Misschien ontdekken we wel dat het een ander ras is dan dat van jou of Teela. Maar het zijn mensen.’
‘Waarom ben je daar zo zeker van?’
‘Ik ruik ze, Louis. De geur drong tot me door toen ik de sonische capsule afzette. Ver van ons vandaan, verspreid over een heel groot oppervlak, bevinden zich mensen. Vertrouw nu maar op mijn neus, Louis.’
Louis geloofde hem. De neus van de Kzin was de neus van een carnivoor die door jagen aan de kost kwam. ‘Parallelle evolutie?’
‘Nonsens,’ zei Nessus.
‘Best.’ Het menselijk lichaam was heel geschikt voor de werktuigbouwer/werktuiggebruiker die de mens was, maar niet echt veel beter dan andere soorten lichaamsbouw. Intelligentie zat in allerlei soorten lichamen.
‘We zijn aan het tijd verspillen,’ zei Spreker-tot-Dieren. ‘Het probleem is niet hoe er hier mensen zijn gekomen. Het probleem ligt in het eerste contact met ze. Voor ons zal iedere ontmoeting een “eerste contact” zijn.’
Louis besefte dat hij gelijk had. De cyclettes vlogen sneller dan de inheemsen het nieuws aan elkaar konden doorgeven, op wat voor manier ze dat ook deden. Als ze dat deden. Maar als ze semaforen hadden …
‘We moeten iets weten van hoe mensen zich gedragen als ze zich in deze wilde staat bevinden,’ ging Spreker verder. ‘Louis? Teela?’
‘Ik weet iets af van antropologie,’ zei Louis.
‘Dan ben jij onze woordvoerder als we mensen ontmoeten. Laten we hopen dat onze autopiloot een goede vertaling kan geven. We zullen de eerste mensen die we aantreffen aanspreken.’
Het leek wel of ze nog maar net in de lucht waren toen het bos plaatsmaakte voor een dambord van akkers. Een paar seconden later kreeg Teela de stad in het oog.
Hij leek op de steden die in afgelopen eeuwen op de Aarde hadden gestaan. Er waren een heleboel gebouwen van een paar verdiepingen hoog, aaneengeregen tot een ononderbroken massa. Een paar lange slanke torens staken boven de massa uit, met elkaar verbonden door smalle draaiende banen voor grondwagens, en dat was zeker iets dat niet een kenmerk was geweest van Aardse steden. Die hadden in die tijd gebruik gemaakt van heliports.
‘Misschien is onze speurtocht hier wel ten einde,’ zei Spreker hoopvol.
‘Ik durf met je te wedden dat er niemand meer woont,’ zei Louis. Hij raadde alleen maar, maar hij had het wel bij het rechte eind. Het werd duidelijk toen ze eroverheen vlogen.
In zijn glorietijd moest de stad van een indrukwekkende schoonheid zijn geweest. Een ding zou de afgunst hebben opgewekt van elke stad in de bekende ruimte. Een groot aantal gebouwen had namelijk niet op de grond gerust, maar gezweefd in de lucht, met de grond en met andere gebouwen verbonden door middel van wagenbanen en lifttorens. Vrij van de last der zwaartekracht, vrij van verticale en horizontale beperkingen; de zwevende droomkastelen hadden allerlei vormen en afmetingen gehad.
Nu vlogen vier vliegcyclettes over de ruines. Bij het neerstorten had elk zwevend gebouw gebouwen eronder verpletterd, zodat ze niets zagen dan vergruizelde steen en gebroken glas en beton, verwrongen staal, en kromme wagenbanen en lifttorens die nog steeds ten hemel reikten.
Toen Louis het zag moest hij weer aan de inheemsen denken. Menselijke architecten bouwden geen luchtkastelen, daarvoor hadden ze een veel te indringend besef van veiligheid.
‘Ze moeten allemaal tegelijk naar beneden zijn gestort,’ zei Nessus. ‘Ik zie geen spoor van pogingen om iets te repareren. Ongetwijfeld een storing in de energie die ze in de lucht hield. Spreker, zouden Kzinti zulke dwaze dingen bouwen?’
‘Wij zijn niet zo dol op hoog wonen,’ zei de Kzin. ‘Misschien zouden mensen het wel doen als ze niet zo dol waren op hun leven.’
‘Methusalixer!’ riep Louis opeens. ‘Dat is het antwoord. Ze hadden geen methusalixer.’
‘Ja, dat zou ze minder beducht voor hun veiligheid kunnen maken. Ze zouden minder leven te beschermen hebben,’ speculeerde de poppenspeler. ‘Dat klinkt onheilspellend, nietwaar? Als ze hun eigen leven minder hoog aanslaan, dan zal dat voor het onze ook wel gelden.’
‘Je ziet problemen waar er voorlopig nog geen zijn.’
‘We weten het gauw genoeg. Spreker, zie je dat laatste gebouw, hoog, cremekleurig, met die gebroken ramen …’
Ze waren er overheen gegleden terwijl de poppenspeler sprak. Louis, wiens beurt het was om de cyclettes te besturen, draaide om om nog eens te kijken.
‘Ja, ik had gelijk. Zie je dat. Spreker? Rook.’
Het gebouw was een op artistieke wijze gebogen en gesculptureerde pilaar van twintig verdiepingen. De ramen waren rijen zwarte ovalen. De meeste ramen van de begane grond waren afgesloten. Door de paar die open stonden stroomde dunne grijze rook met de wind mee.
De toren stond enkeldiep tussen huizen van een of twee verdiepingen. Een rij ervan was platgewalst door een rollende cilinder die uit de hemel moest zijn komen vallen. Maar de voortrollende massa was uiteengevallen tot losse brokken beton voor het die ene toren had bereikt.
De achterkant van de toren was meteen de rand van de stad. Er voorbij zagen ze alleen maar vierkante en rechthoekige stukken akkerland. Mensachtige figuurtjes kwamen de stad inrennen terwijl de cyclettes even bleven hangen en toen langzaam naar de grond zakten.
Gebouwen die er van hoog boven de grond intact hadden uitgezien waren vlak boven de grond duidelijk ruines. Niets was onbeschadigd. Het wegvallen van de stroomvoorziening en de rampen die ermee gepaard gingen, moesten generaties geleden al hebben plaatsgevonden. Ze waren gevolgd door vandalisme, regen, de kleine vernielingen die werden aangericht door kleine levensvormen, het metaal was gaan oxideren, en nog iets. Iets dat ervoor had gezorgd dat dorpshopen uit het prehistorische verleden bewaard waren gebleven, zodat later archeologen erin konden rondneuzen.
De bewoners van deze stad hadden haar niet herbouwd na de ramp. Ze waren ook niet weggetrokken. In plaats daarvan waren ze in de ruines blijven wonen.
En het afval van hun bestaan had zich om hen heen opgehoopt. Afval. Lege dozen. Stof dat door de wind werd aangevoerd. Oneetbare voedselresten, botten, en dingen die op Aarde ‘wortelloof’ en ‘aardappelschillen’ zouden hebben geheten. Kapot gereedschap. Het accumuleerde zich als de mensen te lui waren of te hard moesten werken om het weg te halen. Het accumuleerde, en de rommel werd zachter en mengde zich dooreen, en de massa zakte ineen onder zijn eigen gewicht en werd nog verder samengeperst door zware voeten, jaar na jaar, generatie na generatie. De oorspronkelijke ingang van de toren was er al onder begraven, zo hoog was de grond nu al geworden. Toen de cyclettes zich neerzetten op samengepakte aarde, drie meter boven wat vroeger een parkeerterrein voor grote grondvoertuigen was geweest, kwamen vijf mensachtige inheemsen plechtig en waardig door een raam op de eerste verdieping schrijden.
Het raam was een dubbel erkerraam, meer dan groot genoeg voor een dergelijke processie. De onderlijst en bovenlijst waren versierd met tussen de dertig en de veertig menselijk uitziende schedels. Louis kon geen duidelijke bedoeling zien achter die manier van schikken.
De vijf liepen naar de cyclettes toe. Toen ze dichtbij waren, aarzelden ze, zichtbaar onzeker over wie nu de leider was van het viertal. Zij zagen er ook menselijk uit, maar niet heel erg menselijk. Het was wel duidelijk dat ze tot een volkomen onbekend ras behoorden.
Ze waren alle vijf minstens vijftien centimeter korter dan Louis Wu. Waar hun huid zichtbaar was, was hij licht, bijna spookachtig wit naast Teela’s noordse roze of Louis’ donkere geelbruin. Hun romp was kort, hun benen waren lang. Ze liepen met hun armen op precies dezelfde manier gevouwen, en hun vingers waren bijzonder lang, en liepen spits toe, zodat ze stuk voor stuk een geboren chirurg zouden zijn geweest in de tijd dat de mens nog aan chirurgie deed.
Hun haar was nog eigenaardiger dan hun handen. Bij alle vijf functionarissen had het dezelfde kleur: asblond. Hun haar en baard waren gekamd, maar niet geknipt of bewerkt, en achter die baard ging op hun ogen na hun hele gezicht schuil.
Natuurlijk zagen ze er allemaal hetzelfde uit.
‘Ze zijn zo harig!’ fluisterde Teela.
‘Blijf zitten op jullie cyclettes,’ beval Spreker zacht. ‘Wacht tot ze bij ons zijn. Ga er dan af. We hebben toch allemaal onze cornmunicatorschijven bij ons?’
