‘Is dat niet lekker?’ fluisterde ze, terwijl ze hem in zich loodste. Ze was drijfnat van onderen en geen maagd meer, dat was duidelijk, maar daar maalde Jon niet om. Zijn geloften, haar maagdelijkheid, het deed er allemaal niet toe, alleen haar vurigheid, die mond op de zijne, de vinger die in zijn tepel kneep. ‘Is dat niet fijn?’ zei ze weer. ‘Niet zo snel, kalm aan, ja zo. Doorgaan, doorgaan, ja fijn, fijn. Jij weet niks, Jon Sneeuw, maar ik breng het je wel bij. Harder nu. Jaaa.’

Een rol, probeerde hij zich naderhand in te prenten, ik speel een rol. Ik moest het een keer doen om te bewijzen dat ik mijn geloften gebroken heb. Ik moest zorgen dat ze me vertrouwde. Het hoefde niet nog eens te gebeuren. Hij was nog steeds een man van de Nachtwacht en een zoon van Eddard Stark. Hij had gedaan wat hij moest doen, bewezen wat bewezen moest worden.

Maar dat bewijs was zo fijn geweest, en Ygritte was naast hem in slaap gevallen met haar hoofd tegen zijn borst, en dat was ook fijn, gevaarlijk fijn. Hij dacht weer aan de weirbomen, en aan de woorden die hij daar had opgezegd. Het was maar een keer, en het moest wel. Zelfs mijn vader is eens gestruikeld toen hij zijn huwelijksbeloften vergat en een bastaard verwekte. Jon zwoer bij zichzelf dat dat ook voor hem zou gelden. Het zal niet meer gebeuren.

Het gebeurde die nacht nog twee keer, en ’s ochtends vroeg nog eens, toen zij wakker werd en vaststelde dat hij stijf was. Intussen kwamen de wildlingen in beweging, en verscheidenen van hen ontging het niet wat zich onder die berg vachten afspeelde. Jarl zei dat ze voort moesten maken, anders zou hij een emmer water over hen heen smijten. Net een paar copulerende honden, dacht Jon naderhand. Was dat wat er van hem geworden was? Ik ben een man van de Nachtwacht, hield een klein stemmetje binnen in hem vol, maar iedere nacht klonk het zwakker, en als Ygritte zijn oren kuste of in zijn hals beet kon hij het helemaal niet horen. Is het mijn vader ook zo vergaan? vroeg hij zich af. Was hij net zo zwak als ik toen hij zichzelf onteerde in mijn moeders bed?

Achter hem kwam iets de heuvel op, besefte hij ineens. Een halve hartslag lang dacht hij dat Spook was teruggekomen, maar de schrikwolf maakte nooit zoveel lawaai. Met een soepele beweging trok Jon Langklauw, maar het was maar een van de Thenns, een brede kerel met een bronzen helm. ‘Sneeuw,’ zei de indringer, ‘kom. Magnar wil.’ De mannen van Thenn spraken de Oude Taal en de meesten kenden maar een paar woorden van de Gewone.

Het kon Jon niet zoveel schelen wat de Magnar wilde, maar het had geen zin in discussie te gaan met iemand die hem nauwelijks verstond, dus volgde hij de man de heuvel af.

De opening van de grot was een rotsspleet die net breed genoeg was voor een paard, half verscholen achter een krijgsden. Hij zat aan de noordkant, zodat de gloed van de vuren daarbinnen vanaf de Muur niet zichtbaar was. Zelfs als er per ongeluk vannacht een patrouille over de Muur zou komen zou die niets anders zien dan heuvels, dennen en de ijzige glans van sterrenlicht op een half bevroren meer. Mans Roover had zijn coup goed voorbereid.

In de rots liep de gang twintig voet naar beneden alvorens zich te verbreden tot een ruimte die even groot was als de grote zaal van Winterfel. Tussen de zuilen brandden kookvuren, en de rook die ervan opsteeg verfde de stenen zoldering zwart. De paarden stonden langs een van de muren geclusterd, bij een ondiepe poel. Een verdwijngat in het midden van de vloer gaf toegang tot wat een nog lager gelegen grot zou kunnen zijn, al was dat in het donker moeilijk te zeggen. Jon hoorde beneden ook ergens het geluid van een ondergrondse rivier.

Jarl was bij de Magnar. Mans had hen samen het bevel opgedragen, wat Styr bepaald niet beviel, zoals Jon al eerder was opgevallen. Mans Roover had de donkere jongeman betiteld als de ‘knuffel’ van Val, de zuster van zijn eigen koningin Dalla, zodat Jarl een soort zwager in de tweede graad van de Koning-achter-de-Muur was. Het stond de Magnar duidelijk tegen zijn gezag te moeten delen. Hij had honderd Thenns bij zich, vijf keer zoveel mannen als Jarl, en gedroeg zich vaak alsof hij als enige de leiding had. Maar het zou de jongere man zijn die hen over het ijs zou leiden, wist Jon. Al kon hij niet ouder dan twintig zijn, Jarl ging al acht jaar op rooftocht en was meer dan tienmaal de Muur over geweest met lieden als Alfyn Kraaiendoder en de Huiler, en de laatste tijd ook met zijn eigen bende.

De Magnar viel met de deur in huis. ‘Jarl heeft me gewaarschuwd voor kraaien die daarboven patrouilleren. Vertel me alles wat je over die patrouilles weet.’

Vertel me, stelde Jon vast, niet vertel ons, al stond Jarl vlak naast hem. Hij zou niets liever doen dan weigeren de botte vraag te beantwoorden, maar hij wist dat Styr hem bij het geringste teken van ontrouw ter dood zou brengen, en Ygritte ook, omdat ze zo misdadig was om bij hem te horen. ‘Iedere patrouille bestaat uit vier man, twee wachtruiters en twee bouwers,’ zei hij. ‘De bouwers worden geacht om scheuren, smeltplekken en andere structurele problemen op te merken, terwijl de wachtruiters naar vijanden uitkijken. Ze rijden op muilezels.’

‘Muilezels?’ De man zonder oren fronste. ‘Muilezels zijn traag.’

‘Ja, maar op ijs zijn ze vaster van tred. De patrouilles rijden vaak over de Muur heen, en behalve in Slot Zwart zijn de paden al in geen jaren met gruis bestrooid. De muilezels worden in Oostwacht gefokt en speciaal voor deze taak afgericht.’

‘Rijden ze vaak boven over de Muur? Niet altijd?’

‘Nee. Een op de vier patrouilles rijdt onderlangs om naar barsten in de fundering of tekens van tunnelvorming te zoeken.’

De Magnar knikte. ‘Zelfs in het verre Thenn kennen we het verhaal van Arson IJsbijl en zijn tunnel.’

Jon kende het verhaal ook. Arson IJsbijl was al half door de Muur heen gekomen toen zijn tunnel door wachtruiters uit het Nachtfort was gevonden. Ze namen niet de moeite hem bij zijn graafwerk te storen maar verzegelden alleen zijn terugweg met ijs, stenen en sneeuw. Ed van de Smarten zei altijd dat je Arson nog steeds met zijn bijl kon horen hakken als je je oor plat tegen de Muur drukte.

‘Wanneer gaan die patrouilles op weg? Hoe vaak?’

Jon haalde zijn schouders op. ‘Dat wisselt. Ik heb gehoord dat opperbevelhebber Qorgyl ze om de drie dagen vanuit Slot Zwart naar Oostwacht-aan-Zee stuurde en om de twee dagen vanuit Slot Zwart naar de Schaduwtoren. Maar in zijn tijd had de Wacht meer manschappen. Opperbevelhebber Mormont varieert het aantal patrouilles en de dagen van hun vertrek liever, om het voor iedereen moeilijker te maken te weten wanneer ze komen en gaan. En soms stuurt de ouwe Beer ook voor veertien dagen of een maanwenteling een groter detachement naar een van de verlaten vestingen.’ Die tactiek was door zijn oom bedacht, wist Jon. Als de vijand maar in het onzekere kwam te verkeren.

‘Is Steendeur op dit moment bemand?’ vroeg Jarl. ‘Grijsgaard?’

Dus we zitten tussen die twee in? Jon hield zijn gezicht zorgvuldig in de plooi. ‘Toen ik de Muur verliet waren alleen Oostwacht, Slot Zwart en de Schaduwtoren bemand. Wat Bouwen Mars of ser Denys in de tussentijd gedaan hebben, daar kan ik niets over zeggen.’

‘Hoeveel kraaien zijn er nog in de vestingen?’ vroeg Styr.

‘Vijfhonderd in Slot Zwart. Tweehonderd in de Schaduwtoren. Misschien driehonderd in Oostwacht.’ Jon voegde driehonderd man aan zijn berekening toe. Was het maar zo makkelijk…

Maar Jarl liet zich niet om de tuin leiden. ‘Hij liegt,’ zei hij tegen Styr. ‘Of anders heeft hij de mannen die ze bij de Vuist zijn kwijtgeraakt erbij opgeteld.’

‘Kraai,’ waarschuwde de Magnar, ‘denk niet dat ik Mans Roover ben. Als je tegen me liegt kost dat je je tong.’

‘Ik ben geen kraai, en ik laat me geen leugenaar noemen.’ Jon kromde de vingers van zijn zwaardhand.

De Magnar van Thenn bestudeerde Jon met zijn kille, grijze ogen. ‘We komen er snel genoeg achter hoeveel het er zijn,’ zei hij na een ogenblik. ‘Ga. Als ik nog meer vragen heb laat ik je wel halen.’

Jon boog stijfjes zijn hoofd en ging. Als alle wildlingen op Styr leken zou het makkelijker zijn ze te verraden. Maar de Thenns leken niet op de rest van het vrije volk. De Magnar beweerde dat hij de laatste van de Eerste Mensen was en regeerde met ijzeren hand. Zijn landje, Thenn, was een hoog gelegen bergvallei tussen de noordelijkste pieken van de Vorstkaken, omringd door holbewoners, Hoornvoeters, reuzen en de kannibalenclans van de ijsrivier. Volgens Ygritte waren de Thenns felle strijders en beschouwden ze hun Magnar als een god. Dat wilde Jon wel geloven. Anders dan Jarl, Harma en Ratelhemd eiste Styr van zijn mensen absolute gehoorzaamheid, en die discipline was er ongetwijfeld mede de reden van waarom Mans hem had gekozen om de Muur over te klimmen.

Hij liep langs de Thenns die boven op hun ronde bronzen helmen om hun kookvuren zaten.

Добавить отзыв
ВСЕ ОТЗЫВЫ О КНИГЕ В ИЗБРАННОЕ

0

Вы можете отметить интересные вам фрагменты текста, которые будут доступны по уникальной ссылке в адресной строке браузера.

Отметить Добавить цитату