gegeven, hij had me verlof gegeven om te regeren. De Hand spreekt met de stem des konings.’
‘In dit opzicht niet.’ Davos was geen hoveling en deed zelfs geen poging er doekjes om te winden. ‘Stannis is niet in staat zich over te geven zolang hij weet dat zijn aanspraak rechtvaardig is. Evenmin als hij in staat is zijn woorden over Joffry in te trekken zolang hij ze als waar beschouwt. Wat dat huwelijk betreft, Tommen is uit dezelfde incest voortgekomen als Joffry, en zijne genade zou Shirine nog liever zien sterven dan haar aan zo iemand uit te huwelijken.’
Op het voorhoofd van Florens klopte een ader. ‘Hij heeft geen keus.’
‘U vergist zich, heer. Hij kan verkiezen als koning te sterven.’
‘En wij met hem? Is dat wat u graag wilt, Uienridder?’
‘Nee. Maar ik dien de koning en ik zal zonder zijn verlof geen vrede sluiten.’
Heer Alester staarde hem een ogenblik lang hulpeloos aan. Toen barstte hij in snikken uit.
Jon
De laatste nacht viel zwart en maanloos, maar de hemel was voor de verandering eens helder. ‘Ik ga de heuvel op om Spook te zoeken,’ zei hij tegen de Thenns bij de ingang van de grot, en ze gromden en lieten hem voorbij.
‘Ik was helemaal niet van plan je te stelen,’ zei hij. ‘Ik wist pas dat je een meisje was toen mijn mes op jouw keel rustte.’
‘Als je iemand ongewild doodt is hij net zo dood,’ zei Ygritte koppig. Jon had nog nooit iemand meegemaakt die zo koppig was, behalve misschien zijn zusje Arya.
Hij trof Spook boven op de heuvel aan, zoals hij al verwacht had. De witte wolf huilde nooit, maar voelde zich niettemin tot dat soort hoge plaatsen aangetrokken. Dan zat hij daar op zijn achterpoten, en zijn hete adem dampte de lucht in, terwijl zijn rode ogen de sterren indronken.
‘Geef jij ze ook namen?’ vroeg Jon, terwijl hij bij de schrikwolf op een knie ging zitten en in diens dikke witte nekharen krabde. ‘De Haas? De Hinde? De Wolvin?’ Spook likte hem in zijn gezicht en zijn ruwe, natte tong raspte over de korsten die de schrammen van de adelaarsklauwen op Jons wang bedekten.
In het donker leken de rode ogen van de schrikwolf zwart. Hij duwde zijn snuit in Jons nek, zwijgend als altijd, zijn adem een warme nevel. De wildlingen noemden Jon Sneeuw een warg, maar als hij er een was, dan wel een armzalige. Hij wist niet hoe hij zich een wolvenhuid moest aanmeten, zoals Orel voor zijn dood met zijn adelaar placht te doen. Een keer had Jon gedroomd dat hij Spook was en neerkeek op de vallei van het Melkwater, waarin Mans Roover zijn volk had verzameld, en die droom was waar gebleken. Maar nu droomde hij niet, en dus was hij op woorden aangewezen.
‘Je kunt niet met mij mee,’ zei Jon, en hij nam de wolvenkop in zijn handen om diep in die ogen te kijken. ‘Jij moet naar Slot Zwart gaan. Begrijp je dat?
De schrikwolf dook met gespitste oren uit Jons greep weg. En plotseling ging hij er met grote sprongen vandoor. Hij rende door een kreupelbosje, sprong over wat dood hout heen en stoof de helling af, een lichte streep tussen de bomen.
Een windvlaag, bezwangerd met de lucht van dennennaalden, zuchtte door het geboomte en rukte aan zijn verschoten zwarte kleren. In het zuiden kon Jon de Muur hoog en donker zien oprijzen, een grote schaduw die de sterren verduisterde. Uit het terrein, dat ruig en heuvelachtig was, maakte hij op dat ze zich ergens tussen de Schaduwtoren en Slot Zwart moesten bevinden, waarschijnlijk dichter bij de eerstgenoemde. Dagenlang waren ze kronkelend naar het zuiden getrokken, tussen diepe meren door die zich als lange, dunne vingers over de bodem van smalle dalen uitstrekten, terwijl zich aan weerskanten rotsige bergruggen en met dennen beklede hellingen verdrongen. Door zulk terrein schoten ze maar langzaam op, maar wie de Muur ongezien wilde benaderen kon zich hier gemakkelijk onzichtbaar maken.
Achter die Muur lagen de Zeven Koninkrijken, met alles wat hij had gezworen te beschermen. Hij had de woorden gezegd, had zijn leven en eer daaraan gewijd, en eigenlijk hoorde hij daarboven op wacht te staan. Hij hoorde een hoorn te steken om de Nachtwacht te alarmeren. Maar hij had geen hoorn. Hij zou er gemakkelijk een van de wildingen kunnen stelen, vermoedde hij, maar wat zou hij daarmee bereiken? Al zou hij die steken, geen mens zou het horen. De Muur was vierhonderd mijl lang en de Wacht betreurenswaardig onderbemand. Alle sterkten op drie na waren verlaten en het kon best zijn dat er binnen veertig mijl niet een broeder te bekennen was, afgezien van Jon zelf. Als hij nog een broeder was…
Zijn lichaam had de rol maar al te graag gespeeld. Zijn lippen op de hare, zijn hand die onder haar hertenleren hemd kroop op zoek naar een borst, zijn lid dat stijf werd toen zij er door hun kleren heen haar schaamheuvel tegenaan wreef.
