Jon ging rechtop zitten. ‘Ygritte, ik heb je niet gestolen.’
‘Jawel. Je sprong van de berg en doodde Orel, en voordat ik mijn bijl kon pakken had ik jouw mes op m’n keel. Ik dacht dat je me toen zou nemen, of dat je me zou vermoorden, of misschien allebei, maar dat deed je niet. En toen ik je het verhaal over Bael de Bard vertelde, en hoe hij de roos van Winterfel plukte, toen dacht ik dat jij het benul wel zou hebben om mij te plukken, maar nee hoor. Jij weet niks, Jon Sneeuw.’ Ze wierp hem een verlegen lachje toe. ‘Maar het kan zijn dat je nu een beetje leert.’
Plotseling viel het Jon op dat het licht om haar heen flakkerde. Hij keek rond. ‘Laten we maar opstaan. De toorts is bijna opgebrand.’
‘Is de kraai bang voor Gendels kinderen?’ vroeg ze grijnzend. ‘Het is maar een klein eindje naar boven en ik ben nog niet klaar met je, Jon Sneeuw.’ Ze duwde hem terug op de kleren en ging schrijlings op hem zitten. ‘Zou je…’ Ze aarzelde.
‘Wat,’ drong hij aan toen de toorts begon te sputteren.
‘Het nog eens willen doen?’ flapte Ygritte eruit. ‘Met je mond? De kus van de heer? En dan… dan kan ik zien of jij er wat aan vindt.’
Tegen de tijd dat de toorts doofde kon Jon Sneeuw niets meer schelen.
Naderhand kwam zijn schuldgevoel terug, maar zwakker dan eerst.
Tegen de tijd dat ze klaar waren was het pikdonker in de grot. Het enige licht was het flauwe schijnsel in de gang die terugleidde naar de grotere spelonk, waar een stuk of twintig vuren brandden. Toen ze zich in het donker probeerden aan te kleden stonden ze algauw te prutsen en botsten ze tegen elkaar op. Ygritte struikelde de poel in en krijste het uit, zo koud was het water. Toen Jon lachte trok ze hem er ook in. Ze worstelden en spetterden in het donker, en toen hield hij haar weer in zijn armen en bleken ze toch nog niet klaar te zijn.
‘Jon Sneeuw,’ zei ze toen hij zijn zaad in haar had geloosd, ‘nog niet bewegen, lieverd. Ik vind het zo fijn om je in me te voelen, echt waar. Laten we niet naar Styr en Jarl teruggaan. Laten we nog verder afdalen en ons bij Gendels kinderen aansluiten. Ik wil deze grot nooit meer uit, Jon Sneeuw. Nooit meer.’
Daenerys
Allemaal?’ Het slavinnetje klonk achterdochtig. ‘Uwe genade, hebben deze waardeloze oren hier u verkeerd verstaan?’
Koel groen licht sijpelde door de ruitvormige, gekleurde vensters in de schuine, driehoekige wanden, en een zacht briesje waaide door de terrasdeuren naar binnen en droeg de geur van fruit en bloemen uit de achtergelegen tuin aan. ‘Je oren hebben het goed gehoord,’ zei Dany. ‘Ik wil ze allemaal kopen. Wil je dat tegen de goede meesters zeggen?’
Ze had vandaag een Qarthijnse japon uitgekozen. De donkerpaarse zijde accentueerde het purper van haar ogen. De japon was zo gesneden dat hij haar linkerborst bloot liet. Terwijl de goede meesters van Astapor op gedempte toon met elkaar overlegden nam Dany een slokje rinse dadelpruimenwijn uit een hoge zilveren fluit. Ze kon niet horen wat ze precies zeiden, maar de inhaligheid was uitstekend te volgen.
Elk van de acht slavenmakelaars werd door twee of drie lijfslaven begeleid, hoewel ene Grazdan, de oudste, er zes bij zich had. Om geen bedelares te lijken had Dany haar eigen escorte meegebracht: Irri en Jhiqui in hun zand-zijden broeken en beschilderde vesten, de oude Witbaard, de indrukwekkende Belwas en haar bloedruiters. Achter haar stond ser Jorah te puffen in zijn groene wapenrok met de zwarte beer van Mormont erop geborduurd. Zijn zweetlucht was de platvloerse tegenhanger van de zoet geurende parfums die de Astapori omwolkten.
‘Allemaal,’ gromde Kraznys mo Nakloz, die vandaag naar perziken rook. Het slavinnetje herhaalde het woord in de gewone spreektaal van Westeros. ‘Er zijn acht duizendtallen. Bedoelt ze dat met “allemaal”? Er zijn ook zes centurien die deel uit zullen maken van een nog te completeren negende duizendtal. Wil ze die ook hebben?’
‘Inderdaad,’ zei Dany toen haar de vraag werd gesteld. ‘De acht duizendtallen, de zes centurien en degenen die nog in opleiding zijn. Degenen die hun pieken nog niet hebben verdiend.’
Kraznys wendde zich weer tot zijn collega’s voor hernieuwd overleg. De vertaalster had Dany al hun namen genoemd, maar ze waren moeilijk uit elkaar te houden. Vier van de mannen schenen Grazdan te heten, vermoedelijk naar Grazdan de Grote, die aan het begin der tijden het oude Ghis had gesticht. Ze leken allemaal op elkaar: gezette, vlezige kerels met een amber kleurige huid, een brede neus en donkere ogen. Hun weerbarstige haar was zwart of donkerrood of had die vreemde mengeling van rood en zwart die alleen bij Ghiscari voorkwam. Ze waren allemaal in
Aan de franje van de
‘Wij kunnen geen half opgeleide jongens verkopen,’ zei een van de Grazdans met zilveren franje tegen de anderen.
‘Dat kan best, als haar goud deugt,’ zei een dikkere man wiens franje van goud was.
‘Het zijn geen Onbezoedelden. Ze hebben hun zuigeling nog niet gedood. Als ze op het slagveld tekortschieten maken ze ons te schande. En zelfs al castreren we morgen vijfduizend groentjes, dan duurt het nog tien jaar voor ze geschikt zijn om te verkopen. Wat zeggen we dan tegen de volgende koper die Onbezoedelden wil hebben?’
‘Dat hij moet wachten,’ zei de dikzak. ‘Goud in de beurs is beter dan goud in de toekomst.’
Dany liet hen rustig discussieren, terwijl zij van haar rinse dadelpruimenwijn nipte en neutraal en onbegrijpend probeerde te kijken.
Het was Kraznys die ten slotte hun beslissing bekendmaakte. ‘Zeg haar dat ze die acht duizendtallen kan krijgen, als ze voldoende goud blijkt te bezitten. En als ze wil, ook de zes centurien. Zeg haar dat ze volgend jaar nog eens terugkomt, dan verkopen we haar er nog tweeduizend.’
‘Over een jaar ben ik in Westeros,’ zei Dany, toen ze de vertaling had aangehoord. ‘Ik heb ze nu nodig. De Onbezoedelden zijn uitstekend opgeleid maar toch zullen velen van hen in de strijd sneuvelen. Ik zal de jongens nodig hebben om hen te vervangen en de zwaarden op te nemen die zij laten vallen.’ Ze zette haar wijn neer en boog zich naar het slavinnetje toe. ‘Zeg de goede meesters dat ik zelfs de kleintjes wil die hun welpen nog hebben. Zeg dat ik evenveel betaal voor de jongen die ze gisteren gecastreerd hebben als voor een Onbezoedelde met een piekhelm.’
Het meisje bracht het over. Het antwoord bleef nee.
Dany fronste geergerd. ‘Goed dan. Zeg dat ik het dubbele betaal als ik ze allemaal krijg.’
‘Het dubbele?’ De dikzak met de gouden franje begon bijna te kwijlen.
‘Dit hoertje is echt een dwaas,’ zei Kraznys mo Nakloz. ‘Vraag haar het driedubbele, zeg ik. Ze is zo ten einde raad dat ze ook dat zal betalen. Vraag voor iedere slaaf het tiendubbele, ja.’
De lange Grazdan met de stijve baard nam het woord in de gewone spreektaal, al beheerste hij die minder goed dan het slavinnetje. ‘Uwe genade,’ gromde hij, ‘Westeros is rijk, jawel, maar u is nog niet koningin nu. Zal misschien nooit koningin zijn. Zelfs Onbezoedelden verliezen misschien veldslagen tegen woeste staalridders van Zeven Koninkrijken. Ik herinner u, de goede meesters van Astapor verkopen geen vlees voor beloven. Is u in bezit van genoeg goud en handelsgoed voor betalen van alle eunuchen die u wilt?’
‘Daarop kent u het antwoord beter dan ik, goede meester,’ was Dany’s antwoord. ‘Uw mannen zijn overal in mijn schepen geweest en hebben iedere barnstenen kraal en elke kruik saffraan geteld. Hoeveel bezit ik?’
