‘Het was wel degelijk mijn schuld, Louis Wu. Ik had moeten beseffen waarom ik zo’n moeite had met het vinden van andere kandidaten voor de bemanning.’
‘Huh?’
‘Ze hadden te veel geluk.’
Louis floot toonloos door zijn tanden. Daar had de poppenspeler even een volkomen nieuwe theorie ontwikkeld. Hij probeerde het denkbeeld uit Nessus zijn hoofd te praten. Toen dat niet lukte droeg hij het vliegen van de vier cyclettes aan hem over. Vlak voor hij in slaap viel besefte hij met enige verbazing hoe stil de cyclette in de lucht hing. De poppenspeler was een voortreffelijke piloot.
Louis werd bij het eerste licht van de zon wakker.
Hij was niet gewend aan slapen met zwaartekracht. En hij had nog nooit van zijn leven een nacht zittend doorgebracht. Toen hij geeuwde en zich probeerde uit te rekken, schenen spieren te kraken en te bezwijken onder de spanning. Kreunend wreef hij zich in zijn plakkerige ogen en keek om zich heen.
De schaduwen zagen er raar uit, en het licht ook. Louis keek op en zag een schijfje van een zon die hoog aan de hemel stond. Stommeling, zei hij tegen zichzelf, terwijl hij wachtte tot het tranen op zou houden. Zijn reflexen waren sneller dan zijn brein. Links van hem was alles duisternis, een duisternis die dieper werd naarmate hij verder weg was. De onzichtbare horizon was van een zwart dat moest zijn geboren uit nacht en chaos, onder een marineblauwe hemel waarin de contouren van de Ringwereld vaag opgloeiden.
Rechts van hem, draaiwaarts, was het volop dag.
De dageraad was anders op de Ringwereld.
De woestijn liep op zijn eind. De grillige grens ervan, abrupt, en duidelijk te zien, boog naar links en rechts weg. Achter de cyclettes was hij ook te zien: wit en felverlicht en kaal. De grote berg nam nog steeds een groot stuk van de hemel in beslag. Voor hen waren rivieren en meren te zien, kleiner wordend naarmate ze verder weg waren, van elkaar gescheiden door stukken groen-bruin.
De cyclettes waren nog steeds in hetzelfde patroon: een grote ruit. Op deze afstand leken het wel zilveren insekten, allemaal hetzelfde. Louis vloog voorop. Zijn geheugen vertelde hem dat Spreker draaiwaarts vloog. Nessus tegendraaiwaarts, en dat Teela achteraan vloog.
Draaiwaarts van de berg hing een langgerekte stofwolk in de lucht. Het had wel wat weg van een grondvoertuig, een jeep bijvoorbeeld, die een woestijn overstak, maar dan groter. Het moest wel groter zijn, al was het maar een draadje op deze afstand …
‘Ben je wakker, Louis?’
‘Morgen, Nessus. Heb jij al die tijd gevlogen?’
‘Een paar uur geleden heb ik dat karwei overgedragen aan Spreker. Je ziet dat we al meer dan tienduizend kilometer hebben afgelegd.’
‘Jah.’ Maar het was niet meer dan een loos getal; een miniem gedeelte van de afstand die ze zouden moeten afleggen. Louis’ gevoel voor afstand was de nek omgedraaid omdat hij zijn hele leven lang al transfercabines gebruikte.
‘Kijk eens achter ons,’ zei hij. ‘Zie je dat stofspoor? Enig idee wat dat zou kunnen zijn?’
Natuurlijk. Het moet de verdampte rots zijn, die zich na onze landing condenseert in de atmosfeer. De hoeveelheid is zo groot dat het nog niet allemaal is teruggezakt.’
‘O. Ik dacht al aan stofstormen … Drigg nog aan toe, moet je kijken hoever we zijn doorgeschoven!’ Want het stofspoor was minstens een paar duizend kilometer lang als het even ver van hen vandaan was als het schip.
Hemel en aarde waren twee vlakken, oneindig breed, op elkaar gedrukt, en zij waren microben die er tussenin voortkropen … ‘De luchtdruk is groter geworden.’
Louis rukte zijn ogen los van het punt waar hemel en ring in elkaar overgingen. ‘Wat zei je daar?’
‘Kijk maar eens op je drukmeter. Toen we landden moeten we op zijn minst drie kilometer hoger zijn geweest dan nu.’
Louis draaide een blok om er zijn ontbijt mee te doen. ‘Is de luchtdruk belangrijk?’
‘We moeten acht slaan op alles zolang we in een onbekende omgeving verkeren. Je kunt nooit weten welk detail later van het grootst mogelijke belang kan zijn. De berg die we als herkenningspunt hebben gekozen is nog steeds enorm groot achter ons. Hij moet nog groter zijn dan we eerst hebben gedacht. En verder: wat denk je van die zilverig glanzende punt voor ons?’
Waar?’
‘Bijna bij de hypothetische horizon, Louis, recht voor je.’
Het leek op het zoeken naar een enkel detail op een kaart die op zijn kant wordt gehouden, maar Louis zag het toch: een felle spiegelblikkering, net groot genoeg om meer te zijn dan gewoon een stip.
‘Zonlicht dat van iets weerkaatst wordt. Wat zou het kunnen zijn… Een glazen stad?’
‘Onwaarschijnlijk.’
Louis schoot in de lach. ‘Je bent al te beleefd. Maar het is wel zo groot als een glazen stad. Of een rij spiegels. Misschien is het wel een grote telescoop van het reflectortype.’
‘Dan is hij waarschijnlijk niet meer in gebruik.’
‘Hoe dat zo?’
‘We weten dat deze beschaving is teruggevallen tot het barbarendom. Waarom zouden ze anders enorme stukken tot woestijn laten worden?’
Vroeger had Louis geloof gehecht aan die stelling. Maar nu … ‘Misschien oversimplificeer je de zaken wel. De Ringwereld is groter dan we hebben kunnen beseffen. Volgens mij is er hier ruimte genoeg voor barbarendom en beschaving, en alles ertussen.’
‘Een beschaving vertoont de neiging zich uit te breiden, dat weet je toch, Louis.’
‘Jah.’
Ze zouden toch wel te weten komen wat dat heldere puntje te betekenen had. Ze vlogen er recht op af.
Een koffiekraantje was er niet.
Louis werkte net de laatste happen van zijn ontbijtblok weg toen hij twee groene lichtjes op zijn dashboard zag. Eerst had hij er geen idee van wat ze betekenden, tot hij zich herinnerde dat hij Teela en Spreker de afgelopen nacht uit de intercom had geschakeld. Hij haalde twee knoppen over en ze waren er weer.
‘Goede morgen,’ zei Spreker. ‘Heb je de dageraad gezien, Louis? Artistiek stimulerend.’
‘Zeker. Morgen, Teela.’
Teela gaf geen antwoord.
Louis keek wat beter. Teela was gefascineerd, betoverd, als iemand die het Nirwana heeft bereikt.
‘Nessus, heb je je tasp gebruikt op Teela?’
‘Nee, Louis. Waarom zou ik?’
‘Hoe lang is ze al zo?’
‘Hoe bedoel je, “zo”?’ zei Spreker. ‘Ze heeft de afgelopen tijd niet met een van ons gepraat, als je dat bedoelt.’
‘Ik bedoel haar gezicht, hoe ze kijkt, driggit!’
Teela’s gezicht op het dashboard staarde naar de oneindigheid, dwars door Louis’ hoofd heen. Ze was op een stille manier heel gelukkig.
‘Ze maakt een ontspannen indruk,’ zei de Kzin, ‘en ik geloof niet dat ze er slecht aan toe is. De fijnere nuances van de menselijke gelaatsuitdrukking …’
‘Laat maar zitten. Zet ons aan de grond, alsjeblieft. Ze heeft Plateau trance.’
‘Dat begrijp ik niet.’
‘Zet ons nou maar gewoon aan de grond.’
Ze vielen van anderhalve kilometer naar beneden, en Louis moest een tijdlang vrije val, met alle draaierige verschijnselen daarvan, doorstaan voor Spreker de stuwers weer aanzette. Hij keek naar Teela’s beeld om te zien hoe ze reageerde, maar hij zag niets. Ze keek sereen, onverstoorbaar. Haar mondhoeken gingen een klein beetje omhoog.
Louis zat wanhopig te piekeren terwijl ze vielen. Hij wist wel iets af van hypnose: hier en daar zo een beetje, dat krijg je wel binnen als je tweehonderd jaar lang 3-D kijkt. Als hij het zich nou maar wist te herinneren …
