wildling zijn kant op keek verkrampten zijn handen, alsof ze zich tot vuisten wilden ballen. Weet hij dat ik met Anje heb gesproken, de vorige keer dat we hier waren? vroeg hij zich af. Heeft ze hem verteld dat ik heb gezegd dat we haar mee zouden nemen. Heeft hij het uit haar geslagen?

‘Ik heb het koud,’ zei Bannen. ‘Alsjeblieft. Ik heb het koud.’

Alle warmte en rook in Crasters zaal ten spijt had Sam het zelf ook koud. En ik ben moe, zo moe. Hij had slaap nodig, maar zodra hij zijn ogen sloot droomde hij van stuivende sneeuw en dode mannen die met zwarte handen en fel blauwe ogen op hem af kwamen schuifelen.

Boven op de zolder stiet Anje een huiverende snik uit die door de lange, lage, raam loze zaal weerkaatste. ‘Persen,’ hoorde hij een van Crasters oudere vrouwen zeggen. ‘Harder. Harder. Schreeuw maar, als dat helpt.’ Dat deed ze, zo hard dat Sam ervan ineenkromp.

Craster keek met een boze blik omhoog. ‘Ik ben dat gekrijs zat,’ riep hij. ‘Geef haar een lap om in te bijten of ik kom naar boven om haar mijn hand te laten voelen.’

Hij was ertoe in staat ook, wist Sam. Craster had negentien vrouwen, maar geen van hen zou durven ingrijpen als hij eenmaal die ladder op klom. Net zomin als de zwarte broeders dat twee avonden geleden hadden gedurfd toen hij een van de jongere meisjes afranselde. Er was gemord, dat wel. ‘Hij slaat haar dood,’ had Gars van Groeneweg gezegd, en Karl Horrelvoet had lachend gezegd: ‘Als hij dat snoepje niet wil, mag hij haar best aan mij geven.’ Zwarte Bemar vloekte op gedempte, boze toon en Alan van Rooswijck stond op en liep naar buiten om het niet te hoeven aanhoren. ‘Zijn woning, zijn wet,’ had de wachtruiter Ronneel Harkel hun in herinnering gebracht. ‘Craster is de Wacht welgezind.’

Welgezind, dacht Sam, luisterend naar Anjes gesmoorde kreten.

Craster was een bruut die met ijzeren hand over zijn vrouwen en dochters heerste, maar toch was zijn burcht een toevluchtsoord. ‘Verkleumde kraaien,’ had Craster gesnierd toen ze binnen kwamen qruppelen, de weinigen die de sneeuw, de geesten en de bittere kou hadden overleefd. ‘Maar lang niet zo’n grote zwerm als er naar het noorden is getrokken.’ Toch had hij hun een plaats geboden, een dak tegen de sneeuw en een vuur om bij te drogen, en zijn vrouwen hadden hun bekers dampende wijn gebracht, zodat ze iets warms in hun buik hadden. ‘Ellendige kraaien,’ noemde hij hen, maar hij had ze nog te eten gegeven ook, hoe karig de kost ook mocht zijn.

We zijn gasten, hield Sam zichzelf voor. Anje is van hem. Zijn dochter, zijn vrouw. Zijn woning, zijn wet.

De eerste keer dat hij Crasters Burcht had gezien was Anje bij hem om hulp komen smeken, en Sam had haar zijn zwarte mantel gegeven om haar buik te verbergen toen ze Jon Sneeuw ging zoeken. Ridders worden geacht vrouwen en kinderen te beschermen. Slechts een paar zwarte broeders waren ridders, maar toch… We zeggen allemaal de woorden, dacht Sam. Ik ben het schild dat de rijken der mensen beschermt. Een vrouw was een vrouw, zelfs als ze een wildling was. We horen haar te helpen. Dat horen we te doen. Anje vreesde voor haar kind, ze was als de dood dat het een jongetje zou worden. Zijn dochters bracht Craster groot om ze tot vrouw te nemen, maar op zijn terrein was geen enkele man of jongen te bekennen. Anje had Jon verteld dat Craster zijn zonen aan de goden gaf. Als de goden goed zijn zenden ze haar een dochter; bad Sam.

Op de zolder onderdrukte Anje een gil. ‘Het is zover,’ zei een vrouw. ‘Nu nog een keer persen. O, ik zie zijn hoofd.’

Haar; dacht Sam ongelukkig. Haar hoofd.

‘Koud,’ zei Bannen zwakjes. ‘Alsjeblieft. Ik heb het zo koud.’ Sam zette de kom met de lepel weg, gooide nog een vacht over de stervende heen en legde nog een stuk hout op het vuur. Anje krijste en begon te puffen. Craster knauwde op zijn harde, zwarte worstje. Hij had worstjes voor zichzelf en zijn vrouwen, zei hij, maar niet voor de Wacht. ‘Vrouwen,’ klaagde hij. ‘Zoals die jammeren… ik heb eens een vette zeug gehad die acht biggen wierp en er alleen maar bij knorde.’ Al kauwend keek hij Sams kant op en staarde hem met toegeknepen ogen minachtend aan. ‘Dat beest was bijna zo dik als jij, jongen. Doder.’ Hij lachte.

Dat was meer dan Sam kon verdragen. Struikelend liep hij bij de vuurkuil vandaan, waarbij hij moeizaam over en om de mannen heen moest stappen die op de aangestampte lemen vloer sliepen, hurkten of lagen te sterven. De rook, de kreten en het gekreun gaven hem een wee gevoel. Hij trok zijn hoofd in, schoof de flappen van hertenhuid die Crasters deur voorstelden opzij en stapte naar buiten, de namiddag in.

Het was bewolkt maar toch licht genoeg om verblind te worden na het schemerduister van de zaal. Plakken sneeuw verzwaarden de takken van de omringende bomen en lagen als dekens over de goudgele en roestbruine heuvels gespreid, maar er waren er minder dan eerst. De storm was voorbijgetrokken en de dagen in Crasters Burcht waren… nu ja, misschien niet warm geweest, maar toch ook niet bitter koud. Sam hoorde het zachte druppen van smeltende ijspegels die als een baard aan de rand van het dikke plaggendak hingen. Hij ademde diep en huiverend in en keek om zich heen.

In het westen deden Ollo Hakhand en Tim Steen de ronde langs de aangelijnde paarden om hun overgebleven garrons te voederen en te drenken.

Windafwaarts waren andere broeders bezig de beesten die te zwak werden geacht om nog verder te gaan te villen en in stukken te hakken. Speer dragers en boogschutters liepen wacht achter de aarden wallen die Crasters enige verdediging vormden tegen wat zich buiten in het woud schuilhield en uit een stuk of tien vuurkuilen wezen dikke vingers blauwgrijze rook omhoog. Sam hoorde de verre echo’s van bijlen in het bos, waar een taakeenheid bezig was genoeg hout te hakken om de vuren de hele nacht brandend te houden. De nacht, dat was de slechte tijd. Als het donker werd. En koud.

Sinds ze bij Craster waren vonden er geen aanvallen meer plaats, noch van geesten, noch van Anderen. En die zouden ook niet komen, zei Craster. ‘Een godvrezend man heeft geen reden om daarvoor te vrezen. Dat heb ik ook een keer tegen Mans Roover gezegd toen hij hier kwam rondsnuffelen. Maar hij luisterde net zomin als jullie, kraaien, met jullie zwaarden en jullie rotvuur. Als de witte kou komt hebben jullie daar niks aan. Alleen de goden zullen jullie dan helpen. Dus zorg maar dat je met de goden op goeie voet komt te staan.’

Anje had het ook over de witte kou gehad, en ze had verteld wat voor soort offers Craster zijn goden bracht. Toen hij dat hoorde zou Sam hem met liefde vermoord hebben. Achter de Muur gelden geen wetten, hield hij zichzelf voor, en Craster is de Wacht welgezind.

Achter de lemen zaal ging een ruige kreet op. Sam ging een kijkje nemen. De grond onder zijn voeten was een blubberig mengsel van gesmolten sneeuw en zachte modder — Crasters stront, naar Ed van de Smarten beweerde. Maar het spul was taaier dan stront en zoog zo hard aan Sams laarzen dat hij voelde hoe er een werd losgetrokken.

Achter een moestuin en een lege schaapskooi schoot een tiental zwarte broeders pijlen naar een schietschijf van hooi en stro. De slanke blonde oppasser die ze Mooie Donneel noemden had van vijftig pas afstand vlak naast de roos geschoten. ‘Doe dat maar eens beter, ouwe,’ zei hij.

‘Doe ik.’ Olmer, een gebogen grijsbaard, los van vel en leden, stelde zich op en trok een pijl uit de pijlkoker aan zijn middel. In zijn jonge jaren was hij vogelvrij geweest, een lid van de beruchte broederschap van het koningsbos. Hij beweerde dat hij de Witte Stier van de Koningsgarde eens een pijl door zijn hand had geschoten om een kusje te stelen van de lippen van een Dornse prinses. Haar juwelen had hij ook gestolen, en een kist vol gouden draken, maar het was die kus waar hij over opschepte als hij aangeschoten was.

Hij legde aan en mikte, soepel als zomerzijde, en toen schoot hij. Zijn pijl belandde een duim dichter bij de roos dan die van Donneel Heuvel. ‘Goed genoeg, jochie?’ vroeg hij, terwijl hij een stap naar achteren deed.

‘Niet slecht,’ zei de jongere man met tegenzin. ‘De zijwind was in jouw voordeel. Toen ik schoot was hij sterker.’

‘Dan had je daar rekening mee moeten houden. Je hebt een scherp oog en een vaste hand, maar om een man uit het koningsbos de loef af te steken is meer nodig. Dick Pijlmaker heeft me geleerd om een boog te spannen, en een betere schutter is er nooit geweest. Heb ik je weleens over ouwe Dick verteld?’

‘Maar driehonderd keer.’ Iedereen in Slot Zwart kende Olmers verhalen over de grote vogelvrijenbende van weleer: over Simon Toyn en de Glimlachende Ridder, Ozewijn Langnek de Driemaalgehangene, Wenda de Witte Hinde, Pijlmaker Dick, Ben Dikbuik en alle anderen. Zoekend naar een vluchtweg keek Donneel om zich heen en zag Sam in de blubber staan. ‘Doder!’ riep hij. ‘Kom eens laten zien hoe je die Ander hebt gedood.’ Hij stak de grote langboog van taxushout uit.

Sam werd rood. ‘Het was geen pijl maar een dolk, van drakenglas…’ Hij wist wat er zou gebeuren als hij de

Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату