van de weg.’

Edwina boog zich voorover en aaide over de kop van het beest. De hond opende zijn ogen en keek haar even aan. Zijn staart ging even heen en weer.

‘Prima honden, die herders,’ zei ze.

Will knikte. ‘Ze zeggen wel dat zij de intelligentste honden van allemaal zijn.’ En hij voegde eraan toe: ‘De veerman zei dat ze misschien wel van een man is die Buttel heet. Ken je die?’

Toen de vrouw die naam hoorde keek ze even bezorgd. ‘Nou… kennen… Laten we zeggen dat ik over hem heb gehoord, net als de meeste mensen hier, maar niemand zal willen toegeven dat hij hem kent. Het is geen fijne man, die John Buttel. Als dit zijn hond is, dan zou ik hem maar niet te snel terugbrengen.’

‘Nou, dat was ik ook niet van plan. Maar ik geloof intussen wel dat ik maar eens kennis moet gaan maken met die man.’

Zonder erbij na te denken zei Edwina meteen: ‘Daar zou ik mijn handen niet aan branden.’ Ze sloeg verschrikt haar hand voor haar mond. Die jongen was ook nog zo jong, ze voelde haar moederinstinct. Maar ze besefte wel dat ze het nog steeds tegen een Grijze Jager had, en dat waren mensen die niet zaten te wachten op adviezen van huishoudsters over wie ze wel en wie ze niet moesten leren kennen.

Will moest lachen. Hij begreep precies wat er door haar heen ging. ‘Ik pas heus wel op,’ zei hij, ‘maar het lijkt me hoog tijd dat er eens iemand een hartig woordje wisselt met dat heerschap. Er zijn trouwens genoeg andere mensen met wie ik eerst moet praten,’ zei hij, het onderwerp Buttel afsluitend. ‘Baron Ergell, bijvoorbeeld.’

Hij liet Edwina voor zich uit naar buiten gaan en wierp een laatste blik op de hond, om te zien of die tijdens zijn afwezigheid alles had wat ze nodig kon hebben. Daarna nam hij zijn pijlen en boog van de haak en deed de deur voorzichtig in het slot. Edwina bleef rustig staan kijken, terwijl hij eerst de singel van zijn zadel weer aantrok en daarna op Treks rug klom. Ze was, in tegenstelling tot andere mensen, gewend aan de omgang met Jagers, en deze leek haar wel geschikt. En toen zag ze hoe hij de grijsgroene mantel omsloeg en de kap over zijn hoofd trok. Meteen veranderde die opgewekte vriendelijke jongen in een strenge en anonieme gestalte. Ze zag ook hoe gemakkelijk hij die enorme boog in zijn linkerhand hield terwijl hij zijn been over Treks rug zwaaide en hoe gevaarlijk de pijlen die uit de koker op zijn rug staken waren. Een Jager heeft twee dozijn mensenlevens op zijn rug, was een oud gezegde. John Buttel kon maar beter op zijn tellen passen met deze nieuwe Jager, dacht Edwina.

HOOFDSTUK 4

De kamerheer van baron Ergell bracht Will naar het werkvertrek van zijn baas en nodigde hem met een elegant gebaar uit om binnen te treden.

‘Uw nieuwe Jager, mijnheer,’ kondigde hij hem aan, alsof hijzelf voor de vervanging gezorgd had. ‘Will Verdrag!’

Ergell stond op vanachter het reusachtige bureau dat het hele vertrek domineerde. Hij was erg lang en mager, en toen hij het lange lichte haar zag en de zwarte kleren die de man droeg, dacht Will even met een schok dat hij voor een reincarnatie van heer Morgarath stond, de in- en inslechte verrader die jaren geleden het koninkrijk had willen veroveren. Maar toen zag hij dat Ergells haar grijs was, en niet spierwit zoals dat van Morgarath. En Ergell was best lang, maar niet zo’n reus als Morgarath destijds.

De schrik verdween even snel als ze gekomen was. Maar het duurde even voor Will besefte dat hij de man stond aan te staren, terwijl die met uitgestoken hand wachtte om hem te begroeten. Snel liep Will verder de kamer in.

‘Een goede avond, mijnheer,’ zei hij.

Ergell greep zijn hand vast en schudde die enthousiast. Hij was een jaar of zestig, maar leek nog alleszins fit. Will overhandigde hem het document dat zijn benoeming officieel maakte. Eigenlijk had de wacht op de ophaalbrug die papieren al moeten innemen, en ze eerst door Ergell moeten laten controleren voordat hij Will had laten passeren, maar de sergeant van de wacht had een blik geworpen op Wills mantel en lange boog en had hem toen doorgewuifd. Nonchalant, had Will nog gedacht. Veel te slordig.

‘Welkom op Zeeklif, Jager!’ zei de baron. ‘Het is me een eer je te ontvangen, iemand die zich zo onderscheiden heeft in onze dienst!’

Daar keek Will even van op. De Grijze Jagers dienden de baronnen niet, ook niet die bij wie ze gestationeerd waren, en dat zou Ergell moeten weten. Misschien, dacht hij, probeerde de man zich belangrijker te maken dan hij was.

‘Wij dienen beiden onze vorst, baron,’ antwoordde hij rustig, en de gelaatsuitdrukking die een fractie van een seconde zichtbaar was bevestigde hem dat hij het bij het rechte eind had gehad. Misschien had Ergell, toen hij zag hoe jong zijn Grijze Jager was, eventjes gedacht: proberen kan altijd. Zo zou Halt het hebben uitgelegd.

‘Natuurlijk, zeker,’ zei de baron haastig en wees toen naar de zwaar gebouwde man die naast het bureau was komen staan.

‘Jager, mag ik je voorstellen aan onze krijgsmeester, Norris van Roek.’

Norris was een jaar of veertig, schatte Will, zoals de meeste krijgsmeesters. Als ze jonger waren hadden ze meestal nog niet de vereiste ervaring om de ridders en het voetvolk van het leen aan te voeren in de strijd. En als ze ouder werden waren ze meestal fysiek niet meer opgewassen tegen die zware taak.

‘Heer Norris,’ begroette Will hem kort, met een hoofdknikje. De ridder gaf hem een ferme hand, zoals te verwachten was. Mannen die het grootste deel van hun leven met een zwaard of strijdbijl hadden staan zwaaien, kregen sterke arm- en handspieren. Will voelde dat de krijgsmeester hem inschatte terwijl zij elkaar de hand schudden. Hij zag als het ware hoe de man zijn kleine postuur en jeugdige leeftijd beoordeelde.

En er was nog iets anders. Will had het gevoel dat de man ergens opgelucht was door wat hij zag. Misschien hoopte hij dat hij het nu, na jaren van moeizame omgang met de ervaren Bartell die zich niets wijs liet maken, wat gemakkelijker zou krijgen met deze verse en onervaren nieuweling. Dat stak Will even. Hij was al gewaarschuwd door Halt en Crowley, dat er in sommige lenen weinig liefde voor Grijze Jagers te verwachten viel.

‘Er zijn er helaas nogal wat die denken in termen van “zij tegen ons”,’ had Crowley opgemerkt toen hij Will voorbereidde op zijn nieuwe positie. ‘Maar ja, het is onze rol en taak om ook op hen een oogje te houden. Wij moeten rapporteren of ze voldoende paraat zijn en goed genoeg trainen en oefenen. Er zijn natuurlijk baronnen en krijgmeesters die daar niet op zitten te wachten. Zij houden liever het beeld overeind dat zij eigen baas zijn — en dan heb je het niet zo op pottenkijkers.’

Will wist dat het op kasteel Redmont heel anders was. Halt en baron Arald konden uitstekend met elkaar overweg, er was duidelijk sprake van wederzijds respect. Maar Will zette deze gedachten snel uit het hoofd terwijl hij beleefd antwoord gaf op vragen van Norris en Ergell over het verloop van zijn reis naar deze verre uithoek van het rijk.

Ergell nodigde hem uit voor het avondeten in het kasteel. Beleefd glimlachend sloeg hij de uitnodiging af. ‘Misschien later in de week een keer, mijnheer. Ik wil u niet tot last zijn met mijn onverwachte komst hier. U kon niet weten dat ik vandaag al zou aankomen, en u had vast al andere plannen gemaakt voor deze avond.’

‘Zeker, zeker, dan maar later deze week,’ gaf de baron snel toe. ‘Zodra je enigszins gesetteld bent.’

Вы читаете De Magier van Macindaw
Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату