Winterfel, een neef van Benjen Stark. Jij moet het doen, of niemand. De Muur is van jou, Jon Sneeuw.’

Arya

EIke keer dat ze ’s ochtends wakker werd, voelde ze zich hol vanbinnen. Maar het was geen honger, al had ze dat soms ook. Het was een soort gat, een leegte waar haar hart was geweest, waar haar broers hadden gewoond, en haar ouders. Ook haar hoofd deed pijn. Niet zo erg als eerst, maar nog steeds vrij erg. Daar was Arya aan gewend geraakt, en de buil slonk tenminste al. Maar het gat in haar binnenste bleef even groot. Dat wordt nooit meer beter, zei ze bij zichzelf als ze ging slapen. Er waren ook morgens waarop Arya helemaal niet wakker wilde worden. Dan dook ze met dichtgeknepen ogen weg onder haar mantel en probeerde zich weer in slaap te wensen. Als de Jachthond haar nou maar met rust had gelaten, dan had ze dag en nacht geslapen.

En gedroomd. De dromen waren nog het beste. Ze droomde bijna elke nacht van wolven. Een grote roedel wolven, met haar aan het hoofd. Zij was groter dan alle andere, sterker, vlugger, sneller. Ze rende paarden voorbij en was leeuwen de baas. Als ze haar tanden ontblootte, gingen er zelfs mensen voor haar op de loop. Haar buik was nooit lang leeg, en haar vacht hield haar warm, ook als de wind guur was. Haar broeders en zusters waren bij haar, een heleboel en nog meer, woest en vreselijk, en van haar. Zij zouden haar nooit verlaten.

Maar waar haar nachten met wolven gevuld waren, behoorden haar dagen aan de hond. Sandor Clegane dwong haar elke ochtend om op te staan, of ze wilde of niet. Dan vloekte hij haar uit met zijn raspende stem, of hij rukte haar overeind en schudde haar. Een keer smeet hij een helm vol koud water zo over haar hoofd. Ze sprong sputterend en huiverend op en wilde hem een schop geven, maar hij lachte alleen maar. ‘Droog je af en ga de paarden voeren, verdomme,’ zei hij tegen haar, en dat deed ze. Ze hadden er nu twee, Vreemdeling en een rossige hakkenei die Arya Angsthaas had genoemd, omdat Sandor zei dat ze net als zij tweeen van de Tweeling moest zijn weggerend. Ze hadden haar de ochtend na de slachtpartij in een veldje gevonden, waar ze zonder ruiter rondzwierf. Het was een redelijk goed paard, maar Arya kon een lafbek geen goed hart toedragen. Vreemdeling zou gevochten hebben. Toch zorgde ze zo goed als het ging voor de merrie. Het was beter dan bij de Jachthond op het paard zitten. En Angsthaas mocht dan een bangerik zijn, ze was tevens jong en sterk. Arya dacht dat ze Vreemdeling wel achter zich zou kunnen laten, als het daar ooit van kwam.

De Jachthond hield haar niet meer zo nauwlettend in het oog als eerst. Soms leek het hem niets te kunnen schelen of ze bleef of wegging, en hij bond haar ’s nachts niet meer in een mantel. Op een nacht vermoord ik hem in zijn slaap, zei ze bij zichzelf, maar dat deed ze niet. Op een dag rijd ik weg op Angsthaas, en dan krijgt hij me niet te pakken, dacht ze, maar dat deed ze ook niet. Waar moest ze heen? Winterfel was weg. De broer van haar grootvader was in Stroomvliet, maar hij kende haar evenmin als zij hem. Misschien zou vrouwe Smalhout bereid zijn haar in Eikelhove op te nemen, maar misschien ook niet. Bovendien wist Arya niet eens zeker of ze Eikelhove zou kunnen terugvinden. Soms dacht ze dat ze misschien terug kon gaan naar Sharna’s herberg, als het wassende water die niet weggespoeld had. Dan kon ze bij Warme Pastei gaan wonen, of misschien zou heer Beric haar daar vinden. Angui zou haar leren boogschieten, en dan kon ze naast Gendry rijden en vogelvrij zijn, zoals Wenda, het witte reekalf in de liederen. Maar dat was alleen maar stom, iets waar Sansa over zou dromen. Warme Pastei en Gendry hadden haar bij de eerste de beste gelegenheid in de steek gelaten, en heer Beric en de vogelvrijen waren alleen maar op haar losgeld uit, net als de Jachthond. Ze wilden haar geen van allen echt hebben. Zz; zijn nooit mijn wolvenpak geweest, zelfs Warme Pastei en Gendry niet. Ik ben stom geweest om dat te denken, gewoon een stom klein meisje, en helemaal geen wolf.

Dus bleef ze bij de Jachthond. Ze reden elke dag verder en sliepen nooit twee keer op dezelfde plek. Stadjes, dorpen en kastelen meden ze zoveel mogelijk. Een keer vroeg ze aan Sandor Clegane waar ze naartoe gingen. ‘Weg,’ zei hij. ‘Meer hoef je niet te weten. Voor mij ben je nu geen flikker meer waard, en ik wil je niet horen mekkeren. Ik had je dat ellendige kasteel in moeten laten rennen.’

‘Inderdaad,’ beaamde ze, en ze dacht aan haar moeder.

‘Dan zou je nu dood zijn. Je zou eigenlijk dank je wel moeten zeggen. Je zou een mooi liedje voor me moeten zingen, net als je zuster.’

‘Heb je haar ook met een bijl geslagen?’

‘Ik heb je met het plat van die bijl geslagen, stompzinnige kleine teef. Als ik je met het scherp had getroffen zouden er nu nog flinters van je hoofd de Groene Vork af drijven. En nou hou je je stomme kop dicht. Als ik ook maar een greintje verstand had, gaf ik je aan de zwijgende zusters. Die snijden meisjes die te veel kletsen de tong af.’

Dat was onredelijk. Afgezien van die ene keer zei Arya bijna niets. Er verstreken hele dagen waarop ze geen van tweeen spraken. Zij was te leeg voor woorden, en de Jachthond te kwaad. Ze kon voelen hoe woedend hij was, ze kon het aan zijn gezicht zien, aan de manier waarop zijn mond verstrakte en vertrok, aan de blikken die hij haar toewierp. Zodra hij zijn bijl pakte om hout voor het vuur te hakken werd hij door een kille razernij bevangen en hakte hij woest op de boom, de omgevallen stam of de afgebroken tak in totdat ze twintig keer zoveel aanmaakhout en brandhout hadden als nodig was. Soms was hij daarna zo stijf en moe dat hij meteen ging liggen en insliep zonder zelfs maar een vuur aan te steken. Arya haatte dat, en hem ook. Dat waren de nachten waarin ze het langst naar de bijl staarde. Hij lijkt vreselijk zwaar, maar ik wed dat ik hem wel kan zwaaien. En ze zou hem bepaald niet met het plat treffen.

Zo nu en dan vingen ze op hun zwerftocht een glimp van andere mensen op: boeren in het veld, zwijnenhoeders met hun varkens, een melkmeisje dat een koe meevoerde, een schildknaap die over een pad vol diepe voren met een boodschap onderweg was. Ze had er ook geen behoefte aan, met hen te praten. Het was of ze in een ver land woonden en een rare vreemde taal spraken. Ze hadden niets met haar te maken, noch zij met hen.

Bovendien was het niet veilig om gezien te worden. Zo nu en dan trokken er colonnes ruiters over de kronkelende boerenwegen, voorafgegaan door de wapperende tweelingtorens van Frey. ‘Op jacht naar verdwaalde noorderlingen,’ zei de Jachthond als ze voorbij waren. ‘Zodra je hoeven hoort, meteen je hoofd buigen. Het zit er niet in dat het vrienden zijn.’

Op een dag, in een hol in de grond tussen de wortels van een omgevallen eik, kwamen ze oog in oog met nog een overlevende van de Tweeling. Het insigne op zijn borst vertoonde een roze maagd, dansend in wapperende zijde, en hij vertelde hun dat hij een boogschutter van ser Marq Pijper was, al was hij zijn boog kwijt. Zijn linker schoudergewricht was helemaal verdraaid en gezwollen. Een klap van een strijdhamer, zei hij. Die had zijn schouder gebroken en zijn malien diep in zijn vlees gedreven. ‘Het was een noorderling,’ huilde hij. ‘Met het insigne van een bloedige man, en hij zag het mijne en maakte een grap: rode man en roze maagd, misschien waren die voor elkaar gemaakt. Ik dronk op zijn heer, Holten, hij dronk op ser Marq, en samen dronken we op heer Edmar, jonkvrouw Roslin en de Koning in het Noorden. En toen sloeg hij me dood.’ Zijn ogen schitterden koortsachtig toen hij dat zei, en Arya zag dat het waar was. Zijn schouder was gruwelijk opgezwollen, en zijn hele linkerzij zat onder de pus en het bloed. Hij stonk ook. Hij ruikt als een lijk. De man smeekte hen om een slokje wijn.

‘Als ik wijn had gehad, had ik die zelf wel opgedronken,’ zei de Jachthond tegen hem. ‘Ik kan je water geven, en de genadeslag.’

De boogschutter keek hem langdurig aan en zei toen: ‘Jij bent Joffry’s hond.’

‘Tegenwoordig mijn eigen hond. Wil je dat water nog?’

‘Ja.’ De man slikte. ‘En de genade ook. Alsjeblieft.’

Ze waren een eindje daarvoor een klein vennetje gepasseerd. Sandor gaf Arya zijn helm en droeg haar op om die te vullen, dus sjokte ze terug naar de waterkant. De modder welde over de tenen van haar laarzen. Ze gebruikte de hondenkop als emmer. Het water liep er door de oogspleten uit, maar onder in de helm was een heleboel over.

Toen ze terugkwam hief de boogschutter zijn hoofd op, en ze goot het water in zijn mond. Hij slikte het even snel in als zij kon gieten, en wat hij niet kon inslikken liep langs zijn wangen in zijn bakkebaarden, die vol

Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату