Othel Yarwijck, Tommerjon en Wate van het Lange Meer hadden er ieder drie. Pyp was ook de eerste geweest die de vogelverschrikkers naar hun ontbrekende broeders was gaan noemen. ‘Dan lijkt het of we met meer zijn,’ had hij gezegd.

‘Meer met pijlen in hun buik,’ klaagde Gren, maar Pyps gewoonte leek zijn broeders een hart onder de riem te steken, dus hield Jon de namen in stand en liet hij het wedden doorgaan. Op de rand van de Muur stond een Myrisch oog van sierkoper op drie dunne spinnenpoten. Maester Aemon had het gebruikt om naar de sterren te turen totdat zijn eigen ogen hem in de steek hadden gelaten. Jon draaide de buis omlaag om de vijand te observeren. Ook van deze afstand was Mans Roovers enorme witte tent van aaneengenaaide berenvellen nauwelijks over het hoofd te zien. De Myrische lenzen brachten de wildlingen zo dichtbij dat hij gezichten kon onderscheiden. Van Mans zelf was vanochtend geen spoor te bekennen, maar de vrouw met wie hij leefde, Dalla, porde buiten het vuur op, terwijl haar zuster Val naast de tent een geit molk. Dalla’s buik was zo dik dat het een wonder was dat ze zich nog kon bewegen. Dat kind komt nu heel snel, dacht Jon. Hij draaide het oog naar het oosten en zocht tussen de tenten en bomen totdat hij de schildpad vond. Die komt nu ook heel snel. De wildlingen hadden de afgelopen nacht een van de dode mammoets gevild en waren nu bezig de verse, bloedige huid over het dak van de schildpad te slingeren, nog een extra laag boven op de schapenvachten en de huiden van wilde dieren. De schildpad had een ronde bovenkant en acht reusachtige wielen, en onder de huiden zat een stevig houten raamwerk. Toen de wildlingen waren begonnen hem in elkaar te timmeren, had Satijn gedacht dat ze een schip aan het bouwen waren. Hij zat er niet ver naast, De schildpad was een ondersteboven gekeerde romp die van voren en achteren open was: een zaal op wielen.

‘Hij is klaar, he?’ vroeg Gren.

‘Zo goed als.’ Jon duwde het oog opzij. ‘Waarschijnlijk komt hij er vandaag nog aan. Heb je de vaten gevuld?’

‘Allemaal. Ze zijn vannacht stijf bevroren, Pyp heeft het nagekeken.’

Gren was erg veranderd sinds Jon vriendschap had gesloten met de forse, lompe jongen met de rode nek. Hij was een halve voet gegroeid, zijn borst en schouders waren breder geworden en hij had sinds de Vuist van de Eerste mensen zijn haar niet meer geknipt of zijn baard bijgesneden. Daardoor leek hij even ruig en groot als een oeros, de spotnaam waarmee ser Alliser Doren hem tijdens hun training had opgezadeld. Maar op dit moment zag hij er moe uit. Toen Jon dat zei, knikte hij. ‘Ik heb de hele nacht hun bijlen gehoord. Kon niet slapen van al dat gehak.’

‘Ga dan nu slapen.’

‘Ik heb geen…’

‘Wel degelijk. Je moet uitgerust zijn. Schiet op, ik laat je heus niet door het gevecht heen slapen.’ Hij dwong zichzelf te glimlachen. ‘Jij bent de enige die die verdomde vaten kan verplaatsen.’

Gren liep pruttelend weg en Jon keerde zich weer naar het veroog toe om het wildlingenkamp af te zoeken. Zo nu en dan vloog er een pijl over zijn hoofd, maar die had hij geleerd te negeren. Het was een ver schot onder een moeilijke hoek, en de kans om geraakt te worden was miniem. Hij zag nog steeds geen spoor van Mans Roover in het kamp, maar wel ontdekte hij rondom de schildpad Tormund Reuzendoder en twee van diens zoons. De zoons worstelden met de mammoethuid, terwijl Tormund aan een geroosterde geitenpoot knaagde en bevelen bulderde. Elders trof hij de wildling-gedaanteverwisselaar Varamyr Zesvachten aan, die op de voet gevolgd door zijn schaduwkat door het geboomte liep. Toen hij de kettingen van de windas hoorde rammelen en de ijzeren kooideur kreunend hoorde opengaan, wist hij dat Hob er was met het ontbijt, zoals elke ochtend. De aanblik van Mans’ schildpad had Jon alle eetlust benomen. Hun olie was bijna op, en de laatste ton pek was al twee nachten geleden van de Muur gerold. Binnenkort zouden ook hun pijlen op raken, en er waren geen pijlmakers die voor meer konden zorgen. Bovendien was er eergisterennacht een raaf uit het westen gekomen, van ser Denys Mallister. Naar het scheen had Bouwen Mars de wildlingen tot de Schaduwtoren achtervolgd en van daaraf het schemerdonker van de Kloof in. Bij de Schedelbrug was hij op de Huiler en driehonderd wildlingen gestuit en had een bloedige veldslag gewonnen. Maar de overwinning was duur betaald. Meer dan honderd broeders waren gesneuveld, onder wie ser Endries Tarth en ser Aladal Windasch. De ouwe Granaatappel zelf was zwaar gewond naar de Schaduwtoren terug gedragen. Maester Mullin verpleegde hem, maar het kon wel een poosje duren voordat hij weer in staat was naar Slot Zwart terug te keren.

Toen hij dat had gelezen, had hij Zei op hun beste paard naar Molstee gestuurd om bij de dorpelingen te bepleiten dat ze de Muur zouden bemannen. Ze was niet meer teruggekomen. Toen hij Mulling achter haar aan zond, vertelde die na terugkomst dat het hele dorp verlaten was, zelfs het bordeel. Zei moest hen zijn gevolgd, rechtstreeks de koningsweg af. Misschien moeten we dat allemaal maar doen, peinsde hij mistroostig.

Hij dwong zichzelf om te eten, honger of niet. Het was al erg genoeg dat hij niet kon slapen, hij kon niet ook nog eens zonder eten. Bovendien zou dit weleens mijn laatste maaltijd kunnen zijn. De laatste maaltijd voor ons allemaal. Dus had Jon zijn buik vol met brood, spek, uien en kaas toen hij Paard hoorde schreeuwen:

‘HIJ KOMT ERAAN!’

Niemand hoefde te vragen wie ‘hij’ was. Ook had Jon het Myrische oog van de maester niet nodig om hem tussen de tenten en bomen te voorschijn te zien kruipen. ‘Hij lijkt niet echt op een schildpad,’ merkte Satijn op. ‘Schildpadden hebben geen vacht.’

‘De meesten hebben ook geen wielen,’ zei Pyp.

‘Steek de krijgshoorn,’ beval Jon, en Kets gaf twee lange stoten om Gren en de overige slapers, die ’s nachts op wacht hadden gestaan, te wekken. Als de wildlingen kwamen, hadden ze alle mannen nodig op de Muur. De goden weten dat het er toch al weinig genoeg zijn. Jon keek naar Pyp, Kets en Satijn, naar Paard en Owen de Onnozele, naar Tim Knooptong, Mulling, Reservelaars en alle anderen, en probeerde zich voor te stellen hoe ze lijf aan lijf en mes aan mes in de vrieskou van de tunnel tegen krijsende wildlingen vochten, met niet meer dan een paar ijzeren tralies ertussenin. Daar zou het op neerkomen, tenzij ze de schildpad konden tegenhouden voordat er een bres in de poort werd geslagen.

‘Hij is groot,’ zei Paard.

Pyp maakte een smakkend geluid. ‘Dat zal me een massa soep opleveren!’ De grap sloeg niet aan. Zelfs Pyp klonk vermoeid. Hij lijkt wel halfdood, dacht Jon, maar dat geldt voor ons allemaal. De Koning-achter-de-Muur had zoveel manschappen dat hij bij iedere aanval verse troepen tegen hen kon inzetten, maar die moesten allemaal door dezelfde handvol zwarte broeders worden afgeslagen, en daardoor waren ze nu afgepeigerd. De mannen onder het hout en de huiden moesten hard trekken, besefte Jon, hun schouders er stevig onder zetten en zich tot het uiterste inspannen om de wielen draaiend te houden, maar als de schildpad eenmaal recht op de poort afdenderde zouden ze hun touwen voor bijlen verwisselen. Jon was blij dat Mans vandaag tenminste geen mammoets had gestuurd. Hun ontzagwekkende kracht was aan de Muur verspild, en door hun afmetingen waren ze alleen maar een makkelijk doelwit. De meest recente had er anderhalve dag over gedaan om te sterven, zijn trieste getrompetter akelig om aan te horen.

De schildpad kroop traag tussen stenen, boomstronken en kreupelhout door. Hun eerdere aanvallen hadden het vrije volk zeker honderd levens gekost. De meesten lagen nog waar ze waren gesneuveld. Tussen de gevechten door kwamen de kraaien hun het hof maken, maar nu fladderden de vogels krijsend op. De aanblik van de schildpad beviel hun al net zomin als hem.

Jon wist dat Satijn, Paard en de overigen naar hem keken, in afwachting van zijn bevelen. Hij was zo moe dat hij er bijna geen meer kon bedenken. De Muur is van mij, hield hij zichzelf voor.

‘Owen, Paard, naar de katapulten. Kets, jij en Reservelaars bij de schorpioenen. De overigen spannen hun boog. Brandpijlen. Eens kijken of we hem in brand kunnen steken.’ Een zinloze onderneming, waarschijnlijk, maar het moest toch beter zijn dan machteloos toezien. Log en traag als hij was vormde de schildpad een makkelijk doelwit, en hun bogen en kruisbogen veranderden hem al snel in een lompe houten egel… maar de natte huiden beschermden het ding, net zoals ze de schilden hadden beschermd. De brandpijlen doofden al sputterend, vrijwel meteen nadat ze doel getroffen hadden. Jon vloekte binnensmonds. ‘Schorpioenen,’ beval hij. ‘Katapulten.’

De projectielen van de schorpioenen boorden zich diep in de huiden, maar richtten even weinig schade aan als de brandpijlen. De stenen stuiterden van het dak van de schildpad af en lieten wat deukjes in de dikke lagen huid achter. Een steen uit een van de blijden zou hem misschien verbrijzeld hebben, maar de ene was nog steeds

Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату