Jon volgde zijn vinger en zwierf even later in een schemerige, achtergelegen ruimte door een doolhof van zuilen en stalactieten. Hij dacht net:
‘Hierbinnen,’ kwam haar stem, met een vage echo.
Jon moest ruim tien passen kruipen voor de grot zich rondom hem verbreedde. Toen hij weer ging staan hadden zijn ogen even tijd nodig om te wennen. Ygritte had een toorts meegenomen, maar ander licht was er niet. Ze stond naast een kleine waterval die uit een spleet in de rots in een grote, donkere poel stroomde. De oranjegele vlammen werden door het lichtgroene water weerkaatst.
‘Wat doe je hier?’ vroeg hij.
‘Ik hoorde water. Ik wou weten hoe diep deze grot was.’ Ze wees met de toorts. ‘Daar is een gang die nog verder omlaag gaat. Ik ben er honderd pas in gelopen en toen weer omgekeerd.’
‘Liep hij dood?’
‘Jij weet niks, Jon Sneeuw. Hij ging steeds verder door. Er zijn honderden grotten in deze heuvels, en in de diepte staan ze allemaal met elkaar in verbinding. Er loopt zelfs een weg onder jouw Muur door. De Weg van Gorn.’
‘Gorn,’ zei Jon. ‘Gorn was Koning-achter-de-Muur.’
‘Ja,’ zei Ygritte. ‘Samen met zijn broer Gendel, drieduizend jaar geleden. Zij leidden een leger van het vrije volk door de grotten, en de Wacht had er geen flauw idee van. Maar toen ze eruit kwamen stortten de wolven van Winterfel zich op hen.’
‘Er was een veldslag,’ herinnerde Jon zich. ‘Gorn doodde de koning in het noorden, maar diens zoon raapte zijn banier op, nam de kroon van zijn hoofd en sloeg Gorn op zijn beurt dood.’
‘En het zwaardgekletter wekte de kraaien in hun vestingen, en ze reden met zijn allen in het zwart ten strijde om het vrije volk van achteren aan te vallen.’
‘Ja. Gendel had de koning op zijn zuidflank, de Ombers op zijn oostflank en de Wacht op zijn noordflank. Hij sneuvelde ook.’
‘Jij weet niks, Jon Sneeuw. Gendel sneuvelde niet. Hij hieuw zich een weg door de kraaien en leidde zijn volk naar het noorden terug, terwijl de wolven hen huilend op de hielen zaten. Alleen kende Gendel de grotten minder goed dan Gorn en sloeg hij een verkeerde hoek om.’ Ze zwaaide met de toorts, zodat de schaduwen dansten en versprongen. ‘Steeds dieper en dieper daalde hij af, en toen hij wilde omkeren kwamen de routes die hem bekend voorkwamen bij stenen uit in plaats van in de buitenlucht. Weldra doofden zijn toortsen een voor een, en ten slatte heerste er slechts duisternis. Gendels volk is nooit meer gezien, maar in stille nachten kun je hun kindskindskinderen onder de heuvels horen snikken, nog steeds op zoek naar de weg naar buiten. Luister. Hoor je ze?’
Het enige wat Jon hoorde was het vallende water en het flauwe gek netter van vlammen. ‘Is die weg onder de Muur ook verloren gegaan?’
‘Sommigen hebben ernaar gezocht. Wie de diepte in gaat stuit daar op Gendels kinderen, en Gendels kinderen hebben altijd honger.’ Met een glimlach plaatste ze haar toorts voorzichtig in een inkeping in de steen en liep naar hem toe. ‘In het donker kun je alleen vlees eten,’ fluisterde ze en ze beet in zijn hals.
Jon drukte zijn gezicht tegen haar haren en snoof haar geur op. ‘Je klinkt net als ouwe Nans die Bran een griezelverhaal vertelt.’
Ygritte stompte hem tegen zijn schouder. ‘Ben ik een oud wijf?’
‘Je bent ouder dan ik.’
‘Jazeker, en wijzer. Jij weet niks, Jon Sneeuw.’ Ze zette zich tegen hem af en schudde haar vest van konijnenbont uit.
‘Wat doe je nou?’
‘Je laten zien hoe oud ik ben.’ Ze reeg haar hemd van hertenleer los, smeet het opzij en trok haar drie wollen onderhemden in een keer over haar hoofd. ‘Ik wil dat je me ziet.’
‘We moeten niet…’
‘We moeten wel.’ Haar borsten wipten op en neer toen ze op een been ging staan om een laars uit te trekken en daarna op haar andere voet sprong voor de volgende. Haar tepels waren grote, roze cirkels. ‘Jij ook,’ zei Ygritte, terwijl ze haar hozen van schapen bont uitrukte. ‘Als je wilt kijken moet je ook iets laten zien. Jij weet niks, Jon Sneeuw.’
‘Ik weet dat ik jou wil,’ hoorde hij zichzelf zeggen, al zijn geloften en eer vergetend. Naakt als op haar naamdag stond ze voor hem, en hij was nog nooit zo stijf geweest. Hij was inmiddels al tientallen keren in haar geweest, maar altijd onder de vachten, met de anderen overal om hen heen. Hij had nooit gezien hoe mooi ze was. Haar benen waren mager maar gespierd en waar haar dijen bijeen kwamen waren haar haren nog roder dan op haar hoofd.
Naderhand was ze bijna verlegen, of zo verlegen als Ygritte maar kon zijn. ‘Wat je daarnet deed,’ zei ze toen ze samen op hun bergje kleren lagen, ‘met je… mond…’ Ze aarzelde. ‘Is dat… is dat wat de heren in het zuiden met hun dames doen?’
‘Ik denk het niet.’ Niemand had Jon ooit verteld wat de heren met hun dames deden. ‘Ik… ik wilde je daar gewoon kussen. Je scheen het fijn te vinden.’
‘Jawel. Ik… vond het wel fijn. Heb je dat van niemand geleerd?’
‘Ik heb nooit iemand gehad,’ bekende hij. ‘Alleen jou.’
‘Een maagd,’ plaagde ze hem. ‘Je was nog maagd.’
Hij gaf een speels kneepje in haar dichtstbijzijnde tepel. ‘Ik was een man van de Nachtwacht.’
Ygritte duwde zich op een elleboog overeind. ‘Ik ben negentien, een speervrouw, en door vuur gekust. Hoe had ik nou nog maagd kunnen zijn?’
‘Wie was het?’
‘Een jongen op een feest, vijf jaar geleden. Hij kwam met zijn broers mee om handel te drijven, en hij had net zulk haar als ik, door vuur gekust, dus ik dacht dat hij geluk zou brengen. Maar hij was een zwakkeling. Toen hij terugkwam en probeerde me te stelen brak Langspeer zijn arm en joeg hem op de vlucht, en hij heeft het nooit meer geprobeerd, helemaal nooit.’
‘Dus het was niet Langspeer?’ Jon was opgelucht. Hij mocht Langspeer wel, met zijn lelijke gezicht en zijn vriendelijke manier van doen.
Ze gaf hem een stomp. ‘Wat smerig. Zou jij het met je eigen zuster doen?’
‘Langspeer is je broer niet.’
‘Hij komt uit mijn dorp. Jij weet niks, Jon Sneeuw. Een echte man steelt een vrouw van elders, om de clan te versterken. Vrouwen die het met broers, vaders of clanverwanten doen beledigen de goden en worden met zwakke en ziekelijke kinderen vervloekt. Zelfs met monsters.’
‘Craster neemt zijn eigen dochters tot vrouw,’ merkte Jon op. Ze gaf hem nog een stomp. ‘Craster lijkt meer op jullie dan op ons. Zijn vader was een kraai die een vrouw uit Witboom gestolen had, maar toen-ie haar had gehad vloog-ie naar zijn Muur terug. Zij is een keertje naar Slot Zwart geweest om hem zijn zoon te laten zien, maar de broeders staken hun hoorns en joegen haar weg. Crasters bloed is zwart en er rust een zware vloek op hem.’ Ze streek met haar vingers zachtjes over zijn maag. ‘Ik was eerst bang dat jij dat ook zou doen. Terugvliegen naar de Muur. Want je wist niet wat je met me aan moest nadat je me gestolen had.’
