gegeven, hij had me verlof gegeven om te regeren. De Hand spreekt met de stem des konings.’

‘In dit opzicht niet.’ Davos was geen hoveling en deed zelfs geen poging er doekjes om te winden. ‘Stannis is niet in staat zich over te geven zolang hij weet dat zijn aanspraak rechtvaardig is. Evenmin als hij in staat is zijn woorden over Joffry in te trekken zolang hij ze als waar beschouwt. Wat dat huwelijk betreft, Tommen is uit dezelfde incest voortgekomen als Joffry, en zijne genade zou Shirine nog liever zien sterven dan haar aan zo iemand uit te huwelijken.’

Op het voorhoofd van Florens klopte een ader. ‘Hij heeft geen keus.’

‘U vergist zich, heer. Hij kan verkiezen als koning te sterven.’

‘En wij met hem? Is dat wat u graag wilt, Uienridder?’

‘Nee. Maar ik dien de koning en ik zal zonder zijn verlof geen vrede sluiten.’

Heer Alester staarde hem een ogenblik lang hulpeloos aan. Toen barstte hij in snikken uit.

Jon

De laatste nacht viel zwart en maanloos, maar de hemel was voor de verandering eens helder. ‘Ik ga de heuvel op om Spook te zoeken,’ zei hij tegen de Thenns bij de ingang van de grot, en ze gromden en lieten hem voorbij.

Wat een boel sterren, dacht hij, terwijl hij tussen dennen, sparren en essen de heuvel op zwoegde. Als jongen was hij in Winterfel door maester Luwin in de sterrenkunde onderwezen. Hij had de namen van de twaalf hemelse huizen en hun heersers geleerd, hij wist de zeven zwerfsterren te vinden die voor het Geloof als heilig golden en de IJsdraak, de Schaduwkat, de Maanmaagd en het Zwaard van de Morgen waren oude bekenden voor hem. Die kennis deelde hij met Y gritte, maar andere dingen niet. De Koningskroon was volgens haar zeggen de Wieg, de Hengst was de Gehoornde Heer, de rode zwerver die volgens de leer van de priesters aan hun Smid gewijd was, heette hier in het noorden de Dief. En als de Dief in de Maanmaagd stond was dat een gunstig moment voor een man om een vrouw te stelen, beweerde Ygritte. ‘Zoals die nacht dat jij mij stal. De Dief scheen die nacht heel helder.’

‘Ik was helemaal niet van plan je te stelen,’ zei hij. ‘Ik wist pas dat je een meisje was toen mijn mes op jouw keel rustte.’

‘Als je iemand ongewild doodt is hij net zo dood,’ zei Ygritte koppig. Jon had nog nooit iemand meegemaakt die zo koppig was, behalve misschien zijn zusje Arya. Is ze mijn zusje nog wel? vroeg hij zich af. Is ze dat ooit geweest? Hij was nooit echt een Stark geweest, alleen maar heer Eddards moederloze bastaard die net zomin op Winterfel thuishoorde als Theon Grauwvreugd. En zelfs dat was hij kwijtgeraakt. Als een man van de Nachtwacht zijn woorden sprak maakte hij zich van zijn vorige familie los en werd hij lid van een nieuwe, maar ook die broeders was Jon Sneeuw kwijtgeraakt.

Hij trof Spook boven op de heuvel aan, zoals hij al verwacht had. De witte wolf huilde nooit, maar voelde zich niettemin tot dat soort hoge plaatsen aangetrokken. Dan zat hij daar op zijn achterpoten, en zijn hete adem dampte de lucht in, terwijl zijn rode ogen de sterren indronken.

‘Geef jij ze ook namen?’ vroeg Jon, terwijl hij bij de schrikwolf op een knie ging zitten en in diens dikke witte nekharen krabde. ‘De Haas? De Hinde? De Wolvin?’ Spook likte hem in zijn gezicht en zijn ruwe, natte tong raspte over de korsten die de schrammen van de adelaarsklauwen op Jons wang bedekten. Die vogel heeft ons allebei getekend. ‘Spook,’ zei hij zachtjes, ‘morgen gaan we hier overheen. Er zijn geen trappen en er is geen takel met een kooi. Ik zou niet weten hoe ik jou aan de andere kant moest krijgen. We moeten scheiden. Begrijp je dat?’

In het donker leken de rode ogen van de schrikwolf zwart. Hij duwde zijn snuit in Jons nek, zwijgend als altijd, zijn adem een warme nevel. De wildlingen noemden Jon Sneeuw een warg, maar als hij er een was, dan wel een armzalige. Hij wist niet hoe hij zich een wolvenhuid moest aanmeten, zoals Orel voor zijn dood met zijn adelaar placht te doen. Een keer had Jon gedroomd dat hij Spook was en neerkeek op de vallei van het Melkwater, waarin Mans Roover zijn volk had verzameld, en die droom was waar gebleken. Maar nu droomde hij niet, en dus was hij op woorden aangewezen.

‘Je kunt niet met mij mee,’ zei Jon, en hij nam de wolvenkop in zijn handen om diep in die ogen te kijken. ‘Jij moet naar Slot Zwart gaan. Begrijp je dat? Slot Zwart. Weet je dat te vinden? De weg naar huis? Gewoon langs het ijs lopen, alsmaar naar het oosten, tegen de zon in, en dan vind je het. In Slot Zwart kennen ze je, en misschien zullen ze je komst als waarschuwing zien.’ Hij had overwogen om een waarschuwing te schrijven die Spook dan mee zou kunnen nemen, maar hij had geen inkt, geen perkament en zelfs geen schrijfveer, en het risico dat hij betrapt zou worden was te groot. ‘Ik zie je weer terug in Slot Zwart, maar je moet er zelf heen. We moeten allebei een poosje alleen jagen. Alleen.’

De schrikwolf dook met gespitste oren uit Jons greep weg. En plotseling ging hij er met grote sprongen vandoor. Hij rende door een kreupelbosje, sprong over wat dood hout heen en stoof de helling af, een lichte streep tussen de bomen. Op weg naar Slot Zwart? vroeg Jon zich af. Of achter een haas aan? Hij wilde dat hij het wist. Hij vreesde dat hij als warg net zo ondeugdelijk zou blijken als hij als gezworen broeder of spion was.

Een windvlaag, bezwangerd met de lucht van dennennaalden, zuchtte door het geboomte en rukte aan zijn verschoten zwarte kleren. In het zuiden kon Jon de Muur hoog en donker zien oprijzen, een grote schaduw die de sterren verduisterde. Uit het terrein, dat ruig en heuvelachtig was, maakte hij op dat ze zich ergens tussen de Schaduwtoren en Slot Zwart moesten bevinden, waarschijnlijk dichter bij de eerstgenoemde. Dagenlang waren ze kronkelend naar het zuiden getrokken, tussen diepe meren door die zich als lange, dunne vingers over de bodem van smalle dalen uitstrekten, terwijl zich aan weerskanten rotsige bergruggen en met dennen beklede hellingen verdrongen. Door zulk terrein schoten ze maar langzaam op, maar wie de Muur ongezien wilde benaderen kon zich hier gemakkelijk onzichtbaar maken.

Wildlingrovers, dacht hij. Zoals wij. Zoals ik.

Achter die Muur lagen de Zeven Koninkrijken, met alles wat hij had gezworen te beschermen. Hij had de woorden gezegd, had zijn leven en eer daaraan gewijd, en eigenlijk hoorde hij daarboven op wacht te staan. Hij hoorde een hoorn te steken om de Nachtwacht te alarmeren. Maar hij had geen hoorn. Hij zou er gemakkelijk een van de wildingen kunnen stelen, vermoedde hij, maar wat zou hij daarmee bereiken? Al zou hij die steken, geen mens zou het horen. De Muur was vierhonderd mijl lang en de Wacht betreurenswaardig onderbemand. Alle sterkten op drie na waren verlaten en het kon best zijn dat er binnen veertig mijl niet een broeder te bekennen was, afgezien van Jon zelf. Als hij nog een broeder was…

Ik had moeten proberen Mans Roover op de Vuist te doden, zelfs al had het me mijn leven gekost. Dat zou Qhorin Halfhand gedaan hebben. Maar Jon had geaarzeld en zijn kans was verkeken. De volgende dag was hij met Styr de Magnar, Jarl en ruim honderd uitgelezen Thenns en rovers vertrokken. Hij had zichzelf voorgehouden dat hij slechts zijn tijd beidde, dat hij weg zou glippen om naar Slot Zwart te rijden zodra de tijd rijp was. Maar die was nooit rijp. Ze brachten de nacht meestal in verlaten wildlingdorpen door en Styr zette altijd een stuk of tien Thenns op wacht bij de paarden. Jarl hield hem wantrouwig in de gaten. En Ygritte was nooit ver weg, overdag noch ’s nachts.

Twee harten die slaan als een. De spottende woorden van Mans Roover weergalmden bitter in zijn hoofd. Jon was zelden zo in de war geweest. Ik heb geen keus, had hij die eerste keer bij zichzelf gezegd toen ze onder zijn slaapvachten glipte. Als ik haar afwijs weet ze dat ik een overloper ben. Ik speel de rol die de Halfhand mij opgedragen heeft te spelen.

Zijn lichaam had de rol maar al te graag gespeeld. Zijn lippen op de hare, zijn hand die onder haar hertenleren hemd kroop op zoek naar een borst, zijn lid dat stijf werd toen zij er door hun kleren heen haar schaamheuvel tegenaan wreef. Mijn geloften, dacht hij, en zag voor zijn geestesoog het weirbomenbosje waarin hij ze had afgelegd, de negen grote, witte bomen in een kring, de gekerfde rode gezichten die toekeken en luisterden. Maar haar vingers knoopten zijn koorden los en haar tong zat in zijn mond, haar hand gleed tussen zijn kleingoed en trok zijn lid te voorschijn en hij zag de weirbomen niet meer, alleen haar. Ze beet hem in zijn hals en hij duwde zijn gezicht tegen het hare en begroef zijn neus in haar dikke, rode haar. Geluk, dacht hij, ze brengt geluk, ze is door vuur gekust.

Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату