Die baron viel wel mee, dacht Will, hij was best een geschikte kerel ondanks dat hij even uitgeprobeerd had hoe de verhoudingen tussen hen lagen. In elk geval was zijn lach warm en open.
‘Misschien kunnen we straks wat te eten laten brengen dan?’
‘Dat is ook niet nodig, dank u. Die vrouw uit het dorp, Edwina, heeft al een heerlijke maaltijd voor me klaargezet. Ik heb er even aan mogen ruiken, en ik weet zeker dat ik in elk geval vanavond niets tekort zal komen.’
‘Ja, koken kan Edwina zeker,’ glimlachte de baron. ‘Ik heb meer dan eens geprobeerd of ze hier niet de keuken wilde overnemen, maar tot dusverre tevergeefs, helaas.’
Norris ging op een van de banken zitten die naast het bureau stonden. ‘Je bent dus in die hut van Bartell getrokken?’
Will knikte. ‘Ja, krijgsmeester, inderdaad. Een prettige woning, dat zag ik meteen.’
Ergell moest lachen. ‘Nou, zeker als Edwina kookt!’
Maar Norris schudde zijn hoofd. ‘Het zou veel efficienter zijn als je hier in het kasteel kwam,’ zei hij. ‘De baron kan je je eigen appartement geven — heel wat comfortabeler dan zo’n boshut. En dan ben je tenminste in de buurt als we je nodig hebben.’
Will glimlachte. Hij had heus wel door wat er achter deze onschuldige woordenwisseling zat. Als hij in het kasteel kwam wonen, zou er een subtiele verschuiving in de wederzijdse relaties plaatsvinden. Misschien niet meteen, maar door die onafhankelijkheid op te geven zou er een eerste stut onder zijn positie weggetrokken worden. En die formulering, dat hij tenminste in de buurt zou zijn ‘als ze hem een keer nodig hadden’ — dat was duidelijk een hint dat hij maar klaar moest staan om hen te assisteren, zodra zij daar behoefte aan hadden. Hij zag dat Ergell hem aankeek en benieuwd was hoe hij zou antwoorden.
‘Heel erg bedankt voor het aanbod, krijgsmeester, maar de boshut is prima. Wij Jagers wonen altijd buiten het kasteel, dat zijn we zo gewend.’
‘Ja, dat is traditie, he,’ antwoordde Norris met net een klein beetje minachting in zijn stem. ‘Soms denk ik wel eens dat we te veel waarde hechten aan bepaalde tradities!’
Maar Ergell lachte breed nu en doorbrak de pijnlijke stilte die dreigde te vallen. ‘Kom op, Norris, je weet net zo goed als ik dat Grijze Jagers staan op hun tradities. In elk geval, Will, weet dat je altijd welkom bent. Als het te koud en tochtig wordt in dat hutje, midden in de winter, dan kun je altijd hier terecht. Als je dat maar onthoudt!’
En met een korte blik leek hij de krijgsmeester te waarschuwen dat de discussie daarmee gesloten was. Gelukkig schikte Norris zich en haalde zijn schouders op. Will nam het hen eigenlijk niet kwalijk, dat ze probeerden hem onder hun invloed te brengen. Hij kon zich best voorstellen dat het vervelend was als er altijd maar iemand over je schouders mee stond te kijken, dag in, dag uit, en daar dan ook nog rapport over uitbracht aan de koning. En zeker als die iemand ook nog eens zo’n broekje was. In ieder geval was hij erin geslaagd hun uitnodigingen af te slaan zonder dat ze zich beledigd toonden.
‘Nu dan, Jager Verdrag…’ begon Ergell, maar Will stak zijn hand op.
‘Alstublieft, heer, ik heb liever dat u me gewoon Will noemt.’
Dat was een handige zet, vooral omdat hij door dit te zeggen duidelijk maakte dat hijzelf bereid was om de man met zijn titel aan te blijven spreken. Ergell glimlachte dan ook, nog vriendelijker dan tot nu toe. De baron had de boodschap begrepen.
‘Will dan. Zoals ik net wilde zeggen, misschien kunnen we afspreken dat we over twee dagen een officieel welkom regelen, met een diner? Dan zal ik mijn kok opdracht geven om extra zijn best te doen.’
‘Want we weten allemaal hoe moeilijk koks kunnen doen als je hen niet op tijd waarschuwt,’ voegde Norris eraan toe. Hij grijnsde en keek toen angstig, alsof hij een klap met de pollepel verwachtte. Will glimlachte terug. Blijkbaar waren alle koks hetzelfde, waar je ook kwam. De sfeer in het vertrek werd nu aanzienlijk ontspannener.
‘Als u verder niets heeft, baron, dan zeg ik u nu maar weer gedag,’ zei Will. Ergell knikte en Norris stond op van zijn bankje.
‘Goed, Will,’ zei de baron. ‘Als er nog iets is wat je nodig hebt, zeg dat dan tegen Gordon, akkoord?’ Gordon was de kamerheer die Will had binnengebracht.
Will aarzelde even en zei toen: ‘U heeft mijn aanstellingsbrief nog.’ Hij wees op het perkament dat nog op het bureau lag.
‘Ja, ja, ik zal er straks of morgen even naar kijken.’ Ergell glimlachte weer. ‘Alhoewel ik me nauwelijks kan voorstellen dat je een oplichter bent.’
Will lachte terug. Eigenlijk had Ergell het zegel moeten verbreken en de aanstellingsbrief moeten lezen, meteen nadat Will hem had aangereikt. Weer een bewijs dat de discipline hier niet al te streng was, dacht Will. Maar misschien was hij een zeurpiet.
‘Goed, heer.’ Hij keek even naar Norris. ‘Krijgsmeester!’ En de twee schudden elkaar weer de hand.
‘Fijn dat je er bent, Jager!’ zei de man.
‘Will!’ zei Will.
De krijgsmeester knikte. ‘Fijn dat je er bent, Will!’ verbeterde hij zichzelf.
Will boog stijfjes naar de baron, draaide zich op zijn hakken om en marcheerde het vertrek uit.
Terug in zijn eigen huis trof hij de hond precies zo aan als hij haar had achtergelaten. Ze was wel wakker en kwispelde twee of drie keer toen hij binnenkwam. Er stond een nieuwe kom op tafel, en daar zat wat onduidelijk voedsel in. Er lag een stukje papier onder met een tekening van een hond erop. Edwina weer, dacht Will. Het eten was nog warm en hij zette de kom naast de hond op de grond. Het beestje kwam moeizaam overeind en liep erop af. Daarna begon ze met regelmatige slagen van haar tong te eten. Will kriebelde achter haar oor en bekeek de wond. De hechtingen hadden het gehouden.
‘Maar goed dat ze die tekening erbij gelegd had,’ zei hij tegen de hond, ‘anders had ik het zelf nog opgegeten!’
De hond at gewoon door. Ze vond het blijkbaar lekker. Het rook ook heerlijk, dacht Will. Zijn eigen maag begon te rommelen. Edwina had ook een brood achtergelaten, zag hij nu, naast de stamppot. Hij sneed een snee af en begon daar met smaak op te kauwen terwijl hij wachtte tot het pannetje stamppot opgewarmd was.
HOOFDSTUK 5
De dagen daarna vlogen voorbij, terwijl Will kennismaakte met zijn nieuwe werk en woonplaats.
Het diner dat baron Ergell organiseerde in de eetzaal van het kasteel was best gezellig. Natuurlijk was het min of meer officieel, dus waren alle ambachtsmeesters uitgenodigd, zoals de wapenmeester, de paardenmeester en de klerkenmeester. Maar ook alle ridders uit de buurt en hun dames waren aanwezig. Het waren te veel namen en gezichten om in een keer te onthouden, maar Will wist dat hij hen de komende weken allemaal zou leren kennen en herkennen. Zij op hun beurt leken allemaal even benieuwd om kennis te maken met de nieuwe Grijze Jager. Will besefte dat hij al een zekere reputatie had, die hem zelfs naar deze verre uithoek van het rijk vooruit was gesneld.
Dat kwam natuurlijk ook omdat hij de leerling was geweest van Halt, misschien wel de beroemdste van alle Grijze Jagers. Maar ze wisten ook heel goed dat het Will zelf was geweest die de snode plannen van Morgarath had weten te verijdelen, de slechte heer van Nacht en Ontij, die het rijk vijf jaar daarvoor had aangevallen. En hoe hij daarna prinses Cassandra had gered, toen zij gevangen genomen was door de Skandische zeewolven. En ze wisten ook hoe die gevangenschap geeindigd was en hoe Halt en Will — en Cassandra! — de Skandiers geholpen hadden in de veldslag tegen de Temujai, die woeste paardenmensen uit de oostelijke steppen. Dankzij hen was er nu een niet-aanvalsverdrag met de Skandiers, een verdrag dat tot de dag van vandaag had stand gehouden.
Het was dat verdrag van Hallasholm geweest dat Will eindelijk een achternaam gegeven had — hij stond sindsdien bekend als Will Verdrag. Omdat hij een vondeling was, opgegroeid in kasteel Redmont, had hij als kind geen eigen achternaam gehad.
Door al die dingen was het misschien wel vanzelfsprekend dat iedereen die hem de eerste keer ontmoette verbaasd was over hoe jong hij nog was. Het kwam zelfs voor dat mensen dachten dat ze zich vergisten, dat hij een andere Jager moest zijn dan die ene beroemde die zij verwachtten te zullen zien. Datzelfde gold trouwens
