‘Laat me eens raden. Symon Zilvertong?’
Symon glimlachte bescheiden. ‘Ik ben bereid deze grootspraak te bewijzen in aanwezigheid van de koning en zijn hof. Hamis is oud en vergeet vaak wat hij zingt. En Collio, met dat absurde Tyroshaccent! Wie meer dan een op de drie woorden verstaat mag zich gelukkig prijzen.’
‘Mijn dierbare zuster organiseert het feest. Zelfs als ik u die uitnodiging zou kunnen bezorgen maakt het misschien een rare indruk. Zeven Koninkrijken, zeven geloften, zeven uitdagingen, zevenenzeventig gerechten… maar
‘U lijkt mij geen vrome man, heer?’
‘Vroomheid is niet aan de orde. Er dienen bepaalde vormen in acht genomen te worden.’
Symon nam een slok wijn. ‘Desondanks… het leven van een zanger is niet ongevaarlijk. Wij oefenen ons beroep uit in bierlokalen en wijnkroegen, voor smerige zuiplappen. Mocht een van de zeven zangers van uw zuster iets overkomen, dan hoop ik dat u mij als vervanger zult overwegen.’ Hij glimlachte sluw, onfatsoenlijk tevreden met zichzelf.
‘Zes zangers zou inderdaad net zo’n ongelukkig aantal zijn als acht. Ik zal inlichtingen inwinnen omtrent de gezondheid van Cerseis zevental. Mocht een van hen niet gedisponeerd zijn, dan weet mijn dienstman Bronn u te vinden.’
‘Dat is mooi, heer.’ Daar had Symon het bij kunnen laten, maar meegesleept door zijn triomf voegde hij eraan toe. ‘Ik zal beslist zingen op de avond van koning Joffry’s bruiloft. Mocht het gebeuren dat ik naar het hof geroepen word, welnu, dan wil ik de koning mijn beste composities bieden, liederen die ik al ontelbare malen gezongen heb en die zeker in de smaak zullen vallen. Maar als ik in de een of andere naargeestige wijnkroeg mocht komen te zingen… tja, dat zou dan de gelegenheid zijn om mijn nieuwe liedje uit te proberen.
‘Dat zal niet nodig zijn,’ zei Tyrion. ‘U hebt mijn woord als Lannis ter dat Bronn u binnenkort komt opzoeken.’
‘Heel mooi, heer.’ De kalende zanger met het buikje pakte zijn houtharp weer op.
Bronn wachtte met de paarden bij de ingang van het steegje. Hij hielp Tyrion opstijgen. ‘Wanneer breng ik die kerel naar Schemerdel?’
‘Nooit.’ Tyrion wendde zijn paard. ‘Geef hem nog drie dagen, en vertel hem dan dat Hamis de Harpspeler zijn arm heeft gebroken. Zeg dat hij zich in die kleren niet aan het hof kan vertonen en dat hem dus meteen nieuwe aangemeten moeten worden. Hij zal maar al te grif meegaan.’ Hij trok een gezicht. ‘Misschien wil jij zijn tong hebben, die schijnt van zilver te zijn. De rest moet voorgoed verdwijnen.’
Bronn grijnsde. ‘Ik weet een eethuis in de Vlooienzak waar ze een lekkere bak hachee serveren. Ze zeggen dat daar allerlei soorten vlees in zitten.’
‘Laat mij daar dan maar nooit eten.’ Tyrion zette zijn paard tot een sukkeldrafje aan. Hij verlangde naar een bad, hoe heter hoe beter.
Zelfs dat bescheiden genoegen was hem echter niet vergund, want hij was nog niet in zijn vertrekken terug of Podderik Peyn meldde hem dat hij in de toren van de Hand ontboden was. ‘Uw vader wil u spreken. De Hand. Heer Tywin.’
‘Ik weet nog wie de Hand is, Pod,’ zei Tyrion. ‘Ik ben mijn neus kwijt, niet mijn hersens.’
Bronn lachte. ‘Bijt die knul nou niet zijn kop af.’
‘Waarom niet? Die gebruikt hij toch nooit.’ Tyrion vroeg zich af wat hij nu weer gedaan had.
Toen hij niet lang daarna zijn vaders bovenzaal betrad hoorde hij een stem zeggen: ‘…kersenhout voor de scheden, met een bekleding van rood leer en versierd met een rij zuiver gouden noppen in de vorm van leeuwenkoppen. Misschien met ogen van granaat…’
‘Robijnen,’ zei heer Tywin. ‘Aan granaten ontbreekt het vuur.’
Tyrion schraapte zijn keel. ‘Heer. U hebt mij ontboden?’
Zijn vader keek op. ‘Ja. Kom eens kijken.’ Op de tafel tussen hen in lag een in oliedoek gewikkelde bundel, en heer Tywin had een zwaard in zijn hand. ‘Een huwelijkscadeau voor Joffry,’ zei hij tegen Tyrion. In het licht dat door de ruitvormige ramen viel straalde het zwaard een roodzwarte gloed uit toen heer Tywin het omdraaide om de snede te inspecteren, terwijl de knop en de pareerstang vonkten als goud. ‘Met al die zotteklap over Stannis en zijn magische zwaard leek het mij het beste om Joffry ook iets uitzonderlijks te geven. Een koning hoort een koninklijk wapen te hebben.’
‘Dat is veel te veel zwaard voor Joff,’ zei Tyrion.
‘Hij groeit er wel naartoe. Hier, voel het gewicht eens.’
Het zwaard was veel lichter dan hij verwacht had. Toen hij het omdraaide zag hij waarom. Maar een metaal kon zo dun gesmeed worden en toch sterk genoeg zijn om mee te vechten. En met die vlam erin, het kenmerk van staal dat talloze malen dubbelgeslagen is, was er geen twijfel mogelijk. ‘Valyrisch staal.’
‘Ja,’ zei heer Tywin innig tevreden.
Minstens drie keer had heer Tywin aan verarmde, mindere huizen aangeboden hun Valyrische zwaarden te kopen, maar zijn avances waren altijd resoluut afgewezen. Als de Lannisters erom vroegen wilden de kleine jonkertjes graag afstand doen van hun dochters, maar hun oude familiezwaarden bleven ze koesteren.
Tyrion vroeg zich af waar het metaal voor dit wapen vandaan kwam. Een paar meester-wapensmeden waren in staat oud Valyrisch staal om te smeden, maar de geheime samenstelling was verloren gegaan toen de Doem over het oude Valyria was gekomen. ‘Wat een vreemde kleuren,’ merkte hij op, terwijl hij de kling in het zonlicht omdraaide. Valyrisch staal was meestal zo donkergrijs dat het bijna zwart leek, en dat gold ook hier. Maar waar het was dubbelgeslagen was het vermengd met een kleur rood die even intens was als het grijs. De twee kleuren spoelden om elkaar heen zonder in elkaar op te gaan, iedere rimpeling afzonderlijk waarneembaar, als golven van nacht en bloed op een stalen strand. ‘Hoe komt u aan dit patroon? Ik heb nog nooit zoiets gezien.’
‘Ik ook niet, heer,’ zei de wapensmid. ‘Ik moet bekennen dat dit niet de kleuren waren die ik op het oog had, en ik zou niet weten hoe ik ze nog een keer moest maken. Uw vader had om het scharlakenrood van uw huis gevraagd, dus ben ik begonnen met die kleur door het metaal te mengen. Maar Valyrisch staal heeft een eigen wil. Men zegt dat zulke oude zwaarden een geheugen bezitten en niet gemakkelijk te veranderen zijn. Ik heb tientallen spreuken toegepast en het rood herhaaldelijk lichter gemaakt, maar de kleur werd steeds weer donker, alsof de kling het zonlicht eruit zoog. En sommige lagen wilden het rood helemaal niet opnemen, zoals u ziet. Als de heren niet tevreden zijn blijf ik het natuurlijk proberen, zo vaak als u wilt, maar…’
‘Niet nodig,’ zei heer Tywin. ‘Dit voldoet.’
‘Een scharlakenrood zwaard fonkelt misschien fraai in de zon, maar eerlijk gezegd bevallen deze kleuren mij beter,’ zei Tyrion. ‘Ze hebben een onheilspellende schoonheid… en ze maken deze kling uniek. Er is in de hele wereld geen tweede zwaard zoals dit, zou ik denken.’
‘Er is er een.’ De wapensmid boog zich over de tafel om de bundel in oliedoek open te vouwen en een tweede zwaard te onthullen.
Tyrion legde Joffry’s zwaard neer en pakte het tweede. Zoal geen tweelingen, dan waren dit toch op zijn minst neven in de eerste graad. Dit zwaard was dikker en zwaarder, een halve duim breder en drie duim langer, maar ze vertoonden dezelfde mooie, heldere lijnen en dezelfde opvallende kleurstelling, die rimpelingen van bloed en nacht. Over dit tweede zwaard liepen drie bloedgeulen van het gevest naar de punt. Dat van de koning had er maar twee. Joffs gevest was veel meer versierd — de armen van de pareerstang waren leeuwenpoten met uitgestoken klauwen van robijn — maar beide zwaarden hadden een greep van fraai bewerkt rood leer en als knop een gouden leeuwenkop.
‘Schitterend.’ Zelfs in Tyrions ongeoefende handen leek de kling tot leven te komen. ‘Ik heb nooit een betere
