‘Is dat niet lekker?’ fluisterde ze, terwijl ze hem in zich loodste. Ze was drijfnat van onderen en geen maagd meer, dat was duidelijk, maar daar maalde Jon niet om. Zijn geloften, haar maagdelijkheid, het deed er allemaal niet toe, alleen haar vurigheid, die mond op de zijne, de vinger die in zijn tepel kneep. ‘Is dat niet fijn?’ zei ze weer. ‘Niet zo snel, kalm aan, ja zo. Doorgaan, doorgaan, ja fijn, fijn. Jij weet niks, Jon Sneeuw, maar ik breng het je wel bij. Harder nu. Jaaa.’
Maar dat bewijs was zo fijn geweest, en Ygritte was naast hem in slaap gevallen met haar hoofd tegen zijn borst, en dat was ook fijn, gevaarlijk fijn. Hij dacht weer aan de weirbomen, en aan de woorden die hij daar had opgezegd.
Het gebeurde die nacht nog twee keer, en ’s ochtends vroeg nog eens, toen zij wakker werd en vaststelde dat hij stijf was. Intussen kwamen de wildlingen in beweging, en verscheidenen van hen ontging het niet wat zich onder die berg vachten afspeelde. Jarl zei dat ze voort moesten maken, anders zou hij een emmer water over hen heen smijten.
Achter hem kwam iets de heuvel op, besefte hij ineens. Een halve hartslag lang dacht hij dat Spook was teruggekomen, maar de schrikwolf maakte nooit zoveel lawaai. Met een soepele beweging trok Jon Langklauw, maar het was maar een van de Thenns, een brede kerel met een bronzen helm. ‘Sneeuw,’ zei de indringer, ‘kom. Magnar wil.’ De mannen van Thenn spraken de Oude Taal en de meesten kenden maar een paar woorden van de Gewone.
Het kon Jon niet zoveel schelen wat de Magnar wilde, maar het had geen zin in discussie te gaan met iemand die hem nauwelijks verstond, dus volgde hij de man de heuvel af.
De opening van de grot was een rotsspleet die net breed genoeg was voor een paard, half verscholen achter een krijgsden. Hij zat aan de noordkant, zodat de gloed van de vuren daarbinnen vanaf de Muur niet zichtbaar was. Zelfs als er per ongeluk vannacht een patrouille over de Muur zou komen zou die niets anders zien dan heuvels, dennen en de ijzige glans van sterrenlicht op een half bevroren meer. Mans Roover had zijn coup goed voorbereid.
In de rots liep de gang twintig voet naar beneden alvorens zich te verbreden tot een ruimte die even groot was als de grote zaal van Winterfel. Tussen de zuilen brandden kookvuren, en de rook die ervan opsteeg verfde de stenen zoldering zwart. De paarden stonden langs een van de muren geclusterd, bij een ondiepe poel. Een verdwijngat in het midden van de vloer gaf toegang tot wat een nog lager gelegen grot zou kunnen zijn, al was dat in het donker moeilijk te zeggen. Jon hoorde beneden ook ergens het geluid van een ondergrondse rivier.
Jarl was bij de Magnar. Mans had hen samen het bevel opgedragen, wat Styr bepaald niet beviel, zoals Jon al eerder was opgevallen. Mans Roover had de donkere jongeman betiteld als de ‘knuffel’ van Val, de zuster van zijn eigen koningin Dalla, zodat Jarl een soort zwager in de tweede graad van de Koning-achter-de-Muur was. Het stond de Magnar duidelijk tegen zijn gezag te moeten delen. Hij had honderd Thenns bij zich, vijf keer zoveel mannen als Jarl, en gedroeg zich vaak alsof hij als enige de leiding had. Maar het zou de jongere man zijn die hen over het ijs zou leiden, wist Jon. Al kon hij niet ouder dan twintig zijn, Jarl ging al acht jaar op rooftocht en was meer dan tienmaal de Muur over geweest met lieden als Alfyn Kraaiendoder en de Huiler, en de laatste tijd ook met zijn eigen bende.
De Magnar viel met de deur in huis. ‘Jarl heeft me gewaarschuwd voor kraaien die daarboven patrouilleren. Vertel me alles wat je over die patrouilles weet.’
‘Muilezels?’ De man zonder oren fronste. ‘Muilezels zijn traag.’
‘Ja, maar op ijs zijn ze vaster van tred. De patrouilles rijden vaak over de Muur heen, en behalve in Slot Zwart zijn de paden al in geen jaren met gruis bestrooid. De muilezels worden in Oostwacht gefokt en speciaal voor deze taak afgericht.’
‘Rijden ze
‘Nee. Een op de vier patrouilles rijdt onderlangs om naar barsten in de fundering of tekens van tunnelvorming te zoeken.’
De Magnar knikte. ‘Zelfs in het verre Thenn kennen we het verhaal van Arson IJsbijl en zijn tunnel.’
Jon kende het verhaal ook. Arson IJsbijl was al half door de Muur heen gekomen toen zijn tunnel door wachtruiters uit het Nachtfort was gevonden. Ze namen niet de moeite hem bij zijn graafwerk te storen maar verzegelden alleen zijn terugweg met ijs, stenen en sneeuw. Ed van de Smarten zei altijd dat je Arson nog steeds met zijn bijl kon horen hakken als je je oor plat tegen de Muur drukte.
‘Wanneer gaan die patrouilles op weg? Hoe vaak?’
Jon haalde zijn schouders op. ‘Dat wisselt. Ik heb gehoord dat opperbevelhebber Qorgyl ze om de drie dagen vanuit Slot Zwart naar Oostwacht-aan-Zee stuurde en om de twee dagen vanuit Slot Zwart naar de Schaduwtoren. Maar in zijn tijd had de Wacht meer manschappen. Opperbevelhebber Mormont varieert het aantal patrouilles en de dagen van hun vertrek liever, om het voor iedereen moeilijker te maken te weten wanneer ze komen en gaan. En soms stuurt de ouwe Beer ook voor veertien dagen of een maanwenteling een groter detachement naar een van de verlaten vestingen.’ Die tactiek was door zijn oom bedacht, wist Jon. Als de vijand maar in het onzekere kwam te verkeren.
‘Is Steendeur op dit moment bemand?’ vroeg Jarl. ‘Grijsgaard?’
‘Hoeveel kraaien zijn er nog in de vestingen?’ vroeg Styr.
‘Vijfhonderd in Slot Zwart. Tweehonderd in de Schaduwtoren. Misschien driehonderd in Oostwacht.’ Jon voegde driehonderd man aan zijn berekening toe.
Maar Jarl liet zich niet om de tuin leiden. ‘Hij liegt,’ zei hij tegen Styr. ‘Of anders heeft hij de mannen die ze bij de Vuist zijn kwijtgeraakt erbij opgeteld.’
‘Kraai,’ waarschuwde de Magnar, ‘denk niet dat ik Mans Roover ben. Als je tegen me liegt kost dat je je tong.’
‘Ik ben geen kraai, en ik laat me geen leugenaar noemen.’ Jon kromde de vingers van zijn zwaardhand.
De Magnar van Thenn bestudeerde Jon met zijn kille, grijze ogen. ‘We komen er snel genoeg achter hoeveel het er zijn,’ zei hij na een ogenblik. ‘Ga. Als ik nog meer vragen heb laat ik je wel halen.’
Jon boog stijfjes zijn hoofd en ging.
Hij liep langs de Thenns die boven op hun ronde bronzen helmen om hun kookvuren zaten.
